Op 6 april 2015 vond een incident plaats waarbij verdachte door het slachtoffer werd aangevallen in diens woning. Het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde verdachte wegens poging tot zware mishandeling en eenvoudige belediging, waarbij het beroep op noodweer en noodweerexces werd verworpen. Het hof stelde vast dat verdachte zich mocht verdedigen tegen een wederrechtelijke aanranding, maar dat hij de grenzen van proportionaliteit had overschreden.
In cassatie klaagt de raadsman dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het beroep op noodweer en noodweerexces werd verworpen, met name omdat het hof niet duidelijk heeft vastgesteld of en wanneer het slachtoffer met een mes in het been van verdachte heeft gestoken en wanneer verdachte het mes uit haar handen heeft geslagen. Deze feiten zijn cruciaal voor de beoordeling van het begin en einde van de noodweersituatie en de proportionaliteit van de verdediging.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof deze relevante feiten in het midden heeft gelaten en daardoor het oordeel over de overschrijding van de proportionaliteit niet begrijpelijk heeft gemotiveerd. Ook de verwerping van het beroep op noodweerexces is op onvoldoende gronden gebaseerd. Daarom wordt het arrest vernietigd en wordt de zaak terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting.
De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukt het belang van een duidelijke motivering bij de verwerping van noodweer(exces) en verwijst naar relevante jurisprudentie en literatuur over de noodweersituatie en de proportionaliteitseis.