Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
PL2110/00-625568.001 (pagina 36 tot en met 41 van het doorgenummerde dossier, nummer PL2110/00-010600), voor zover inhoudende als relaas van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:
[slachtoffer] het gevolg was van zelfmoord of niet. De benadering van Richard Eikelenboom is gedaan om te bekijken of het bloedpatroon een van de twee tegengestelde hypotheses meer onderbouwt dan de andere. De beschouwing van het bewijs is juist.
's-Hertogenbosch. Op 10 april 2000 is [veroordeelde] hier geweest. Ik denk dat [veroordeelde] tussen 10.00 en
10.30 uur is geweest. Ik heb tien minuten met hem in de leeszaal gezeten.
PL2110/00-010600), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
10 april 2000 heeft gemaakt met getuige [getuige 1] en met een door verdachte op die dag gevoerd gesprek in het Bisschoppelijk Paleis. Voornoemde verbalisanten hebben gerelateerd, dat de rit, waarbij met een gemiddelde snelheid van 11,8 km/h een afstand van 10.44 km werd afgelegd, in totaal 53 minuten heeft geduurd. Houdt men rekening met de hiervoor genoemde korte wandeling (5 minuten) en met het gesprek in het Bisschoppelijk Paleis (10 minuten) dan komt men op 1 uur en 8 minuten.
10 minuten. De raadsman baseert zich hierbij op de inhoud van een door hem gevoerd telefoongesprek met de getuige [betrokkene 2] bij wie verdachte op bezoek is geweest. Deze mededeling is niet alleen niet nader onderbouwd, maar bovendien niet in overeenstemming met de verklaring van [betrokkene 2] zoals opgenomen in het proces-verbaal van politie, waarin deze verklaart dat het gesprek met verdachte hooguit 10 minuten heeft geduurd (blz. 114 van het doorgenummerd proces-verbaal) en ook in strijd met de verklaring van verdachte zoals eveneens weergegeven in het proces-verbaal van politie, waarin deze verklaart dat het gesprek ongeveer 2 minuten heeft geduurd (blz. 223 van het doorgenummerd proces-verbaal) welke verklaring door verdachte ter terechtzitting van 15 juni 2007 is bevestigd. Voorts heeft de raadsman - opnieuw - naar voren gebracht dat verdachte niet snel kon fietsen vanwege zijn medicijngebruik. Aan het pleidooi is een e-mailbericht d.d. 7 juni 2007 van F. Klompmaker, de kennelijk door de raadsman benaderde huisarts van verdachte gehecht waarin wordt medegedeeld: "Bij [veroordeelde] was er altijd sprake van een opvallende bewegingsarmoede en stramheid". Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wel snel de trappers kon bewegen maar geen kracht kon zetten, reden waarom hij altijd een kleine versnelling gebruikte. Daar staat tegenover dat aan de rapportage van de deskundige Loonen een afschrift van een aan de huisarts gerichte brief is gehecht, waarin onder meer wordt gevraagd of er in april 2000 sprake was van negatieve symptomen (vervlakking, apathie, spraakarmoede, bewegingsarmoede, enzovoorts) alsmede een afschrift van een door de huisarts ondertekend antwoordschrijven d.d. 11 mei 2007 met onder meer als inhoud: "in april 2000 was er zoals gewoonlijk vervlakking van het affect, een matige apathie, geen spraakarmoede, wel bewegingsarmoede". Voor het overige worden door de raadsman met name niet nader onderbouwde veronderstellingen naar voren gebracht. Een - naar ervaringsregels - betrekkelijk langzame fietssnelheid van ongeveer 12 kilometer per uur komt het hof niet irreëel voor.
[betrokkene 8] , d.d. 12 juni 2007 waarin onder meer wordt medegedeeld: " [veroordeelde] is al jaren bij mij in behandeling. Patiënt heeft al jaren last van tremoren aan handen, benen, ademhaling, spieren etc de tardieve: dystonia dyskiinesie acathisie" en "Deze symptomen doen zich vaak voor bij langdurig gebruik van Cisordinol, wat patiënt al jaren gebruikt. Deze hebben een belemmerende invloed op zijn motoriek, het is voor hem dan moeilijk snelle vloeiende bewegingen te maken, deze zijn bijna niet voorstelbaar bij zijn dosis Cisordinol".
3.Het procesverloop
'Project Gerede Twijfel' van de Vrije Universiteit Amsterdam, waarvan prof. P.J. van Koppen de directeur/redacteur is, te weten: D. Stad &
P.J. van Koppen, Het likkende hondje. Het onderscheid tussen moord en zelfmoord, Den Haag: Boom Criminologie 2015. De hele casus is in dit boek besproken. De bewijsvoering is van kritisch commentaar voorzien. Een exemplaar van deze publicatie heb ik zelf aan het dossier toegevoegd. Ik verwijs daarnaar."
4.De aanvraag tot herziening
5.Aan de beoordeling van de herzieningsaanvraag voorafgaande beschouwingen
Hoge Raad sedert HR 18 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA1024 aan de omstandigheid dat een deskundige op wiens bevindingen de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, nadien tot een ander oordeel komt, in beginsel meer gewicht kan worden toegekend dan aan een - van die deskundige afwijkend - oordeel van een andere deskundige. Een herzieningsaanvraag die uitsluitend is gebaseerd op het inzicht van iemand die op het desbetreffende terrein deskundig is, dat afwijkt van het inzicht van de deskundige waarop de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, is niet zonder meer toereikend voor herziening. Voor de beoordeling van zo een aanvraag is derhalve van belang waarin het verschil van inzicht zijn grond vindt. De aanvraag dient daaromtrent, aan de hand van in 5.2 onder E en F genoemde factoren, een toelichting te bevatten. In dat verband kan van belang zijn de reactie van een deskundige die in de strafzaak heeft verklaard, op het inzicht van de deskundige waarop de herzieningsaanvraag steunt.
6.Beoordeling van de aanvraag
- van die deskundige afwijkend - oordeel van een andere deskundige, en dat dit betekent dat een herzieningsaanvraag die uitsluitend is gebaseerd op het inzicht van iemand die op het desbetreffende terrein deskundig is, dat afwijkt van het inzicht van de deskundige waarop de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, niet zonder meer toereikend is voor herziening. Dientengevolge kan een reactie van de deskundigen die in deze strafzaak hebben gerapporteerd, reeds bij de beoordeling van de aanvraag van belang zijn.
DNA- en vezelonderzoek (bewijsmiddel 8) inhoudt dat het op de voorzijde van de inbeslaggenomen broek van de gewezen verdachte aangetroffen bloed - kort gezegd - afkomstig is van het slachtoffer, maar dat het hiervoor onder 3.4.3 vermelde rapport van 18 september 2018 (p. 3) inhoudt dat de destijds vermelde bloedspatjes zich niet op de voor- maar op de achterzijde bevinden. In de aanvraag is niet vermeld of deze omstandigheid van belang is geacht voor de beoordeling van de aan de aanvraag ten grondslag gelegde stelling.
7.Slotsom
8.Beslissing
13 november 2018.