ECLI:NL:PHR:2018:1319
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak rijden onder invloed wegens verzuim wijzen op recht op tegenonderzoek
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor rijden onder invloed, maar vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie betrof de vraag of het verzuim van de opsporingsambtenaren om de verdachte te wijzen op zijn recht op tegenonderzoek bij een ademonderzoek, moest worden aangemerkt als een vormverzuim of als een schending van strikte waarborgen die leiden tot bewijsuitsluiting.
De Hoge Raad bevestigde dat de verplichting om de verdachte te wijzen op zijn recht op tegenonderzoek onderdeel is van het stelsel van strikte waarborgen rondom het ademonderzoek zoals bedoeld in artikel 8, tweede en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Omdat deze verplichting niet is nageleefd, kan het resultaat van het ademonderzoek niet als bewijs worden gebruikt, wat leidt tot vrijspraak wegens gebrek aan toereikend wettig bewijs.
De conclusie benadrukt dat het recht op tegenonderzoek een waarborg is voor de betrouwbaarheid van het ademonderzoek en dat het niet wijzen op dit recht het onderzoek ongeldig maakt. Het arrest bevestigt de noodzaak van strikte naleving van procedurele waarborgen bij alcoholonderzoeken in het verkeer en sluit de toepassing van artikel 359a Sv uit in dit geval.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens bewijsuitsluiting door niet wijzen op recht op tegenonderzoek.