ECLI:NL:HR:1989:ZC8183
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Bronkhorst
- vice-president Van den Blink
- raadsheer Beekhuis
- raadsheer Keijzer
- raadsheer Bleichrodt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep op noodweer bij bedreiging met woorden en vermeende magische invloed
De verdachte werd door het Hof veroordeeld wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven, nadat hij een vrouw met de woorden "Je moet oprotten anders steek ik je overhoop" had bedreigd op Schiphol. De verdachte voerde in cassatie aan dat hij handelde uit noodweer omdat hij vreesde voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door de vrouw, die volgens hem onder invloed stond van magische krachten van een rivaal.
De Hoge Raad beoordeelde of het hof ten onrechte had geoordeeld dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte. Het hof had geoordeeld dat het gedrag van de vrouw niet zodanig bedreigend was dat het aanranding in de zin van art. 41 Sr Pro kon zijn.
De Hoge Raad vond dit oordeel niet onbegrijpelijk en bevestigde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven. Ook was het hof niet verplicht om nader te motiveren waarom het niet aannemelijk was dat er sprake was van een ogenblikkelijke aanranding. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.
De zaak illustreert de strikte uitleg van het noodweerbegrip en het belang van een feitelijke beoordeling van de mate van bedreiging. De verdachte kon zijn beroep op noodweer niet onderbouwen met voldoende aannemelijke feiten over een onmiddellijke dreiging van lichamelijk contact of aanranding.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof oordeelde terecht dat geen sprake was van noodweer.