ECLI:NL:PHR:2018:1332
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bezwaarschrift tegen dagvaarding wegens vertrouwensbeginsel bij technisch sepot
De verdachte werd in 2014 aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij gewapende strijd in Syrië. Na voorlopige hechtenis en schorsing bood het OM meerdere malen een voorwaardelijk sepot aan, dat de verdachte niet accepteerde. Op 24 april 2015 stuurde de parketsecretaris een e-mail waarin werd aangegeven de zaak een half jaar aan te kijken met het vooruitzicht op een technisch sepot bij positieve ontwikkeling. Het hof oordeelde dat deze e-mail geen voorwaardelijk sepot was, maar uitstel van beslissing, en dat het OM ontvankelijk bleef in vervolging. De verdachte stelde dat hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op niet-vervolging, maar het hof verwierp dit en verklaarde het bezwaarschrift ongegrond.
De Hoge Raad bevestigt dat het onderzoek in de bezwaarschriftenprocedure summier is en dat het oordeel van de raadkamer voorlopig is. Het hof mocht het e-mailbericht als uitstel interpreteren en het vertrouwen op niet-vervolging niet als gerechtvaardigd beschouwen, mede gelet op de reclasseringsrapportages die een wisselende psychische toestand van de verdachte beschreven. Het OM handelde niet in strijd met het vertrouwensbeginsel door na het halfjaar niet tot technisch sepot over te gaan.
Het cassatieberoep faalt omdat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven en het oordeel niet onbegrijpelijk is. De Hoge Raad benadrukt het voorlopige karakter van het oordeel in de bezwaarschriftenprocedure en het belang dat de strafrechter later een definitief oordeel geeft over de schuld en ontvankelijkheid.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het OM ontvankelijk is in de vervolging en wijst het cassatieberoep af.