Conclusie
4.Beschrijving van de zaak
5.De aanleiding voor de herzieningsaanvraag
6.Herzieningsgronden
7.Bespreking van de herzieningsaanvraag
ex tunc) heeft of had moeten hebben. [23] Deze uitleg moet dus ook worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan vóór het arrest waarin de Unierechter deze uitleg heeft gegeven. [24] In de praktijk kan deze uitleg onverwachte gevolgen hebben. Omwille van de rechtszekerheid stelt het HvJEU daarom soms beperkingen aan de
ex tunc-werking die toekomt aan zijn prejudiciële uitleg van het Unierecht. Zo kan het Hof de rechtstreekse werking van een bepaling beperken tot aanspraken met betrekking tot tijdvakken die een aanvang nemen op de dag waarop het arrest wordt uitgesproken. [25] Tot slot heeft het HvJEU bepaald dat met het oog op de waarborging van de rechten die de burger kan ontlenen aan de rechtstreekse werking van het Unierecht het gelijkwaardigheidsbeginsel en het effectiviteitsbeginsel gelden. Deze houden respectievelijk in dat de lidstaten voor procedures moeten zorgen, die niet minder gunstig zijn dan die gelden voor gelijksoortige vorderingen op basis van het nationale recht en dat de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk mogen worden gemaakt. [26]
8.Conclusie
acte clairof
acte éclairézodat aan het subsidiaire verzoek van de aanvraag gevolg dient te worden gegeven. Daarbij zijn verschillende opties mogelijk. De Hoge Raad kan besluiten de beslissing op onderhavig verzoek aan te houden totdat het HvJEU een beslissing heeft gegeven naar aanleiding van het verzoek om een prejudiciële beslissing van de hoogste Oostenrijkse rechter. De Hoge Raad kan ook zelf overgaan tot het verzoeken om een prejudiciële beslissing en daarvoor inspiratie putten uit het Oostenrijkse verzoek, waarbij de prejudiciële vraag tevens meer specifiek geënt kan worden op de Nederlandse situatie. Ik ben in ieder geval van mening dat zonder een prejudiciële beslissing van het HvJEU op de kernvraag die in onderhavige zaak aan de orde is, de herzieningsaanvraag niet goed beoordeeld kan worden en bovendien het risico wordt gelopen dat voor welke richting ook gekozen wordt, deze niet in overeenstemming is met de beslissing die van het HvJEU in de Oostenrijkse zaak zal worden genomen. Bovendien kan een prejudiciële beslissing van het HvJEU een leidraad geven in welke richting we onze nationale herzieningsregelingen zouden moeten ontwikkelen.