Conclusie
I. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen komt het volgende naar voren.
1.Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 april 2000:
Op 10 april 2000, omstreeks 11.10 uur, verzocht de regionale meldkamer van politie Brabant Noord ons te gaan naar de [a-straat 1] te Hintham, gemeente ’s-Hertogenbosch. Via 112 had een persoon gebeld en verteld dat hij zijn vriendin met doorgesneden keel had aangetroffen. Omstreeks 11.20 uur kwamen wij ter plaatse. Wij zagen dat het genoemde adres in een flatgebouw was gelegen. Bij [a-straat 1] zagen wij dat de voordeur naar binnen toe open stond. Wij zagen dat de voordeur en deurstijlen geen braaksporen of andere bijzonderheden vertoonden. Wij zagen vanuit de voordeur een halletje van ongeveer twee bij een meter groot. Wij zagen op de grond een persoon onder een papieren laken liggen. Wij zagen dat deze persoon met het hoofd naar de voordeur lag, met beide armen aan de linkerzijde. Wij zagen dat onder dit laken een plas van bloed van ongeveer een meter bij een meter lag. Verder zagen wij bij de voeten van de persoon een grote hoeveelheid bloed.
2.en 3
Op 11 april heeft ondergetekende in het ziekenhuis te ’s-Hertogenbosch de schouw verricht van het lijk van [slachtoffer] , dood aangetroffen op 10 april 2000 te Hintham, [a-straat 1] , teneinde na te gaan de oorzaak van diens dood.
Het is niet waarschijnlijk dat dat [slachtoffer] zelf de snede heeft toegebracht.”
Op grond van de verkregen informatie over deze zaak en de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd.
7.en 8
Pantalon [ABK 562], op de voorzijde van beide broekspijpen bloed”.
1. Bloedspoorpatroononderzoek.
Er is een rapport geschreven dat in detail patroon en distributie van bloed in fotografisch bewijsmateriaal weergeeft, ter overweging of de dood van [slachtoffer] het gevolg was van zelfmoord of niet. De benadering van Richard Eikelenboom is gedaan om te bekijken of het bloedpatroon een van de twee tegengestelde hypotheses meer onderbouwt dan de andere. De beschouwing van het bewijs is juist.”
11.tot en met 21
5. Aan de beoordeling van de herzieningsaanvraag voorafgaande beschouwingen
"
"
senior lecturer in forensic scienceaan de University of Strathclyde, hierna: Linacre 2004.
Het likkende hondje. Het onderscheid tussen moord en zelfmoord(Project gerede twijfel), Den Haag: Boom criminologie 2016. Dit werk is door mr. Van der Kruijs gevoegd als bijlage bij zijn verzoek om nader onderzoek d.d. 24 mei 2016;
Een Bayesiaanse visie op de dood van [slachtoffer] . Deskundigenrapport in de zaak [veroordeelde]’ d.d. 23 februari 2016 van dr. F.J.M. Alkemade, hierna: Alkemade 2016. Dit rapport is door mr. Van der Kruijs gevoegd als bijlage bij zijn verzoek om nader onderzoek d.d. 24 mei 2016;
ernstige vermoedenontstaat dat indien dit gegeven (bij de rechter) bekend zou zijn geweest, het onderzoek in de strafzaak zou hebben geleid, tot – voor zover hier van belang – een vrijspraak van de gewezen verdachte. “
Voldoende is dat het «ernstige vermoeden» rijst dat de rechter tot een andere beslissing[i.c. vrijspraak, D.A.]
zou zijn gekomen. Zekerheid hoeft daarover dus geenszins te bestaan,” aldus de minister van Justitie. [9]
onschuld van de veroordeelde waarschijnlijk maakt. Dat laatste, dat wil zeggen: tegendeelbewijs, oftewel bewijs van het
tegendeelvan schuld, is niet noodzakelijk. Voldoende is dus dat het nieuwe gegeven (het novum) het bewijs ten laste van de veroordeelde ontzenuwt, zodat over diens schuld op zijn minst alsnog gerede twijfel ontstaat. [10]
De conclusies (...) ondersteunen de hypothese dat de verwonding in de hals niet door het slachtoffer zelf is veroorzaakt.” Kortom, waar het gerechtshof op gezag van Schieveld 2003 aannam dat de resultaten van forensisch-medisch onderzoek steun gaven aan het scenario waarin een
anderepersoon [slachtoffer] met een mes heeft omgebracht (en het overlijden van [slachtoffer] dus geen geval van suïcide betreft), stelt Soerdjbalie 2018 en 2019 daar tegenover dat je die uitspraak op basis van forensisch-medisch onderzoek niet kunt doen.
waarneming, en (ii) de fase van
interpretatievan de resultaten van waarnemingen. In deze zaak vormt het debat tussen deskundigen over zowel de resultaten van bloedspoorpatroonanalyse als de resultaten van forensisch-medisch onderzoek treffende illustraties van dat onderscheid. ‘Waarnemingen’ als hier bedoeld vinden (al dan niet met het blote oog) plaats aan mogelijke sporen van een delict. Waarnemingsresultaten betreffen in deze zaak kenmerken als het aantal, de grootte, de vorm, de aard, de verspreiding en de positie/locatie van bloedsporen in het halletje (de woning) en op de kleding/schoenen van [veroordeelde] en van [slachtoffer] . Waarnemingsresultaten zijn bijvoorbeeld ook de aard, de grootte/diepte, de morfologie en de locatie van het letsel van [slachtoffer] . Andere waarnemingen betreffen (de aard en de vorm van) het mes en de vindplaats ervan, de ligging van het lichaam van [slachtoffer] , et cetera. Ook de
afwezigheid van specifieke waarnemingen kan van belang zijn, zoals in dit geval de afwezigheid van bloedsporen op bepaalde locaties van de kleding en schoenen van [veroordeelde] , de afwezigheid van afweerverwondingen bij [slachtoffer] en de afwezigheid van ‘proefsneden’ in haar hals. Over waarnemingsresultaten kunnen deskundigen het vaak wel eens worden. Indien waarnemingen aan discussie onderhevig zijn, kan die discussie doorgaans worden beslecht door stukken van overtuiging of door foto’s daarvan nogmaals te bestuderen. [11]
likelihood ratio.
Likelihood ratio’svan (zowel belastende als ontlastende) onderdelen van het bewijs kunnen daarna op een bepaalde manier worden gecombineerd tot een
likelihood ratiovoor het totale sporenbeeld. De
likelihood ratiois een maat voor de kracht van het bewijs. Het geeft aan in welke mate de waarnemingsresultaten een aanwijzing vormen voor de ene hypothese ten opzichte van de andere hypothese. [12]
alledeskundigen, soms meer geslaagd, soms minder geslaagd, maar toch, dit stramien gevolgd. Met uitzondering van het proces-verbaal van de rechter-commissaris als genoemd onder (l) hierboven, en het onder (e) genoemde rapport Linacre 2004 (dat de systematiek globaal wel beschrijft maar niet zelf toepast) zijn dus alle onder (a) tot en met (q) genoemde rapporten en het boek(je) onder (f) van het Project gerede twijfel opgesteld volgens dit stramien, al is dat niet altijd even nadrukkelijk. Dat deskundigen het bewijs allen op een logische manier trachten te waarderen blijkt overigens geen garantie voor eensgezindheid.
De enkele omstandigheid dat een deskundige het bewijs anders weegt dan de rechter heeft gedaan, is niet voldoende om het voor herziening vereiste "ernstige vermoeden" te wekken.”
deskundigeninzichtenonder het wettelijke novum te kunnen scharen. [13] De minister merkte in dat verband op:
Door handhaving van het begrip «ernstig vermoeden» biedt de wet een aanknopingspunt om alleen een novum aan te nemen wanneer een deskundigeninzicht een nieuw licht op de zaak werpt. Niet voldoende is een deskundigeninzicht dat niets meer omvat dan dat de deskundige het bewijs «anders weegt» dan de rechter heeft gedaan.” [14]
dat is slechts een andere weging van het bewijs”), dan mist de wetswijziging het door de minister daarmee beoogde doel.
Iederdeskundigenrapport en dus ook ieder deskundigeninzicht (nieuw of niet) bevat namelijk interpretaties van waarnemingen, bijvoorbeeld ook (of zelfs met name) DNA-rapportages van complexe onvolledige mengprofielen. Die rapporten bevatten daarmee dus ook steeds ‘wegingen van het bewijs’.
in beginseleen novum kunnen bijbrengen, heb ik in mijn conclusies van 9 april 2013 betoogd dat voor wat betreft het begrip ‘wegen van het bewijs’ onderscheid moet worden gemaakt tussen (1) interpretaties van bewijs door als zodanig erkende deskundigen die specifiek op hun terrein van deskundigheid rapporteren volgens een verantwoorde wetenschappelijke methode, en (2) personen die (mede)
buitenhet terrein van hun (eventuele) deskundigheid rapporteren over de totaliteit, althans grote onderdelen van het bewijs in een strafzaak. [16] Deskundigenrapportages van de eerste categorie kunnen in beginsel een nieuw gegeven bijbrengen, aldus betoog(de) ik. Voor de eisen die worden gesteld aan deze categorie van deskundigenrapportages heb ik aansluiting gezocht bij de criteria die de Hoge Raad heeft geformuleerd in het
orthopedische schoenmaker-arrest. [17] Dat alles geldt niet voor de tweede categorie van (deskundigen)inzichten. Die moeten naar mijn oordeel dan ook worden beschouwd als een ‘andere weging van het bewijs (dan de rechter heeft gedaan)’ en zij kunnen dus niet, althans niet zonder meer, worden aangemerkt als novum.
Het likkende hondje. Het onderscheid tussen moord en zelfmoord(Project gerede twijfel). Deze werken worden door mij dus
nietvoorgedragen als nova. Die keuze vormt geenszins een diskwalificatie van de auteurs of van de deskundigheid waarover zij op specifieke terreinen beschikken. In die werken staat beslist geen onzin, integendeel. Het betreft alleen geen novum als door de wet bedoeld.
(…) dat een nieuw en/of gewijzigd deskundigeninzicht onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een novum en daardoor grond kan zijn voor herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak, indien
vanuit een ander vakgebied” of “
op grond van andere onderzoeksmethoden” dan het vakgebied en de onderzoeksmethoden waarop de rapportages Eikelenboom 2003 (bloedspoorpatroonanalyse) en Schieveld 2003 (forensische geneeskunde) steunen. Niet dat in die vakgebieden de ontwikkelingen sindsdien hebben stilgestaan, maar aan de door de Hoge Raad verlangde kwalificaties voldoen de genoemde rapportages uit 2018-2020 niet. Datzelfde geldt dus ook voor de alternatieve voorwaarde dat het andere deskundigeninzicht berust op “
nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen op het desbetreffende vakgebied.” Daarvan geven de genoemde rapportages uit 2018-2020 op zichzelf geen blijk. Wel zal ik betogen dat de conclusie in Eikelenboom 2003 op een door het hof essentieel geacht onderdeel “
is gebaseerd op onjuiste of onvolledige feitelijke veronderstellingen”.
het eerdere deskundigenoordeel is gebaseerd op onjuiste of onvolledige feitelijke veronderstellingen”, zal zich in de praktijk zelden voordoen. Dat roept bij mij de vraag op of de ‘nadere beperkingen’ waaraan een nieuw deskundigeninzicht moet voldoen wil de Hoge Raad ruimte zien voor herziening, met het oog op een functionele werking van het herzieningsrecht niet te zeer knellen.
kunnenimmers onder omstandigheden een rechterlijke dwaling als zodanig blootleggen, zonder dat die deskundigeninzichten tegemoetkomen aan de nadere beperkingen die de Hoge Raad blijkens zijn hiervoor aangehaalde overwegingen aan de nieuwheid van die deskundigeninzichten heeft aangebracht. De vraag rijst waarom nieuwe deskundigeninzichten in dit opzicht anders moeten worden behandeld dan – onder het recht van vóór 1 oktober 2012 en ook thans nog – nieuwe ‘omstandigheden’ van feitelijke aard.
krachtigis om het ernstige vermoeden te wekken dat de rechter, indien hij bekend was met dat nieuwe inzicht, tot een ander bewijsoordeel (vrijspraak) zou zijn gekomen. Lang niet ieder nieuw inzicht van een deskundige maakt het in voldoende mate waarschijnlijk dat de rechter bij bekendheid hiermee zou hebben vrijgesproken. Dat hangt af van enerzijds de kracht van de voor veroordeling toegepaste bewijsconstructie en anderzijds de kracht van de argumenten waarmee dat nieuwe deskundigeninzicht wordt onderbouwd. Een beoordeling van een en ander vergt evenwel een meer inhoudelijke benadering van de forensische problematiek waarover de deskundigen zich hebben uitgesproken. Het komt mij voor dat de herzieningsrechter (de Hoge Raad) dit wel kan worden toevertrouwd.
Hormone refractory prostate cancer and the skeleton. Soerdjbalie heeft zich vervolgens in tien jaar tijd gespecialiseerd tot klinisch patholoog en tot pediatrisch klinisch patholoog. Zij heeft een aanstelling aan het Erasmus medisch centrum, en zij is bovendien bijna zestien jaar als forensisch patholoog verbonden aan het NFI. Op haar naam staan verscheidene wetenschappelijke artikelen over de onderwerpen waarin zij is gespecialiseerd. Soerdjbalie is onder het deskundigheidsgebied ‘forensische pathologie’ geregistreerd in het Nederlands register gerechtelijk deskundigen.
New developments in autopsy pathology and forensic diagnostics(2016). Zij publiceert reeds tien jaar in wetenschappelijke tijdschriften over obducties en daaraan gerelateerde onderwerpen. Zij staat onder het deskundigheidsgebied ‘forensische pathologie’ geregistreerd in het Nederlands register gerechtelijk deskundigen.
op verzoek van justitieopgetreden als gerechtelijk deskundige. Hij is onder het deskundigheidsgebied ‘forensische pathologie’ geregistreerd in het Nederlands register gerechtelijk deskundigen. Hij treedt onder meer voor het NRGD (de stichting die het genoemde register beheert) op als autoriteit voor de toetsing van registratieaanvragen van forensisch pathologen. Hij publiceert sinds 1987 veelvuldig in wetenschappelijke tijdschriften. Hij is behalve de auteur van een populairwetenschappelijk werk tevens de auteur van een standaardwerk op het gebied van forensische geneeskunde, te weten W. Van de Voorde,
Forensische Geneeskunde, Brugge: Die Keure 2016 (derde druk), en mederedacteur en medeauteur van het handboek voor professionals: W. Van de Voorde, R. Decorte, J. Tytgat & E. Cuypers (red.),
Forensische Geneeskunde, Brugge: Die Keure 2010. [18]
dr.S. Schieveld. Het hof heeft hen als deskundige aangemerkt en dat stel ik hier niet ter discussie. Uit de overwegingen van de Hoge Raad kan niet worden opgemaakt dat ik mij dien uit te spreken over de deskundigheid van de door het hof als zodanig aangemerkte deskundigen.
anderdan [veroordeelde] in de hals van [slachtoffer] zou hebben gesneden, is [veroordeelde] onschuldig en is er (ook) geen reden voor twijfel aan de juistheid van zijn mededelingen dat hij de voordeur van de flatwoning bij thuiskomst om ongeveer 11 uur in de ochtend van 10 april 2000 op het nachtslot aantrof en er geen huissleutels ontbraken. Er zijn geen sporen van braak of inklimming in de flatwoning. Dat alles strookt niet met het scenario van doodslag gepleegd door een ander dan [veroordeelde] . Dat scenario is daarmee dus (zeer) onwaarschijnlijk.
Het onderscheid tussen moord en zelfmoord’.
minstensdrie tot vier keer, zijn schoenen geheel of ten dele heeft geplaatst in de poel van bloed dat afkomstig was uit de verwonding van [slachtoffer] . Afbeeldingen van het levenloze lichaam van [slachtoffer] in het halletje van de woning wijzen uit dat [slachtoffer] dermate veel bloed had verloren dat het, hoewel niet onmogelijk, toch niet eenvoudig was om met de schoenen géén bloed op te doen zodra over het lichaam van [slachtoffer] werd heengestapt. [20] Uit de verklaringen van de ambulancebroeders en van de politie kan worden opgemaakt dat [veroordeelde] meermalen over het lichaam van [slachtoffer] moet zijn heengestapt, namelijk (1) bij binnenkomst in de woning, (2) bij het openen van de deur voor ambulancemedewerkers (tweemaal) en (3) op het moment dat hij de woning vanuit de woonkamer met de politie verliet. Daarnaast heeft hij naar eigen zeggen het lichaam van [slachtoffer] ook bij thuiskomst (in scenario 2) bevoeld en moet hij dus bij haar voorover zijn gebogen of zijn gehurkt of iets dergelijks. Bovendien heeft [veroordeelde] op verzoek van een van de ambulancebroeders (en dat is door hem ook waargenomen) zijn loslopende hond weggeleid van het lichaam van [slachtoffer] , uit het halletje en vervolgens in een slaapkamer opgesloten.
Uit het bestuderen van de digitale foto’s blijktin de dieper gelegen delenvan het profiel van de hak bloed aanwezig te zijn. (…).” [21]
onder beide scenario’ste betrekken bij een beschouwing van het sporenbeeld op de kleding en de schoenen van [veroordeelde] . Hierop kom ik terug bij de bespreking van onderzoeksthema 2.
In 2000 was ik huisarts in Hintham (…). Korte tijd voor dat [slachtoffer] dood gevonden werd, (die bij mij niet bekend was), werd ik in de weekeinde dienst opgeroepen om een visite af te leggen. In de flat van [veroordeelde][ [veroordeelde] , D.A.]
aangekomen, deed [slachtoffer] een dringend beroep op mij om in de hals te laten snijden, “want daar zat iets wat eruit moet”. Als ik me goed herinner wees zij naar de rechter kant van haar hals. Geruststelling kwam niet goed over. (….).
op 13 januari 2000 pillen heeft ingenomen van haar vriend” (omdat ze verdrietig was).
preciesdie locatie in de hals heeft toegebracht teneinde dat ‘iets’ eruit te snijden. In dat geval moet er bovendien ernstig rekening mee worden gehouden dat [slachtoffer] niet zozeer het oogmerk had om zichzelf van het leven te beroven, maar slechts de intentie had om met een mes ‘iets’ te verwijderen uit haar hals. Dat zou het geval van suïcide (als dat het is) betrekkelijk atypisch maken. Ook zou dat het vergelijken van de kenmerken van dit geval enerzijds met (referentie)gevallen van suïcide en doodslag/moord anderzijds nogal compliceren. Daarop kom ik hieronder terug.
Ditscenario veronderstelt echter wel dat [veroordeelde] verkeerde in een waan die correspondeerde met die van [slachtoffer] , althans dat hij bereid was om mee te gaan in de waan van [slachtoffer] . [veroordeelde] was (en is) bekend met een waan, dus onmogelijk is het niet. Daarmee is echter niet gezegd dat de door [veroordeelde] ondervonden waan correspondeert met die van [slachtoffer] . Dat zou zelfs erg toevallig zijn; wanen laten zich immers slecht sturen. Daarvoor is bovendien geen enkele aanwijzing. Ik ben dan ook van mening dat de informatie van de huisarts aanzienlijk
meersteun geeft aan het scenario waarin [slachtoffer] zichzelf de dodelijk gebleken verwonding heeft toegebracht (suïcide), dan aan het scenario waarin [veroordeelde] de verwonding heeft toegebracht (doodslag).
onbekend met de mededelingen van [betrokkene 2] . Deze mededelingen vormen daardoor een voor het hof
nieuweomstandigheid van feitelijke aard die ernstige twijfel oproept aan de juistheid van de bewezenverklaring van de doodslag op [slachtoffer] . Ik draag om die reden in deze aanvullende vordering tot herziening de mededelingen van de huisarts [betrokkene 2] bij gelegenheid van zijn verhoor door de rechter-commissaris voor als novum, en wel
novum nr. 1.
Uit de op de broek en de schoenen van verdachte aangetroffen bloedsporen - welk bloed blijkens DNA-onderzoek van [slachtoffer] afkomstig is - kan blijkens het rapport van ing. R. Eikelenboom d.d. 22 oktober 2003 worden geconcludeerd, dat verdachte ten tijde van het ontstaan van de bloedspatten in de buurt van het slachtoffer is geweest en voorts dat het slachtoffer nog in leven was op het moment dat die bloedspatten zijn ontstaan.”
senior lecturer in forensic scienceaan de university of Strathclyde, is internationaal gezaghebbend op het terrein van de bloedspoorpatroonanalyse. Lezing van Linacre 2004 wijst uit dat Linacre beschikte over foto’s van de technische recherche, verkregen door tussenkomst van Eikelenboom. Niet blijkt echter dat Linacre naar het sporenbeeld op deze foto’s zelfstandig bloedspoorpatroononderzoek heeft gedaan. Linacre beoordeelde de
systematiekdie Eikelenboom had toegepast. Het hof heeft onder de bewijsmiddelen de conclusie van Linacre 2004 in de Nederlandse vertaling aangehaald, te weten (ik herhaal):
Er is een rapport geschreven dat in detail patroon en distributie van bloed in fotografisch bewijsmateriaal weergeeft, ter overweging of de dood van [slachtoffer] het gevolg was van zelfmoord of niet. De benadering van Richard Eikelenboom is gedaan om te bekijken of het bloedpatroon een van de twee tegengestelde hypotheses meer onderbouwt dan de andere. De beschouwing van het bewijs is juist.”
A report has been written that details the pattern and distribution of blood in photographic evidence to consider whether the death of[ [slachtoffer] ]
was due to suicide or not. The approach by Richard Eikelenboom was to consider whether the blood pattern supports one of the two conflicting hypothesis more than the other. This approach is routinely undertaken in the UK. While there are questions on the terminology used, which may be the result of translating the report from Dutch to English, the consideration of the evidence is appropriate and would be accepted by a court in the UK.”
nietworden afgeleid dat Linacre op basis van door hemzelf uitgevoerd bloedspoorpatroononderzoek de conclusies uit Eikelenboom 2003 onderschrijft. Linacre beschrijft kort de ‘
approach’ die Eikelenboom heeft toegepast; dat is precies de systematiek die ik in kanttekening 2 heb omschreven. Linacre deelt mee dat ‘
the consideration of the evidence’ (door Eikelenboom) naar zijn, Linacre’s, oordeel ‘
appropriate’ (geschikt) was en door de Engelse rechter in een geding zou worden geaccepteerd. Wat er niet staat is dat ‘de conclusie van Eikelenboom
juistis’. Gemakkelijk rijst hieromtrent een misverstand bij lezing van enkel de Nederlandse vertaling (“
De beschouwing van het bewijs is juist”).
De drie beschreven mechanismen impliceren dat het slachtoffer nog in leven was tijdens het ontstaan van de bloedspatten op de broek en de schoenen van de verdachte.”
eerstevan die drie mechanismen, namelijk “
bloed dat in [vloeibaar] bloed druppelde” leidend tot een zogeheten ‘
corona splash’ van bloedspatjes, niet alleen door vallende bloeddruppels kan worden teweeggebracht maar tevens door
iedereandere vaste of vloeibare substantie die in vloeibaar bloed valt. Eikelenboom 2003 ziet daardoor reële niet-delictgerelateerde transmissiemechanismen over het hoofd, aldus begrijp ik Alkemade 2016, met als voorbeeld de bewegingen van een loslopende hond.
voorzijdevan de linker broekspijp verscheidene bloedspatten bevinden. Eikelenboom 2003 laat de precieze locatie van de bloedspatten op de linker broekspijp ongedifferentieerd. Daarbij komt echter, en dat stipte de Hoge Raad in zijn tussenarrest ook aan, [23] dat het hof in bewijsmiddel 8, te weten het rapport Autar/Van den Hoven 2000, uitdrukkelijk melding maakt van: “
Pantalon [ABK 562], op devoorzijdevan beide broekspijpen bloed” (onderstreping mijnerzijds). Bij het hof heeft dus inderdaad, en dat is verre van onbegrijpelijk, de gedachte postgevat dat zich bloedspat
tenop de broek van [veroordeelde] bevonden aan de
voorzijdeervan.
achterzijde onderaan. De daarvan afwijkende indruk die de afbeelding van de broek op overzichtsfoto n in Eikelenboom 2003, p. 11, wekt, is ontstaan doordat op de overzichtsfoto slecht waarneembaar is dat de linker broekspijp (voornamelijk ter hoogte van de lies) tegen de wijzers van de klok in is gedraaid, waardoor de achterzijde van die broekspijp boven is komen te liggen. [24]
Bloedsporenbeeld samengevat
Op de voorzijde van de broek zijn geen bloedspatjes aanwezig,
Op de voorzijde onderaan de rechterbroekspijp zijn overdrachtsporen van bloed aanwezig,
Op de achterzijde van de linkerbroekspijp bevinden zich onderaan maximaal vier bloedspatjes,
Op de hak en de linkerzijde van de zool van de linkerschoen zijn enkele bloedspatjes aanwezig, evenals op de loopvlakken van beide schoenen.”
worden veel secundaire bloedspatten op de broek en de schoenen verwacht. Een dergelijk sporenbeeld is op de voorzijde van de broek niet aanwezig. Op de schoenen lijkt een dergelijk sporenbeeld niet aanwezig. De kans op de totale afwezigheid van bloedspatjes aan de voorzijde van de broek is in de redenering van R. Eikelenboom zeer klein. De aangetroffen vier bloedspatjes op het achterpand van de broek en de enkele bloedspatjes op de linker- en achterzijde van de linkerschoen doen hier niets aan af. De kans op het verkrijgen van bloed op de (boven)kleding van de verdachte als gevolg van het steun geven in een dynamische situatie is reëel. De kans om geheel geen bloedsporen aan te treffen op de (boven)kleding in een dergelijke situatie is (zeer) klein.”
Bij het minimaal drie maal over het lichaam heenstappen, al dan niet in combinatie met overige activiteiten, is de kans groot dat bloed op de schoenen en op de onderzijden van de broek terechtkomt. Op de broek en schoenen zijn bloedsporen aangetroffen, waaronder enkele bloedspatjes. De kans op het verkrijgen van dit resultaat is reëel onder [scenario] 2. De kans op het aantreffen van dit aantal bloedspatjes en de afwezigheid van bloedspatjes aan de voorzijde van de broek is onder [scenario] 1 zeer klein.”
Dit betekent dat het op de kleding en schoenen aanwezige bloedsporenbeeldveel waarschijnlijker
is wanneer [ [veroordeelde] ] niet aanwezig is geweest ([scenario] 2), dan wanneer [ [veroordeelde] ] wel aanwezig is geweest en de activiteiten conform de reconstructie van R. Eikelenboom heeft verricht ([scenario] 1).” [27]
ten(ongedifferentieerd op welke locatie) bevonden op de voorzijde van de broek. Van der Scheer 2018-II laat echter – aan de hand van foto’s vrijwel onomstotelijk – zien dat zich juist opvallend
weinigbloedspatten bevonden op de broek van [veroordeelde] , en dat niet aan de voorzijde, maar uitsluitend enkele bloedspat
jesaan de achterzijde onderaan de linker broekspijp. Het uitgangspunt van het hof is dus onjuist. Dat (onjuiste) uitgangspunt betrof – het zij herhaald – volgens de bewijsmotivering een
essentieelonderdeel van de bewijsvoering in pijler 1. Dat bracht (en brengt) mij tot het oordeel dat Van der Scheer 2018-II getuigt van een nieuwe omstandigheid van feitelijke aard die in principe een novum kan bijbrengen.
is gebaseerd op onjuiste of onvolledige feitelijke veronderstellingen” (citaat uit het tussenarrest van de Hoge Raad). Weliswaar laat Eikelenboom de precieze locatie van de bloedspatten op de linker broekspijp ongedifferentieerd, maar Van der Scheer 2018-II, p. 6, voetnoot 4, wijst erop dat Eikelenboom in zijn presentatie van 25 november 2004 (ter terechtzitting van de rechtbank) andermaal de hierboven genoemde foto n toonde voorzien van de titel ‘broek voorzijde’. Ik acht het daarmee waarschijnlijk dat het Eikelenboom in het rapport Eikelenboom 2003 onvoldoende voor ogen stond waar zich de bloedspat
jesin werkelijkheid bevonden.
krachtvan de genoemde nieuwe omstandigheid van feitelijke aard c.q. van dit nieuwe gegeven het volgende. Het gaat bij de weging van dit bloedsporenbeeld met name om de aanwezigheid van bloedspatjes op de achterzijde van de hak van de linkerschoen en van (vier) bloedspatjes op de achterzijde van de linker broekspijp onderaan. In beide scenario’s moet ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat [veroordeelde] meermalen in een poel van bloed is gestapt. Eenieder die weleens met z’n schoenen op een vochtige ondergrond (in casu laagpolig tapijt) heeft gelopen kent het fenomeen dat zich spatjes vocht kunnen verzamelen aan de achterzijde van de schoenen en broekspijpen (onderaan). Onder beide scenario’s is het beschreven bloedsporenbeeld dus uitstekend te verklaren. Als gevolg daarvan komt aan die bloedspatjes wat betreft de gekozen twee scenario’s géén onderscheidend vermogen toe, aldus redeneer(de) ik. Bevestiging hiervan vind ik in de beschouwingen van Van der Scheer 2018-I en 2018-II, terwijl ook in Eikelenboom 2003 het volgende wordt onderkend (onderstreping mijnerzijds):
Het ontstaan van bloedspatten op de kleding door het lopen in bloed is mogelijk. De grootte en de positie van de aangetroffen bloedspatten op de linkerschoen van de verdachte ondersteunen deze hypothese echter niet. Bij lopen door bloed ontstaan over het algemeen grotere spatten dan aangetroffen op de linkerschoen. Het is mogelijk dat de verdachte met de hak van de rechterschoen in bloed heeft gestaan of gelopen.Dit verklaart echter niet de kleine bloedspatten op de buitenzijde van de linkerschoen.”
zeer beperktebloedspattenbeeld op de kleding en schoenen van [veroordeelde] , zoals door Van der scheer 2018-I en 2018-II beschreven (namelijk
geen enkelebloedsporen behoudens de genoemde spatjes en het overdrachtspatroon op de rechter broekspijp), is onder scenario 1 (doodslag) volgens Van der Scheer 2018-II “
zeer klein” indien uitgevoerd op de wijze waarop Eikelenboom zelf scenario 1 reconstrueerde. Die conclusie komt mij volstrekt houdbaar voor en zij is onverenigbaar met de door het hof omarmde conclusie in Eikelenboom 2003.
Beide foto’s maken deel uit van de fotomap die eerder door mij is ontvangen. De markeringen wekken inderdaad de suggestie dat meer bloedsporen aanwezig zijn. Toch is dit niet het geval. Voor mijn eerdere onderzoek heb ik de documenten betreffendehet in 2000 door R. Eikelenboom uitgevoerde sporenonderzoekaan de pantalon geraadpleegd. Hieruit bleek dat destijds doorde onderzoeker zelfis vermeld dat in de vlekken aan de voorzijde, hoger op de broek, geen bloed is aangetoond (zie mijn rapport van 4 mei 2018). De overige gemarkeerde bloedsporen zijn hierboven door mij beschreven.”
achterzijdevan de linker broekspijp,
onderaan. Eikelenboom 2019, p. 17, hierover:
Van der Scheer gaat er echter aan voorbij dat de pantalon ruim zit en in wat hij zelf een “dynamisch omstandigheid” noemt kan de onderzijde van zo’n broekspijp makkelijk draaien. Voor de zaak maakt het weinig uit of de spatten aan de voor- of achterkant zit. Essentieel is dát er spatten zitten. Het zijn kleine spatten, die verklaard kunnen worden door óf bloed dat in bloed druppelt waardoor satellietspatten ontstaan óf door uitgeademd bloed, óf door een arteriële bloeding waarbij satellietspatten ontstaan.”
had kunnenzitten. Zo’n draaiing van de broekspijp is dus
mogelijktijdens een dynamische omstandigheid als het (in scenario 1 veronderstelde) delict, zo versta ik Eikelenboom 2019.
mogelijkis, luidt in de systematiek van forensisch redeneren steeds: hoe
waarschijnlijkis die omstandigheid onder de twee besproken scenario’s? Thans luidt die vraag: hoe
waarschijnlijkis zo’n draaiing van de broekspijp onder scenario 1 (doodslag), en hoe waarschijnlijk is dit sporenbeeld onder scenario 2, zulks mede in het licht van de contextinformatie (dat [veroordeelde] door een poel met bloed heeft gelopen)? In Eikelenboom 2019 wordt die vraag niet opgeworpen. Ten onrechte. Als je in scenario 1 een betrekkelijk onwaarschijnlijke 180o-draaiing van de broekspijp nodig hebt om het sporenbeeld goed te kunnen verklaren, dan zegt dat iets over de
onwaarschijnlijkheid van het sporenbeeld onder dat scenario. Bovendien merkte ik reeds op dat de bloedspatjes aan de achterzijde van de linker broekspijp onderaan stroken met de bloedspatjes op de achterzijde van de hak van de linkerschoen. Dat maakt te meer waarschijnlijk dat die linker broekspijp niet gedraaid was toen [veroordeelde] de broek droeg.
iederesubstantie die in bloed valt of druppelt, een
coronasplashvan bloeddruppeltjes veroorzaakt. Eikelenboom 2019 gaat daarmee voorbij aan – de eventuele waarschijnlijkheid van – alternatieve oorzaken voor het sporenbeeld op de kleding van [veroordeelde] .
afwezigheid van bloed op de voorzijde van de kleding van [veroordeelde] in scenario 1. Ik citeer Eikelenboom 2019, p. 3:
Het aannemen dat een dader in dergelijk gevallen onder het bloed moet hebben gezeten is een bekende valkuil, waar in de diverse cursussen, met name door de Canadezen docenten, uitgebreid voor wordt gewaarschuwd.”
sluitend bewijsverstaat, en de stelling is in elk geval onvolledig. Het is (inderdaad)
mogelijkdat er bij onderzoek géén sporen van een delict worden waargenomen, terwijl dat delict wél heeft plaatsgehad. Ook hier luidt evenwel de vervolgvraag: hoe
waarschijnlijkis het om géén sporen waar te nemen onder het ene en onder het andere gekozen scenario? Beantwoording van die vragen is steeds noodzakelijk. Het antwoord is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Ik merk daarbij overigens op dat de bewijskracht (
likelihood ratio) van de
aanwezigheid van bepaalde sporen ten gunste van het delict-scenario niet gelijk hoeft te zijn aan de bewijskracht van de
afwezigheid van dergelijke sporen ten gunste van het onschuld-scenario. Die twee zijn niet spiegelbeeldig, maar dat terzijde.
mogelijkdat scenario 1, het doorsnijden van de halsslagader van [slachtoffer] door [veroordeelde] , zich heeft voltrokken
zonderdat [veroordeelde] daarbij aan de voorzijde van zijn kleding bloedsporen opdeed. Uit niets blijkt evenwel dat Van der Scheer deze mogelijkheid heeft verwaarloosd. De conclusie in Van der Scheer 2018-II luidt alleen dat het
(zeer) onwaarschijnlijkis dat in een ‘dynamisch’ scenario 1, zoals gereconstrueerd door Eikelenboom zelf, op de kleding en schoenen van [veroordeelde] géén bloedsporen ontstaan, anders dan de bloedspatjes aan de achterzijde onderaan, die zich laten verklaren door de contextinformatie die onder beide scenario’s in de beschouwingen moet worden betrokken. Het is enigszins bevreemdend dat Eikelenboom 2019 wijst op de zwakte van het bewijs dat kan worden ontleend aan de
afwezigheid van de bloedsporen, daar waar de
aanwezigheid van de bloedsporen in eerste instantie juist een essentieel onderdeel was van het bewijs ten laste van [veroordeelde] .
” houding van [slachtoffer]
De eenduidige deelconclusie met betrekking tot de stand van de linkerschoen is destijds[in Eikelenboom 2003, D.A.]
te stellig gepresenteerd. Dit geldt evenzeer voor de duur waarin het slachtoffer zich in deze houding heeft bevonden. De categorische conclusie dat het slachtoffer zich in de redenering van R. Eikelenboom enige (niet nader te bepalen) tijd in deze (moeilijk te realiseren) houding bevond, is daarmee niet gerechtvaardigd.
Wat Van der Scheer hier doet, is een detail nemen - de houding van de linkerschoen - die uit de context halen, en dat buiten proportioneel gaan opblazen.”
moetzijn ondersteund door een ander op het moment dat haar hals werd doorgesneden. [28] Dát een betere en meer plausibele verklaring kan worden gevonden dan dat van de ‘moeilijk te realiseren’ houding wordt inderdaad beargumenteerd in Van der Scheer 2018-II, p. 8-9, punten 1 tot en met 4. Hierop wordt in Eikelenboom 2019 echter niet of nauwelijks zakelijk ingegaan.
nietnaar links was gekanteld in de ‘moeilijk te realiseren’ houding op het moment dat de keel werd doorgesneden. Hierop wordt in Eikelenboom 2019, p. 10, als volgt gereageerd:
Daarentegen is een scenario waarin een dader het slachtoffer vanachter vastgrijpt, haar uit haar balans trekt waarbij zij haar linkervoet optilt, en zij niet omvalt omdat zij wordt vastgehouden en naar de grond wordt getrokken, goed voorstelbaar. Wordt daarbij het feit betrokken dat de hals wordt doorgesneden en het slachtoffer wordt vastgehouden, dan is het logisch dat de voet van het slachtoffer waarschijnlijk wel bewogen heeft. Ze heeft hem wellicht even opgetild of recht op de grond gezet, waarbij er op de linkerzijde van de linkerschoen bloed terecht is gekomen. Maar om op basis van deze ondergeschikte sporen op de linkerschoen twee hypothesen te gaan stellen en daarmee de meeste waarschijnlijke houding van het slachtoffer af doen, is de zaak uit zijn verband rukken.”
ondergeschikt”. In de reconstructie uit Eikelenboom 2003/2005 konden deze sporen in elk geval niet worden verklaard. Bovendien berust de argumentatie in Van der Scheer 2018-II niet alleen op de circulaire bloedspatjes aan de linkerzijde van de linkerschoen van [slachtoffer] , maar ook op de bewegingsrichting van bloedsporen op het loopvlak van die schoen.
hurkenmoet hebben gezeten. Van der Scheer 2019, p. 7, wijst er overigens op dat een gehurkte houding van [slachtoffer] slecht verenigbaar is met het sporenbeeld op de broek van [slachtoffer] , maar dat terzijde. Waar het mij nu om gaat is dat het uitgangsmateriaal van Eikelenboom 2003 identiek is aan dat van Eikelenboom 2019. Het totale bloedsporenbeeld is immers ongewijzigd. Niettemin presenteert Eikelenboom 2019 substantieel andere reconstructie(s) van de houding van [slachtoffer] aan het begin van het incident dan Eikelenboom 2003 doet.
in the eye of the beholder’. Dit maakt dat ook goede bloedspoorpatroonanalisten bevattelijk zijn voor cognitieve vertekeningen. Domeinirrelevante informatie afkomstig van politieambtenaren, uit het dossier of uit andere vakgebieden kan dus van invloed zijn op de interpretatie van het bloedsporenbeeld. [29] Het is goed dat een rechter zich dit realiseert ingeval het aangedragen bewijs uitsluitend stoelt op rapportages over complexe bloedsporenbeelden en/of het complexe sporenbeeld van letsel.
moetzijn ondersteund door een ander.
interpretatiesvan waarnemingen, in dit geval van waarnemingen aan met name het bloedsporenbeeld op de linkerschoen van [slachtoffer] . De deskundigen hebben immers hypothesen omtrent de aanvangshouding van [slachtoffer] getoetst aan de hand van het sporenbeeld dat het incident heeft teweeggebracht. De waarneming van die aanvangshouding zelf ligt buiten het bereik van de deskundigen.
onwaarschijnlijkheid van het sporenbeeld indien [slachtoffer] bij aanvang van het incident in zo’n ‘moeilijk te realiseren’ houding stond? Betreft die conclusie een (nieuw) deskundigeninzicht of betreft die conclusie een (nieuwe) omstandigheid van feitelijke aard? Dat kan uitmaken omdat de Hoge Raad, zoals gezegd, aan de eis van ‘nieuwheid’ van deskundigeninzichten aanvullende voorwaarden heeft gesteld. Het deskundigeninzicht moet ook
op een bepaalde manier‘nieuw’ zijn (zie hierboven mijn kanttekening 3). Dat geldt echter niet voor nieuwe omstandigheden van feitelijke aard. ‘Nieuw’ is in dat geval gewoon
nieuw.
afgeleiddat [slachtoffer] werd ondersteund door een ander (en dat moet in die opvatting [veroordeelde] zijn geweest). De weerlegging van dat vaststaande feit in Van der Scheer 2018-II vormt dan dus ook een (nieuwe) omstandigheid van feitelijke aard, zo meen ik. Dit keer betreft dat dan (althans dat propageer ik) een vaststelling door de herzieningsrechter.
novum 2.
Het is niet waarschijnlijk dat dat [slachtoffer] zelf de snede heeft toegebracht.”
veronderstellingdie aan haar verklaring ten grondslag lag.
Op de foto’s is zichtbaar en uit het sectierapport blijkt dat er maar één snede is gemaakt. Hierbij zijn meerdere weefsellagen doorgesneden. Uit het onderzoek van de foto’s wordt duidelijk dat op basis van de schaafverwondingen aan het begin en het einde van de snee kan worden geconcludeerd dat de snee van links naar rechts is toegebracht. Er zijn namelijk kleine krassen links en grote krassen rechts van de wond, veroorzaakt doordat het mes uit de wond over de huid naar boven is gehaald. De wond aan de hals is dus veroorzaakt door een enkelvoudige krachtige, snijdende beweging van links naar rechts, zonder aanwijzingen voor herhaaldelijk snijden of hakken. Indien het mes met minder kracht was gehanteerd dan waren er minder weefsellagen in één keer doorgesneden en had het uiterlijk van de verwonding er niet zo glad uitgezien.”
De foto’s tonen een lijnvormige, ietwat golvende snede door tenminste de huid en het onderhuids vetweefsel. Er is zicht op structuren van de hals en volgens het sectieverslag zou de rechter gemeenschappelijke halsslagader (a. carotis communis dextra) zijn geraakt. Dit bevestigt dat er meerdere weefsellagen zijn doorgenomen.
wordt gesteld dat aan het einde van een snijwond soms een oppervlakkige huidbeschadiging wordt gezien. Dit is echter geenszins specifiek, en dus onvoldoende om de snijrichting, waarin een wond ontstaan is, op te baseren.
De bevindingen onder 3 worden bevestigd in het sectierapport. De inwendige verwondingen zoals daarin beschreven, komen eveneens overeen met het snijden door de hals van links naar rechts.”
In het voorlopige en definitieve sectierapport van patholoog R. Torenbeek worden geen uitspraken gedaan over de snijrichting of de kracht van de geweldsinwerking.
In de hals, noch elders op het lichaam, zijn proef- of aarzelingssneden zichtbaar, die worden geassocieerd met zelfmoord.”
Uit het bestudeerde materiaal blijkt dat dat er bij sectie geen proef of aarzelingssneden werden gezien.
Bij het slachtoffer zijn geen afweerverwondingen waargenomen, die worden geassocieerd met moord of doodslag.”
.
De bijna horizontale oriëntatie van de wond is ongebruikelijk bij zelfverwonding. Uit de literatuur blijkt dat de sneden bij zelfmoord meestal schuin verlopen van hoog naar laag, beginnend onder de kaakhoek tot aan de voorzijde van de hals; bij rechtshandigen is dat van linksboven naar rechtsvoor, bij linkshandigen van rechtsboven naar Iinksvoor.”
Uit het bestudeerde materiaal blijkt dat de snede in de hals nagenoeg horizontaal verliep.
. Echter, zoals reeds aangegeven in[literatuurverwijzingen, D.A.]
is deze veelvuldig herhaalde beschrijving veelal fout. Horizontale sneden komen voor bij zelfdoding […], en de aanwezigheid van een horizontale snede kan derhalve niet gebruikt worden als argument om zelfdoding uit te sluiten. Omdat niet bekend is hoe vaak horizontale snedes voorkomen bij zelfdoding en bij moord/doodslag kan deze bevinding niet gebruikt worden om in termen van waarschijnlijkheid over deze twee opties te spreken.”
Gezien de richting van de sneden en de hoek die het mes heeft gemaakt is deze verwonding moeilijk door het slachtoffer zelf toe te brengen. Dit zou een bijzonder onhandige stand en beweging van de arm vereisen, het is twijfelachtig of onder die omstandigheden voldoende kracht kan worden ontwikkeld om een dergelijke snede te veroorzaken.”
Volgens ondergetekende vereist de positie van de snede geen ‘bijzonder onhandige stand en beweging van de arm’. Dit is ongeacht de zijdigheid/dominantie van de overledene of de veronderstelde snijrichting. De snede kan dus zowel door het slachtoffer zelf als door een ander persoon zijn toegebracht. De conclusie van het voorlopige sectieverslag van drs. R. Torenbeek onderschrijft dit. Daarin wordt ook gesteld dat ‘het letsel [...] zeer wel door het slachtoffer zelf[kan]
zijn toegebracht’. Er kan op grond van de sectiebevindingen en de wetenschappelijke literatuur dus geen uitspraak worden gedaan onder welk van de bovengenoemde hypothesen het ontstaan van de letsels waarschijnlijker is. Dit is niet in lijn met wat door drs. Schieveld is geconcludeerd.”
De National Injuries Database (NID) wordt door het NFI niet gebruikt. Doordat de in- en exclusiecriteria en de methodologie van de database mij onbekend zijn kan ik uitspraken gebaseerd op onderzoek met de NID in algemene zin niet waarderen.
dat het doorsnijden van de keel als vorm van zelfdoding vaker voorkomt bij mannen dan bij vrouwen. In die zin is het vrouwelijke geslacht van het slachtoffer in deze zaak een aanwijzing richting de hypothese van toegebracht letsel.”
Samenvattend kan mijns inziens gesteld worden dat het letsel in de hals is ontstaan door bij leven ingewerkt scherprandig perforerend/snijdend geweld, als gevolg van het steken/snijden met een één- of tweezijdig scherprandig voorwerp, zoals bijvoorbeeld een mes. De letselkenmerken passen goed bij het gebruik van een mes met een gekarteld lemmet. Het relatief rechte aspect van de wondranden, zonder inkepingen of huidflapjes suggereert dat de snede in één relatief ononderbroken beweging is gemaakt. De letselkenmerken zijn onvoldoende specifiek om een uitspraak te doen over de snijrichting en de ingewerkte kracht, of om een onderscheid te maken tussen zelfdoding of toegebracht letsel. De snede kan qua locatie zowel door het slachtoffer zelf als door een ander persoon zijn toegebracht.
Foto 1 toont de wond in het rechter bovengedeelte van de hals van het slachtoffer (…). Het betreft een lineaire, scherprandige, in één beweging toegebrachte snijwond. Naast deze verwonding zijn noch tekenen van kneuzing zichtbaar noch zogenaamde aarzelingsneden. De wond bevindt zich bijna horizontaal over de hals. De kenmerken passen bij het type verwonding dat wordt veroorzaakt door een mes met een gekarteld lemmet. (…).
de foto’s tonen een lijnvormige, ietwat golvende snede door tenminste de huid en het onderhuids vetweefsel. Er is zicht op structuren van de hals en volgens het sectieverslag zou de rechter gemeenschappelijke halsslagader (a. carotis communis dextra) zijn geraakt. Dit bevestigt dat er meerdere weefsellagen zijn doorgenomen. Op basis van de schaafverwondingen aan het begin en het einde van de snee kan geen onderscheid worden gemaakt over de snijrichting. In [2] en [3] wordt gesteld dat aan het einde van een snijwond soms een oppervlakkige huidbeschadiging wordt gezien. Dit is echter geenszins specifiek, en dus onvoldoende om de snijrichting, waarin een wond ontstaan is, op te baseren. Het relatief rechte aspect van de wondranden, zonder inkepingen of huidflapjes suggereert dat de snede in één relatief ononderbroken beweging is gemaakt. Er zijn geen wondkenmerken die duiden op herhaaldelijk snijden/hakken. Omdat snijdiepte van meer factoren afhangt dan alleen de kracht van het ingewerkte geweld (bijv. scherpte van het lemmet, dynamiek van het gebeurde) kan de mate van kracht niet worden afgeleid uit de kenmerken van het snijletsel. (…) In het voorlopige en definitieve sectierapport van patholoog R. Torenbeek worden geen uitspraken gedaan over de snijrichting of de kracht van de geweldsinwerking. [31] Op basis van de verwondingen zoals deze worden beschreven blijken er met name rechts in de hals structuren te zijn gekliefd. Op basis hiervan kan echter geen uitspraak worden gedaan over de snijrichting. (…). Uit het bestudeerde materiaal blijkt dat er bij sectie geen proef of aarzelingssneden werden gezien. In meerdere bronnen wordt gesteld dat wonden bij een zelfmoord door het insnijden van de hals veelal schuin verlopen, bij een rechtshandig persoon beginnend van links onder de kaak naar rechtsonder [5, 8, 9, 13]. Echter, zoals reeds aangegeven in [5] is deze veelvuldig herhaalde beschrijving veelal fout. Horizontale sneden komen voor bij zelfdoding [5, 9], en de aanwezigheid van een horizontale snede kan derhalve niet gebruikt worden als argument om zelfdoding uit te sluiten. Omdat niet bekend is hoe vaak horizontale snedes vóórkomen bij zelfdoding en bij moord/doodslag kan deze bevinding niet gebruikt worden om in termen van waarschijnlijkheid over deze twee opties te spreken.”
Spitz and Fisher’s Medicolegal Investigation of Death(2006):
Although it may be impossible to establish whether a slash across the front of the neck runs from right to left or vice versa,a short superficial or scratch-like tailusually indicates the terminal segment of the wound whilea superficial gradually deepening, longer cutsuggests the location where the wound began.” [33]
tail’) beduidend groter dan links en het letsel is rechts ook dieper dan links.
Hier zegt het boek van Spitz en Fisher, buiten dat het onmogelijk kan zijn de snijrichting te bepalen, dat een korte oppervlakkige krasvormige huidbeschadiging meestal het einde van een wond aangeeft en een gradueel dieper verlopende, langere snee het begin van een wond suggereert. De conclusie die drs. Schieveld-Eikelenboom trekt is echter precies andersom. Zij zegt dat de wond van links naar rechts is toegebracht, omdat de kleine krassen links zitten (terwijl het boek van Spitz en Fisher zegt dat dit meestal het uiteinde van een wond aangeeft) en de grote krassen rechts (terwijl het boek van Spitz en Fisher zegt dat dit het begin van een wond suggereert).”
Knight’s Forensic Pathology(2016). Aan dat werk ontleen ik de volgende twee passages (die ik iets meer uitgebreid en met mijn onderstreping weergeef):
Een dergelijke ‘tail’ bevindt zich hier aan de rechterkant, hetgeen een snijrichting van links naar rechts ondersteunt.”
nietheb verwittigd van de uitspraken van de getuige [betrokkene 2] , van de psychiatrische achtergronden van [slachtoffer] en [veroordeelde] , en evenmin van de meergenoemde rapportages van Schieveld en Soerdjbalie, zette in het beschouwende onderdeel uiteen (Van de Voorde 2020, p. 7-8):
(…).
van links naar rechts”. Bijvoorbeeld wordt “
duidelijk dat op basis van de schaafverwondingen aan het begin en het einde van de snee kan worden geconcludeerd dat de snee van links naar rechts is toegebracht. Er zijn namelijk kleine krassen links en grote krassen rechts van de wond, veroorzaakt doordat het mes uit de wond over de huid naar boven is gehaald (…).” De verklaring van de deskundige Maes ter terechtzitting, te weten dat het niet waarschijnlijk is dat [slachtoffer] zichzelf de halssnede had toegebracht, was daarop gebaseerd. Ook Maes ging ervan uit dat het mes bij het toebrengen van de snee van links naar rechts had bewogen en was geëindigd in een opwaartse beweging. De gedachte dat die beweging onnatuurlijk (wellicht anatomisch onmogelijk) zou zijn voor een rechtshandige heeft bij het uitgesproken oordeel van Maes vermoedelijk een rol gespeeld. Daaruit kan dan weer worden afgeleid dat een
anderdan [slachtoffer] die beweging met het mes moet hebben gemaakt.
dat aan de omstandigheid dat een deskundige op wiens bevindingen de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, nadien tot een ander oordeel komt, in beginsel meer gewicht kan worden toegekend dan aan een - van die deskundige afwijkend - oordeel van een andere deskundige.” We hebben al gezien dat Schieveld nadien
niettot een ander oordeel is gekomen.
“Althoughit may be impossibleto establish whether a slash across the front of the neck runs from right to left or vice versa, a short superficial or scratch-like tailusually indicates(….)”, aldus herhaal ik uit
Spitz and Fisher’s Medicolegal Investigation of Death(2006). Uiteraard besef ik dat niet alleen
zekerhedenmaar ook
waarschijnlijkhedendoor de deskundige (en de rechter) in aanmerking mogen worden genomen, maar hoe ‘
usual’ het hier door Spitz & Fisher geschetste letstelbeeld is, valt aan dit werk niet te ontlenen. Dat geldt dus ook voor de in Schieveld 2003 en 2019 geponeerde ‘duidelijkheid’. Ik onderstreepte hierboven al de onzekerheden in passages uit P. Saukko & B. Knight,
Knight’s Forensic Pathology(2016). Lezing van meer uitgebreide onderdelen van deze beide werken geeft allerminst aanleiding voor stellige uitspraken.
tail’ (het spoor van een kras boven of onder de snijwond, aan het uiteinde ervan) kan ontstaan bij zowel het
intreden van de huid als het
uittreden van de huid. Op zichzelf geeft de waarneming van zo’n ‘tail’ dus geen duidelijkheid over de bewegingsrichting van de snede. Verder wijs ik erop dat de deskundigen in harmonie oordelen dat het snijletsel aan de rechterzijde dieper gaat dan aan de linkerzijde.
Spitz and Fisher’s Medicolegal Investigation of Death(2006), die ik opnieuw (met mijn onderstreping) weergeef:
Although it may be impossible to establish whether a slash across the front of the neck runs from right to left or vice versa,a short superficial or scratch-like tailusually indicates the terminal segment of the wound whilea superficial gradually deepening, longer cutsuggests the location where the wound began.” [36]
Alsdeze passage al aanleiding geeft voor duidelijkheid, betreft die duidelijkheid een bewegingsrichting van rechts naar links (en niet andersom).
Het gaat dan wel degelijk om één enkele, oppervlakkig beginnende en zich dieper doorzettende, snijwond die bij zichzelf zowel door een rechtshandige (mes in de rechter hand) aan de ipsilaterale kant als door een linkshandige (mes in de linker hand) aan de contralaterale zijde kan zijn toegebracht.Beide zijn perfect mogelijk (met een gelijkaardig verlopende snijwond voor gevolg).”
onder[slachtoffer] is aangetroffen. Het belang van die waarneming wordt meer inzichtelijk als het geval in gedachten wordt genomen waarin op de plaats van het incident in het geheel geen mes is aangetroffen. Die omstandigheid zou sterk wijzen in de richting van doodslag in plaats van suïcide. “
It is relatively uncommon that an assailant is apprehended while in possession of the murder weapon. Rarely is the knife left at the scene”, aldus
Spitz and Fisher’s Medicolegal Investigation of Death, p. 566.
disfunctionaliteit in het herzieningsrecht bloot te leggen, handhaaf ik onder novum 3(c) mijn eerder betrokken stelling dat de deskundigeninzichten in Soerdjbalie 2018 en (thans ook) Soerdjbalie 2019 en Van de Voorde 2020 met het nodige gezag een nieuw licht werpen op de bewezenverklaring van doodslag, en wel zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat de rechter [veroordeelde] zou hebben vrijgesproken indien hij bij het onderzoek ter terechtzitting bekend zou zijn geweest met dit nieuwe gegeven. Dat geldt uiteraard ook voor de nova 3(a) en 3(b); zij – al dan niet in combinatie met andere nova – ondermijnen de bewijsconstructie die het hof bij wijze van pijler 2 heeft opgetuigd.
novum 3. Daarmee beëindig ik de bespreking van onderzoeksthema 2.
nova 1, 2 en 3de herziening aan van het ten laste van [veroordeelde] gewezen arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch d.d. 29 juni 2007, parketnummer 20-000104-05, voor zover dat betrekking heeft op het feit onder 1 (doodslag), met verwijzing van de strafzaak naar een gerechtshof dat daarvan nog geen kennis heeft genomen, opdat de zaak in zoverre zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als is voorzien in artikel 472, tweede lid Sv.