Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
eerste onderdeelis onderverdeeld in vijf subonderdelen, die zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 2.26 en tegen de daaraan voorafgaande overwegingen [6] die tot dit oordeel hebben geleid. Ik citeer nu alleen rechtsoverweging 2.26:
ontwerpvan de dakconstructie. Eventuele onvolkomenheden in de uitvoering van het ontwerp, leidend tot een feitelijke bezwijkbelasting die lager is dan de constructieve berekeningen aangeven, blijven naar hun aard buiten beschouwing.
subonderdeel 1.Cnog dat voor zover het hof ervan is uitgegaan dat Blaauwendraad de juiste invulling heeft gegeven aan NEN-norm 6702 door de uit deze norm volgende minimale bezwijkbelasting op ten hoogste 68 kg/m2 te stellen, dat oordeel rechtens onjuist is, aangezien uit NEN-norm 6702 een voorgeschreven belasting volgt van 73 kg/m2. In ieder geval is volgens het onderdeel niet zonder meer begrijpelijk waarom de door Blaauwendraad gehanteerde minimale belasting van (ten hoogste) 68 kg/m2 volgens het hof juist zou zijn, nu maar liefst drie deskundigen, waarvan twee door de rechtbank waren benoemd, van opvatting waren dat de norm significant hoger lag dan Blaauwendraad aanneemt, namelijk rond de 70 of zelfs 73 kg/m2, in plaats van ten hoogste 68 kg/m2. Het hof is in zijn motiveringsplicht tekortgeschoten door niet uiteen te zetten waarom (de toelichting in) NEN-norm 6702 niet zou meebrengen dat de constructie minimaal een belasting van rond de 70 of zelfs 73 kg/m2 had moeten kunnen dragen, maar een minimale draagkracht van ten hoogte 68 kg/m2 zou volstaan.
eersteonderzoekslijn heeft geoordeeld (hiervoor onder 2.4 en 2.9).
nietheeft vastgesteld of berekend dat het dak tegen niet meer sneeuw bestand was dan 68 kg/m2. Die waarde is door Blaauwendraad genoemd als de minimale bezwijkbelasting
volgens de norm.Op basis van zijn constructieve berekeningen is Blaauwendraad vervolgens tot de conclusie gekomen dat bij een 10% hogere belasting de constructie nog steeds voldoet (voor een tussenhal; voor een eindhal is de marge groter). [8] Daarmee kwam Blaauwendraad met zijn constructieve berekening van de sterkte van de dakconstructie dus uit bóven de hoogste in deze zaak door een deskundige berekende norm van 73 kg/m2. Bij die stand behoefde de vraag welke berekening van de norm de juiste is, geen beantwoording meer.
subonderdelen 3.Ben
3.C, waar het middel in de kern betoogt dat (i) het oordeel van het hof onbegrijpelijk is als het hof heeft geoordeeld dat [verweersters] met de hypothese van Blaauwendraad hun wél al bij grieven aangevoerde bezwaren tegen het vonnis nader hebben gepreciseerd of ontwikkeld, respectievelijk (ii) dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is voor zover het hof heeft geoordeeld dat (de verzekeraars en dus) [eiseres] ondubbelzinnig hebben aanvaard dat de hypothese van Blaauwendraad alsnog in de rechtsstrijd werd betrokken.
ontzenuwenhet betoog van de verzekeraars (en [eiseres] ) dat het instorten van de bedrijfshal het gevolg is geweest van een constructiefout. Ik citeer nogmaals de tweede helft van rechtsoverweging 2.26:
Onder invloed van de dakhelling zal er een gericht watertransport in de sneeuwlaag hebben kunnen plaatsvinden. Het is ookwaarschijnlijk(onderstreping advocaat) dat het hele sneeuwpakket zich in enige mate onder invloed van de zwaartekracht heeft verplaatst. De hierboven beschreven effecten kunnen voor een hogere dakbelasting hebben gezorgd op de lagere dakdelen.”
het naar beneden glijden van de sneeuw op het dak van het Bedrijfspand is “fysisch onmogelijk (...)”, zelf onjuist is. Op die foto’s zijn de laagst gelegen gordingen zichtbaar doorgezakt, wat op overbelasting wijst.’ (antwoordakte uitlating producties in principaal en incidenteel appel van [verweersters] van 7 april 2015, p. 8-9).
onder 6dat [eiseres] gemotiveerd heeft gesteld dat de aansprakelijkheid van [verweersters] niet uitsluitend afhankelijk is van het antwoord op de vraag of [verweerster 1] een constructiefout heeft gemaakt. [verweerster 1] heeft immers in de aannemingsovereenkomst een garantie opgenomen op grond waarvan de instortingsschade – ook indien geen sprake zou zijn van een constructiefout – voor haar rekening komt. [21] Deze stellingen moeten (mede) worden bezien in het licht van grief 11 van [verweersters] tegen de oordelen van de rechtbank dat [verweersters] mede op basis van deze garantie aansprakelijk zijn (rechtsoverweging 2.5 van het vonnis van 27 juni 2012). Het hof heeft miskend dat dit oordeel van de rechtbank overeind is gebleven, indien grief 11 van [verweersters] hiertegen niet slaagt. Althans, het hof heeft verzuimd deze essentiële stellingen van [eiseres] te behandelen. Hierdoor is volgens het onderdeel het bestreden arrest rechtens onjuist althans onvoldoende althans onbegrijpelijk gemotiveerd. Volgens het onderdeel is (ook) rechtens onjuist althans onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd het oordeel van het hof in rechtsoverweging 2.27 dat de omstandigheid dat het hof niet heeft kunnen vaststellen dat sprake is van een constructiefout (in de zin van de verzekeringspolis) meebrengt dat [verweersters] niet aansprakelijk zijn op grond van de aannemingsovereenkomst die [verweerster 1] met [eiseres] heeft gesloten. Hierop voortbouwend is ook rechtens onjuist althans onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd het oordeel dat de overige grieven geen bespreking behoeven (rechtsoverweging 2.28) en het dictum waarin het eerdergenoemde vonnis van de rechtbank (kennelijk ook) wat betreft het eerder genoemde oordeel over de aansprakelijkheid van [verweersters] op basis van de garantie wordt vernietigd.
nietslagen, dan blijft staan dat de andere met betrekking tot de kwestie van een constructiefout door [verweersters] opgeworpen grieven, namelijk de grieven 1, 2 en 5 tot en met 8, wel slagen.
maar ook voor in zodanige vorm opgeworpen nieuwe verweren.
nu deze omstandigheid geen materiële wijziging zou brengen in de positie van [eiser] c.s. als in het gelijk gestelde partijin de eerderbedoelde zin.’
materiële wijzigingenvoorstelt voor de positie van incidenteel appellant, wel degelijk plaats kan zijn voor een proceskostenveroordeling in het incidenteel beroep. Vergelijk opnieuw de annotatie van Lewin bij het arrest van 11 mei 2012 (mijn cursivering):
zonder een materiële wijziging van de uitkomst van de procedure na te streven, behoort er geen proceskostenveroordeling in het incidenteel appel te worden uitgesproken ten laste van wie dan ook. Deze regel geldt ongeacht de positie van die partij als oorspronkelijk eiser of oorspronkelijk gedaagde, ongeacht de uitkomst van het principaal appel, ongeacht de vraag of het incidenteel appel voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is ingesteld, ongeacht de inhoud van de grief of grieven in het incidenteel appel en ongeacht de vraag hoe het dictum waarmee de eerste rechter die partij in het gelijk heeft gesteld, is geredigeerd. Dat is een gemakkelijk te onthouden en gemakkelijk toe te passen regel.’
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
constructeursfouten’, vergelijk subonderdeel 1.4 onder a – als een ‘constructiefout’ in de zin van de polis hebben te gelden. Omdat het hof vervolgens heeft geoordeeld dat niet is bewezen dat het instorten van het bedrijfspand het gevolg is van een constructiefout in die ruime betekenis en dit oordeel, volgens hetgeen ik hiervoor en in de samenhangende zaak met nummer 17/05033 over het principaal beroep zeg, in stand blijft, doet niet meer ter zake of de bedoelde uitleg van de polisvoorwaarden juist is of niet. Het hof na verwijzing heeft alleen nog te oordelen over een eventuele aansprakelijkheid van [verweersters] op grond van de in de aannemingsovereenkomst opgenomen garantie (hiervoor onder 2.35 e.v.). Artikel 2.1.8.5 van de polisvoorwaarden speelt daarbij geen rol. [30]
onderdeel 1van het incidenteel cassatiemiddel enkele korte opmerkingen. Dat onderdeel richt zich tegen rechtsoverweging 2.5.1 van het arrest van het hof. Die overweging luidt als volgt: