Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof de zaak ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, buiten aanwezigheid van de verdachte heeft behandeld door “(impliciet maar) overhaast en ten onrechte” te besluiten dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Aan het middel ligt de veronderstelling ten grondslag dat de verdachte gedetineerd was zowel op de dag van de terechtzitting van 19 december 2016 toen de zaak inhoudelijk is behandeld, als op 11 januari 2017, de dag van de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Ter ondersteuning van die veronderstelling wordt in de schriftuur gewezen op twee stukken van het geding waarop is vermeld dat de verdachte was gedetineerd, te weten een niet aan de verdachte uitgereikte nadere vordering tot wijziging van de tenlastelegging alsmede het uitspraakproces-verbaal van 11 januari 2017. Voordat ik nader inga op de vraag of die veronderstelling juist is, geef ik de gang van zaken weer voor zover die blijkt uit de stukken van het geding zoals die op de voet van artikel 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad zijn gezonden. Daarbij komen beide hiervoor genoemde stukken aan de orde.
De Informatiestaat SKDB-persoon die aan de akte van uitreiking is gehecht, en is gedateerd 19 oktober 2016, vermeldt als huidig BRP-adres: “Datum ingang 17-11-2015 Adres Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)” en vermeldt tevens dat de verdachte niet is gedetineerd. Als “Laatst opgegeven woon- of verblijfplaats” vermeldt de Informatiestaat “[a-straat]” met als registratiedatum 27 juni 2016.
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit bewezen heeft verklaard. De door het hof gegeven motivering en de door het hof gebruikte bewijsmiddelen zouden tegenstrijdig zijn.