Conclusie
1.Feiten
Euromast) is exploitant van de Euromast te Rotterdam. Onderdeel van deze exploitatie is het verhuren van reclameruimte, onderaan en bovenop de Euromast.
[betrokkene 1]) indirect bestuurder en mede-eigenaar van Euromast. De heer [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]) is voorzitter van de Raad van bestuur van HDI-Gerling Verzekeringen N.V. (hierna:
HDI). [betrokkene 3] (hierna:
[betrokkene 3]) is directeur van Euromast. De heer [betrokkene 4] (hierna:
[betrokkene 4]) is Hoofd Corporate Legal van HDI.
Verzekeringen en reclameuitingen) schreef [betrokkene 1] aan [betrokkene 2] onder meer:
vertrouwde HDI het zaakje niet”. [11]
2.Procesverloop
het hof). Zij heeft, naast vernietiging van het bestreden vonnis, na vermeerdering van eis gevorderd HDI te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 826.380,36 bij wijze van schadevergoeding ten gevolge van tekortkoming in de nakoming van de twee overeenkomsten, te vermeerderen met een bedrag van € 5.906,90 aan buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. [16] Zie ik het goed dan vorderde Euromast in hoger beroep een bedrag aan schadevergoeding ter hoogte van het positief contractsbelang.
Regiopolitie/Hovax, [19] dat het van de bedoeling van partijen afhangt of overeenstemming ten aanzien van een deel van de te regelen verbintenissen al een overeenkomst op die deelonderdelen tot stand doet komen.
volledig en rechtens afdwingbaar”) na toetsing en goedkeuring door de afdeling Legal van HDI:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 1.1 (a)richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.5, dat met de mondelinge overeenstemming die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op een aantal punten hadden, geen volledige (rechtens afdwingbare) overeenkomst tussen Euromast en HDI tot stand is gekomen. Het onderdeel betoogt dat het hof enkel had mogen beoordelen of aan de essentialia van art. 7:201 BW Pro is voldaan en geen andere onderdelen van de conceptovereenkomsten als essentieel mocht aanmerken. [20]
minstensaanwezig moeten zijn om een overeenkomst te kunnen kwalificeren als huurovereenkomst in de zin van art. 7:201 lid 1 BW Pro, brengt niet zonder meer mee dat overeenstemming over die bestanddelen een bindende huurovereenkomst in het leven roept. De in art. 7:201 BW Pro genoemde essentialia vormen geen uitputtende ontstaansvoorwaarden voor het tot stand komen van een huurovereenkomst. Dat de rechter onder omstandigheden op basis van die onderdelen tot het bestaan van een huurovereenkomst
kanconcluderen betekent niet dat hij dat in alle gevallen ook
moetdoen. De klacht gaat daaraan voorbij.
Subonderdeel 1.1 (b)klaagt dat, áls het hof de twee overeenkomsten niet heeft aangemerkt als huurovereenkomsten in de zin van art. 7:201 lid 1 BW Pro, dat getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, (i) omdat de mondelinge overeenstemming tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] voldoet aan alle essentialia van voornoemde wetsbepaling en (ii) omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat het hier om huurovereenkomsten gaat, welk oordeel in hoger beroep niet is bestreden.
Onderdeel 1.2betoogt dat het hof, in het kader van zijn onderzoek naar de vraag of een rechtens afdwingbare overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, beslissend had moeten achten wat partijen met de mondelinge overeenstemming tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] voor ogen stond. Hiertoe betoogt de klacht, onder verwijzing naar de vaststellingen van het hof en art. 7:201 lid 1 BW Pro, dat aan de essentialia van een huurovereenkomst is voldaan en dat de overige verplichtingen tussen partijen voldoende “bepaald c.q. bepaalbaar” zijn in de zin van art. 6:227 BW Pro. Daarom heeft het hof, aldus de klacht, ten onrechte in rov. 3.5 de maatstaf van het in rov. 3.4 aangehaalde arrest
Regiopolitie/Hovaxtoegepast.
Onderdeel 1.3klaagt dat de omstandigheden die het hof in rov. 3.5 ten grondslag legt aan zijn conclusie dat geen volledige rechtens afdwingbare overeenkomst tot stand is gekomen, die conclusie niet kunnen echtvaardigen. Dit wordt in drie nadere klachten (a-c) uitgewerkt, die een bepaalde mate van overlap dan wel herhaling vertonen.
Subonderdeel (a)betoogt dat het hof uit het feit dat [betrokkene 2] het conceptcontract aan de afdeling Legal van HDI zou voorleggen, niet had kunnen concluderen dat de totstandkoming van dat contract afhankelijk was van toetsing door en goedkeuring van die afdeling. M.i. miskent deze klacht dat het hof de aangevallen conclusie eveneens heeft gebaseerd op de omstandigheid dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] maar een deel van de essentialia van de door hen beoogde overeenkomsten hadden besproken. De niet-besproken elementen konden tot ingrijpende juridische en financiële consequenties voor HDI leiden, zoals de kosten van het aanbrengen van de reclame-uitingen. Het hof heeft tevens in zijn oordeel betrokken dat de e-mailwisseling tussen HDI/Legal en [betrokkene 3] bevestigt dat de door Euromast opgestelde en toegezonden overeenkomsten nog niet definitief waren.
Subonderdeel (b)berust op de veronderstelling dat de onderwerpen die niet door [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zijn besproken slechts accidentalia waren. De klacht faalt, omdat zoals zojuist opgemerkt het hof heeft geoordeeld dat die onderwerpen juist wezenlijk waren voor de totstandkoming van de beoogde overeenkomst.
Subonderdeel (c)betoogt dat het voor de totstandkoming van een huurovereenkomst niet is vereist dat partijen ook hebben gesproken over ingrijpende juridische en financiële consequenties als door het hof bedoeld. Die klacht faalt, omdat het hof niet heeft geoordeeld dat art. 7:201 lid 1 BW Pro die eis stelt. Het hof heeft overwogen dat uit hetgeen partijen over en weer uit elkaars uitlatingen en gedragingen mochten afleiden volgt dat geen volledige overeenkomst tot stand zou komen totdat over alle wezenlijke elementen zou zijn gesproken, en dat de bedoelde ingrijpende consequenties in deze zin wezenlijk waren. Dat laatste is overigens een aan het hof voorbehouden feitelijk oordeel.
Onderdeel 1.4bevat geen zelfstandige klacht en behoeft daarom geen bespreking.
Subonderdeel 2.1 sub aklaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat uit de schriftelijke verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] (door het hof weergegeven in rov. 1.13 en 1.14) volgt dat goedkeuring van de afdeling Legal van HDI door hen niet is bedoeld c.q. opgevat als voorwaarde voor het tot stand komen van een volledige overeenkomst.
Subonderdeel 2.1 sub bklaagt dat het hof aandacht had moeten besteden aan de volgens de klacht essentiële stelling van Euromast dat volgens [betrokkene 2] de afdeling Legal niet bevoegd was om beslissingen te nemen over de contracten.
nemenover commerciële aangelegenheden, faalt de klacht omdat de bevoegdheden van die afdeling niet relevant waren voor wat
[betrokkene 1]uit de opmerkingen van [betrokkene 2] mocht afleiden. Het hof kon daarom aan deze stelling voorbij gaan.
Subonderdeel 2.2 sub avoert aan dat HDI, door te betogen dat [betrokkene 2] heeft meegedeeld dat hij het concept-contract bij de afdeling Legal ‘zou neerleggen’, een beroep heeft gedaan op een “
voorwaarde c.q. voorbehoud”, en dat dit een bevrijdend verweer is waarvan zij de bewijslast draagt. Daarvan uitgaande had het hof, gelet op de gemotiveerde betwisting door Euromast, HDI hiervan bewijs moeten opdragen.
Subonderdeel 2.2 sub bbetoogt dat het hof, omdat sprake zou zijn van een bevrijdend verweer van de kant van HDI, Euromast had moeten toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Deze klacht bouwt voort op de onjuiste lezing waarop de klacht sub a rust, en faalt om dezelfde reden. Daarbij komt dat het hof hoe dan ook het algemeen geformuleerde bewijsaanbod van Euromast [23] als niet ter zake dienend mocht passeren (zie rov. 3.7). De klacht wijst niet op door Euromast gestelde feiten die, indien juist, afdoen aan de feitelijke vaststelling dat [betrokkene 2] heeft meegedeeld dat de afdeling Legal de contracten nog moest beoordelen.
Onderdeel 2.3voert aan dat het onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat de e-mails van [betrokkene 3] steun geven aan de conclusie dat er nog ruimte was voor inhoudelijke aanpassing van de door Euromast opgestelde overeenkomsten. Deze klacht faalt omdat het hier een zuiver feitelijk oordeel betreft dat aan het hof als feitenrechter is voorbehouden. Het oordeel is, gelet op de door het hof gememoreerde tekst van die e-mails, bovendien niet onbegrijpelijk. [24]
Onderdeel 2.4klaagt dat, nu [betrokkene 2] en [betrokkene 1] over verschillende (ook door het hof gememoreerde) elementen hebben gesproken, onduidelijk is op grond waarvan het hof concludeert dat niet gesproken is over de elementen die, in het bijzonder gelet op het complexe en risicovolle karakter van het plaatsen van reclame-uitingen op de Euromast, tot ingrijpende juridische en financiële consequenties kunnen leiden. De strekking van deze klacht lijkt mij te zijn dat het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk is.
ingrijpende juridische en financiële consequenties”). De rechtbank overwoog namelijk in rov. 5.6 van haar vonnis (mijn onderstreping):
Het lag immers gelet op de aard van de te sluiten overeenkomst in de rede dat de door Euromast Horeca ter toetsing aan HDI voor te stellen conceptovereenkomst elementen zou kunnen bevatten die ingrijpende juridische en financiële consequenties zouden kunnen hebben, welke niet tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] waren besproken en welke [betrokkene 2] op het moment dat hij met [betrokkene 1] sprak niet zonder meer kon overzien.Dat is ook daadwerkelijk het geval. Gewezen kan worden op de artikelen 2.3, 2.4, 2.5, 3.3, 3.4, 5.1, 5.2, 5.3, 6.1, 6.2, 6.3, 6.4, 6.5, 7.2, 8.1, 8.2, 8.3, 8.4, 8.5, 9.1 en 9.2, in combinatie met het feit dat het plaatsen, onderhouden, verwijderen en verzekeren van de risico's in verband met een reclame-uiting op de top van de Euromast een kostbare, complexe en risicovolle aangelegenheid betreft. In de door Euromast Horeca voorgestelde concept-overeenkomst komt dit in diverse bepalingen tot uitdrukking. Alle denkbare risico's worden in die conceptovereenkomst bij HDI neergelegd, zulks in combinatie met vrijwaringsverplichtingen en de verplichting voor HDI om zich behoorlijk te verzekeren voor het risico van schade aan derden. Dit betreft geen ondergeschikte details, maar dermate zwaarwegende en voor HDI risicovolle onderdelen van de rechtsverhouding dat in zoverre (deels) ook sprake is van essentialia. Dat HDI de door Euromast Horeca voor te stellen tekst van de te sluiten overeenkomsten juridisch wilde toetsen alvorens zich definitief te binden, betrof in dit geval een voor de hand liggende, normale, zakelijke wens van [betrokkene 2] (HDI). [betrokkene 1] (Euromast Horeca) heeft zich blijkens zijn verklaring daartegen dan ook niet verzet.”