Conclusie
I. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen komt het volgende naar voren.
1.Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 april 2000:
Op 10 april 2000, omstreeks 11.10 uur, verzocht de regionale meldkamer van politie Brabant Noord ons te gaan naar de [a-straat] te Hintham, gemeente ’s-Hertogenbosch. Via 112 had een persoon gebeld en verteld dat hij zijn vriendin met doorgesneden keel had aangetroffen. Omstreeks 11.20 uur kwamen wij ter plaatse. Wij zagen dat het genoemde adres in een flatgebouw was gelegen. Bij huisnummer 231 zagen wij dat de voordeur naar binnen toe open stond. Wij zagen dat de voordeur en deurstijlen geen braaksporen of andere bijzonderheden vertoonden. Wij zagen vanuit de voordeur een halletje van ongeveer twee bij een meter groot. Wij zagen op de grond een persoon onder een papieren laken liggen. Wij zagen dat deze persoon met het hoofd naar de voordeur lag, met beide armen aan de linkerzijde. Wij zagen dat onder dit laken een plas van bloed van ongeveer een meter bij een meter lag. Verder zagen wij bij de voeten van de persoon een grote hoeveelheid bloed.
2.en 3
Op 11 april heeft ondergetekende in het ziekenhuis te ’s-Hertogenbosch de schouw verricht van het lijk van [slachtoffer] , dood aangetroffen op 10 april 2000 te Hintham, [a-straat] , teneinde na te gaan de oorzaak van diens dood.
Het is niet waarschijnlijk dat dat [slachtoffer] zelf de snede heeft toegebracht.”
Op grond van de verkregen informatie over deze zaak en de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd.
7.en 8
1. Bloedspoorpatroononderzoek.
Er is een rapport geschreven dat in detail patroon en distributie van bloed in fotografisch bewijsmateriaal weergeeft, ter overweging of de dood van R.J.P.M. van der Hoogen het gevolg was van zelfmoord of niet. De benadering van Richard Eikelenboom is gedaan om te bekijken of het bloedpatroon een van de twee tegengestelde hypotheses meer onderbouwt dan de andere. De beschouwing van het bewijs is juist.”
11.tot en met 21
een brief d.d. 6 maart 2016 van de (reeds genoemde) arts en patholoog R. Torenbeek, die in antwoord op vragen van de raadsman (rechtopstaand schrift) onder meer het volgende heeft geantwoord (cursief):
een e-mailwisseling uit januari 2016 van de raadsman met de huisarts [huisarts], waaraan ik de volgende uitspraken ontleen (ik combineer mededelingen uit twee e-mails):
In 2000 was ik huisarts in Hintham (…). Korte tijd voor dat [slachtoffer] dood gevonden werd, (die bij mij niet bekend was), werd ik in de weekeinde dienst opgeroepen om een visite af te leggen. In de flat van [veroordeelde][ [veroordeelde] , D.A.]
aangekomen, deed [slachtoffer] een dringend beroep op mij om in de hals te laten snijden, “want daar zat iets wat eruit moet”. Als ik me goed herinner wees zij naar de rechter kant van haar hals. Geruststelling kwam niet goed over. (….).
een rapport d.d. 23 februari 2016 van dr. F.J.M. Alkemade, getiteld ‘Een Bayesiaanse visie op de dood van [slachtoffer] . Deskundigenrapport in de zaak [veroordeelde] . Op verzoek van de familie [van veroordeelde] en raadsman mr. van der Kruijs’. In dit rapport van 105 bladzijden is een Bayesiaanse analyse van de gehele casus opgenomen.
Maar hier maakt Eikelenboom een belangrijke denkfout. “Bloed in bloed” zou weliswaar de bloedspatjes op de zool verklaren, maar ook “water in bloed”, of “speeksel in bloed”, of “wat dan ook in bloed” zouden de bloedspatjes op de zool verklaren, en wel precies even goed. Om dit duidelijk te maken moet ik wat meer vertellen over het fysische mechanisme achter “bloed in bloed”. Het gaat daarbij om een zogenoemde ‘corona splash’, een verschijnsel dat zich onder bepaalde omstandigheden voordoet als er ‘iets’, meestal een druppel vloeistof, in een reservoir met vloeistof valt. Het verschijnsel kent een dusdanig snel tijdsverloop dat het met het blote oog nooit zichtbaar is. (…). Door de impact van de vallende druppel (of van iets anders dat in de vloeistof valt) wordt een deel van die reservoirvloeistof schuin omhoog en naar opzij weggestuwd. De ringvormige golf waarmee dat aanvankelijk gebeurt valt daarbij uiteen in een krans van kleine druppeltjes (‘corona’), die een soort mini-kogelbaantje zullen beschrijven. Het zijn deze kleine druppeltjes die — inderdaad — als kleine ronde spatjes op de zijkant van [veroordeelde] ’s schoen terecht zouden hebben kunnen komen. Ook andere, wat meer chaotisch verlopende ‘splashes’ kunnen overigens dit soort kleine wegvliegende druppeltjes veroorzaken, al zullen er dan vaak ook wat grotere druppels tussen zitten. (…).
We kunnen eerst vaststellen dat in elk geval het genoemde stroompatroon op de schoenzool ook even goed pas zou kunnen zijn ontstaan toen [slachtoffer] al op de vloer lag. Op dat moment lag haar linker voet immers in exact dezelfde positie als die door Eikelenboom voorgesteld werd in de fase dat de moordenaar haar nog ondersteunde. Dus het stroompatroon kan hoe dan ook nooit onderscheiden tussen een langere of kortere tijd dat de moeilijke houding moest worden volgehouden, en dus per definitie ook niet tussen moord of zelfmoord.
Op basis van alle uitgangspunten, keuzes en materiële kansinschattingen zoals ik die in deze analyse gehanteerd en onderbouwd heb, luidt de uitkomst (= de Posterior Odds) als volgt: op grond van volgens mij zo optimaal mogelijke kansinschattingen, acht ik de kans dat [slachtoffer] door [veroordeelde] gedood is, erg klein, ca. 0,03%. Als ik alle kansinschattingen zo ongunstig mogelijk maak, maar (volgens mij) nog wel net binnen de grenzen van het redelijke, leidt dat tot een kans op daderschap van ca. 20%. Mijn conclusie luidt dan ook: Volgens mij is de kans dat [slachtoffer] door [veroordeelde] gedood is, ca. 0,03%, en zeker niet hoger dan 20%.”
Het likkende hondje. Het onderscheid tussen moord en zelfmoord, Den Haag: Boom Criminologie 2015. De hele casus is in dit boek besproken. De bewijsvoering is van kritisch commentaar voorzien. Een exemplaar van deze publicatie heb ik zelf aan het dossier toegevoegd. Ik verwijs daarnaar.
dat bij een (meer) rechtopstaande houding op het moment dat de snede aan de hals werd toegebracht, de kans op de afwezigheid van arteriële bloedspatten op de broek ongeveer even groot is als bij een voorovergebogen houding.”
betekenen dat de linkerschoen eerst (evenals de rechterschoen) plat op de vloer heeft gestaan terwijl bloed op het tapijt terechtkwam. Hierbij zijn secundaire bloedspatten op het bovenwerk van de linkerschoen terechtgekomen. Op enig moment is de linkerschoen gekanteld waarbij de zool (loopvlak) toegankelijk is geworden voor het aldoor opspattende bloed. Vervolgens lijkt niet meer op het loopvlak van deze schoen te zijn gestaan. Hoe lang dit alles heeft geduurd kan op grond van de bloedsporen niet worden vastgesteld.”
In het rapport beschrijft de onderzoeker[Eikelenboom, D.A.]
de genoemde voorwaarde voor het verkrijgen van opspattend bloed, als gevolg van het op de vloer neergekomen arteriële bloed. Hierbij is aangegeven dat het enige tijd duurt voordat zich voldoende bloed op het tapijt heeft verzameld alvorens bloedspatten te doen ontstaan. Deze voorwaarde kan ik niet onderschrijven. Ook bij aanvang op het laagpolige tapijt terechtgekomen bloed zal namelijk al secundaire bloedspatten doen ontstaan.”
De rechtbank en het gerechtshof hebben de conclusie met betrekking tot de houding van het slachtoffer van R. Eikelenboom overgenomen. Zoals aangegeven zijn de kleding en schoenen van het slachtoffer niet fysiek door mij onderzocht. Vooralsnog berust de beoordeling van de drie pijlers op louter het bestuderen van de foto’s. Echter, dit tot nu toe door mij beoordeelde aspect van het bloedsporenbeeld lijkt even waarschijnlijk onder een aanvankelijk ‘normale’ (meer) rechtopstaande houding met beide voeten plat op de vloer gevolgd door een ver voorover gebogen houding met een gekantelde linkerschoen als de eerder geconcludeerde ‘moeilijk te realiseren’ aanvankelijke houding.”
worden veel secundaire bloedspatten op de schoenen en de broek van de verdachte verwacht”, aldus Van der Scheer. Hij vervolgt:
Een dergelijk sporenbeeld lijkt niet aanwezig op de kleding en schoenen van de verdachte. De kans op het verkrijgen van de, naar het zich laat aanzien, enkele aanwezige bloedspatten is onder deze hypothese (zeer) klein. De kans op het verkrijgen van bloed op de (boven)kleding van de verdachte als gevolg van het steun geven in een dynamische situatie is reëel. De kans om geheel geen bloedsporen aan te treffen op de (boven)kleding in een dergelijke situatie is (zeer) klein.”
is, gezien de ruime aanwezigheid van bloed in zowel de tochthal als de aangrenzende hal, de kans groot dat bloed onder en op de schoenen en op de onderzijden van de broek terechtkomt. Met iedere keer dat de doorgang waar het bebloede slachtoffer ligt wordt gepasseerd, waarbij de tochtdeur moet worden geopend, neemt de kans toe op het verkrijgen van (meer) bloed op kleding en schoenen. De kans dat bij het drie maal passeren van het slachtoffer enkele bloedspatten op de schoenen en de broek ontstaan is reëel.”
Bovenstaand zijn de op de verdachte aangetroffen bloedsporen beschouwd in het licht van enerzijds de aanwezigheid tijdens het delict én enkele keren over het lichaam heenstappen (hypothese 1) en anderzijds alleen enkele keren over het lichaam heenstappen (hypothese 2). Een dergelijke evaluatie lijkt destijds niet te zijn verricht. In het rapport van 2003 en later bij de reconstructie in 2005 zijn de op de verdachte aangetroffen bloedsporen beschouwd in het licht van enerzijds de aanwezigheid van de verdachte en anderzijds de afwezigheid van de verdachte. Onder de hypothese dat de verdachte aanwezig was, lijkt het gegeven dat tevens minimaal twee keer over het slachtoffer is gestapt niet te zijn beschouwd.
Aspect ‘bloedsporen op de plaats delict’ (houding slachtoffer)
Mogelijkheid aanvullend onderzoek
Op de foto’s is zichtbaar en uit het sectierapport blijkt dat er maar één snede is gemaakt. Hierbij zijn meerdere weefsellagen doorgesneden. Uit het onderzoek van de foto’s wordt duidelijk dat op basis van de schaafverwondingen aan het begin en het einde van de snee kan worden geconcludeerd dat de snee van links naar rechts is toegebracht. Er zijn namelijk kleine krassen links en grote krassen rechts van de wond, veroorzaakt doordat het mes uit de wond over de huid naar boven is gehaald. De wond aan de hals is dus veroorzaakt door een enkelvoudige krachtige, snijdende beweging van links naar rechts, zonder aanwijzingen voor herhaaldelijk snijden of hakken. Indien het mes met minder kracht was gehanteerd dan waren er minder weefsellagen in één keer doorgesneden en had het uiterlijk van de verwonding er niet zo glad uitgezien.”
De foto’s tonen een lijnvormige, ietwat golvende snede door tenminste de huid en het onderhuids vetweefsel. Er is zicht op structuren van de hals en volgens het sectieverslag zou de rechter gemeenschappelijke halsslagader (a. carotis communis dextra) zijn geraakt. Dit bevestigt dat er meerdere weefsellagen zijn doorgenomen.
wordt gesteld dat aan het einde van een snijwond soms een oppervlakkige huidbeschadiging wordt gezien. Dit is echter geenszins specifiek, en dus onvoldoende om de snijrichting, waarin een wond ontstaan is, op te baseren.
De bevindingen onder 3 worden bevestigd in het sectierapport. De inwendige verwondingen zoals daarin beschreven, komen eveneens overeen met het snijden door de hals van links naar rechts.”
In het voorlopige en definitieve sectierapport van patholoog R. Torenbeek worden geen uitspraken gedaan over de snijrichting of de kracht van de geweldsinwerking.
In de hals, noch elders op het lichaam, zijn proef- of aarzelingssneden zichtbaar, die worden geassocieerd met zelfmoord.”
Uit het bestudeerde materiaal blijkt dat dat er bij sectie geen proef of aarzelingssneden werden gezien.
Bij het slachtoffer zijn geen afweerverwondingen waargenomen, die worden geassocieerd met moord of doodslag.”
.
De bijna horizontale oriëntatie van de wond is ongebruikelijk bij zelfverwonding. Uit de literatuur blijkt dat de sneden bij zelfmoord meestal schuin verlopen van hoog naar laag, beginnend onder de kaakhoek tot aan de voorzijde van de hals; bij rechtshandigen is dat van linksboven naar rechtsvoor, bij linkshandigen van rechtsboven naar Iinksvoor.”
Uit het bestudeerde materiaal blijkt dat de snede in de hals nagenoeg horizontaal verliep.
. Echter, zoals reeds aangegeven in[literatuurverwijzingen, D.A.]
is deze veelvuldig herhaalde beschrijving veelal fout. Horizontale sneden komen voor bij zelfdoding […], en de aanwezigheid van een horizontale snede kan derhalve niet gebruikt worden als argument om zelfdoding uit te sluiten. Omdat niet bekend is hoe vaak horizontale snedes voorkomen bij zelfdoding en bij moord/doodslag kan deze bevinding niet gebruikt worden om in termen van waarschijnlijkheid over deze twee opties te spreken.”
Gezien de richting van de sneden en de hoek die het mes heeft gemaakt is deze verwonding moeilijk door het slachtoffer zelf toe te brengen. Dit zou een bijzonder onhandige stand en beweging van de arm vereisen, het is twijfelachtig of onder die omstandigheden voldoende kracht kan worden ontwikkeld om een dergelijke snede te veroorzaken.”
Volgens ondergetekende vereist de positie van de snede geen ‘bijzonder onhandige stand en beweging van de arm’. Dit is ongeacht de zijdigheid/dominantie van de overledene of de veronderstelde snijrichting. De snede kan dus zowel door het slachtoffer zelf als door een ander persoon zijn toegebracht. De conclusie van het voorlopige sectieverslag van drs. R. Torenbeek onderschrijft dit. Daarin wordt ook gesteld dat ‘het letsel [...] zeer wel door het slachtoffer zelf[kan]
zijn toegebracht’. Er kan op grond van de sectiebevindingen en de wetenschappelijke literatuur dus geen uitspraak worden gedaan onder welk van de bovengenoemde hypothesen het ontstaan van de letsels waarschijnlijker is. Dit is niet in lijn met wat door drs. Schieveld is geconcludeerd.”
De National Injuries Database (NID) wordt door het NFI niet gebruikt. Doordat de in- en exclusiecriteria en de methodologie van de database mij onbekend zijn kan ik uitspraken gebaseerd op onderzoek met de NID in algemene zin niet waarderen.
dat het doorsnijden van de keel als vorm van zelfdoding vaker voorkomt bij mannen dan bij vrouwen. In die zin is het vrouwelijke geslacht van het slachtoffer in deze zaak een aanwijzing richting de hypothese van toegebracht letsel.”
Samenvattend kan mijns inziens gesteld worden dat het letsel in de hals is ontstaan door bij leven ingewerkt scherprandig perforerend/snijdend geweld, als gevolg van het steken/snijden met een één- of tweezijdig scherprandig voorwerp, zoals bijvoorbeeld een mes. De letselkenmerken passen goed bij het gebruik van een mes met een gekarteld lemmet. Het relatief rechte aspect van de wondranden, zonder inkepingen of huidflapjes suggereert dat de snede in één relatief ononderbroken beweging is gemaakt. De letselkenmerken zijn onvoldoende specifiek om een uitspraak te doen over de snijrichting en de ingewerkte kracht, of om een onderscheid te maken tussen zelfdoding of toegebracht letsel. De snede kan qua locatie zowel door het slachtoffer zelf als door een ander persoon zijn toegebracht.
De veroordeling is nagenoeg uitsluitend gebaseerd op de conclusies van Eikelenboom en de bevindingen van forensisch geneeskundige Schieveld, in combinatie met de impliciete aanname dat het niet voor de hand ligt dat een vrouw van die leeftijd onder de gegeven omstandigheden haar eigen keel doorsnijdt, hetgeen ook bevestiging vond in de rapportages van Eikelenboom en Schieveld. Deze impliciete aanname houdt, gelet op het rapport van Soerdjbalie-Maikoe en de daaraan ten grondslag gelegde literatuur, evenwel niet zonder meer stand. Bovendien komt deskundige Van der Scheer op een aantal punten tot andere conclusies dan Eikelenboom. Daarbij komt dat het slachtoffer bekend was met depressies, waanbeelden die haar een duidelijk motief kunnen hebben gegeven om zichzelf te verwonden in/aan haar hals en een eerdere zelfmoordpoging.
achterzijdevan de linker broekspijp te bevinden. Het betreffen in totaal drie bloedspatjes. In de directe nabijheid daarvan is in 2000 één bloedspoortje als ABK562#1 veiliggesteld. Onder de aanname dat het veiliggestelde spoortje eveneens een bloedspatje betrof, bevinden zich daarmee op de broek in totaal vier bloedspatjes, waarvan zoals gezegd geen enkele aan de voorzijde. Ik noem deze bevinding ‘opmerkelijk’ omdat de locatie van de vier bloedspatjes, te weten onderaan de broekspijp, hetzij aan de voorzijde, hetzij aan de achterzijde daarvan, mij in zekere mate onderscheidend lijkt voor de onderzochte scenario’s, te weten dat van enerzijds doodslag anderzijds zelfdoding (dat laatste met inbegrip van de mogelijkheid dat [veroordeelde] enkele malen door een bloedplas is gestapt). Ik lees over deze specifieke locatie van de bloedspatjes in de rapportage van Eikelenboom echter niets terug.
.
.
.
ander persoondan [veroordeelde] de keel van [slachtoffer] zou hebben doorgesneden, is [veroordeelde] onschuldig en is er geen reden voor twijfel aan de juistheid van zijn mededelingen dat hij de voordeur van de flatwoning bij thuiskomst om ongeveer 11 uur in de ochtend van 10 april 2000 op het nachtslot aantrof en er geen huissleutels ontbraken. Er zijn bovendien geen sporen van braak of inklimming aangetroffen. Dat laat zich slecht rijmen met het scenario van doodslag gepleegd door een ander dan [veroordeelde] , dat daarmee dus (zeer) onwaarschijnlijk is.
Het onderscheid tussen moord en zelfmoord’.
de veroordeling nagenoeg uitsluitend[is]
gebaseerd op de conclusies van Eikelenboom en de bevindingen van forensisch geneeskundige Schieveld.”
“de (bewijsvoerings)pijlers waarop de rechtbank en het gerechtshof hun uitspraken hebben gebaseerd door deze nieuwe conclusies worden aangetast.”