Conclusie
eerste middelbevat verschillende klachten die betrekking hebben op de uitleg van artikel 225 Sr Pro. Een digitale agenda ontbeert volgens het middel een bewijsbestemming. Het hof heeft voorts miskend dat de bewijsbestemming die artikel 225 Sr Pro vereist objectief moet worden ingevuld en dat het niet aankomt op de bedoeling van degene die de agenda gebruikt. Ook is niet aan de bewijsmiddelen te ontlenen dat de digitale agenda van verdachte bewijsbestemming had binnen het COA jegens enig intern financieel-administratief onderdeel van de organisatie. Ook heeft het hof een verkeerde betekenis gehecht aan het raadplegen van de digitale agenda door de secretaresse van verdachte. Bovendien waren de nepafspraken in het weekend door verdachtes secretaresse welbewust in de agenda geplaatst, waardoor deze agenda niet de bestemming kon hebben om haar te doen geloven dat het echte zakelijke afspraken waren.
tweede middelklaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Op 27 februari 2017 is het cassatieberoep ingesteld en het dossier is eerst op 6 november 2017 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Daarmee is de op acht maanden gestelde inzendtermijn overschreden, hetgeen tot een vermindering van de opgelegde straf behoort te leiden.