Conclusie
I. Algemeen
II. Tijdige indiening verzoekschrift?
V. Conclusie
dictumvan de beschikking van de Hoge Raad heeft gehandeld. De Rechtbank stelde in rechtsoverweging 11 van haar beschikking vast dat “alleen al op grond van een zuiver grammaticale interpretatie van het dictum van de beslissing van de Hoge Raad, de beslissing van de Hoge Raad onmiskenbaar inhoudt dat vanaf de datum van de beschikking alle (verdere) handelingen van het openbaar ministerie gericht op strafververvolging van verdachte in de onderhavige zaak dienden te worden verricht door (leden van) het openbaar ministerie bij de rechtbank Den Haag, oftewel door leden van het Haagse arrondissementsparket”. Het Hof legt het dictum van de beschikking van de Hoge Raad kennelijk beperkter uit en stelt vast dat formeel en materieel is voldaan aan hetgeen in dit dictum staat, nu de verdachte is gedagvaard te verschijnen voor de rechtbank Den Haag middels een door de waarnemend hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket te Den Haag ondertekende dagvaarding en uit het in hoger beroep overgelegde proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de vervolgingsbeslissing na de beschikking van de Hoge Raad is genomen door de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Den Haag (en later tevens is bevestigd door zijn opvolger). Gelet op de tekst van het dictum - er wordt een gerecht aangewezen voor hetwelk de vervolging en berechting zullen plaatsvinden, zo het openbaar ministerie bij dat gerecht dit nodig oordeelt - acht ik dit niet onbegrijpelijk. Daarbij merk ik op dat het Hof niet heeft vastgesteld of geoordeeld dat er geen sprake is geweest van enig handelen in strijd met de beschikking van de Hoge Raad of het doel en de strekking van artikel 510 Sv Pro. In rechtsoverweging 19 geeft het Hof kritisch aan dat het openbaar ministerie door de twee zaaksofficieren te handhaven onnodig discussie heeft laten ontstaan over de (schijn van) partijdige vervolging van de verdachte, terwijl een voorziening als die van artikel 510 Sv Pro (mede) beoogt te voorkomen dat hierover bij de verdachte of derden vragen opkomen.