1.1.1In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:
(i) [eiseres] en [verweerder] hebben gedurende lange tijd een relatie met elkaar gehad. Zij hebben samengewoond. Hun relatie is in november 2010 geëindigd.
(ii) In de nacht van 25 op 26 augustus 2009 - [eiseres] en [verweerder] woonden toen nog samen - heeft tussen hen een fysieke confrontatie plaatsgevonden.
(iii) Op 26 augustus heeft [eiseres] haar huisarts bezocht. De huisarts heeft over dit bezoek het volgende genoteerd:
“Op 26/8/2009 bezocht patiënte het spreekuur met klachten na een stomp trauma aan het linker oog: pijn, misselijkheid, duizeligheid, er was een hematoom van de oogkas mediaal links en een hematoom van de neusrug. Aanvullend werd X-orbita/neusrug gemaakt: geen afwijkingen.”
(iv) Uit een factuur van haar tandarts volgt dat [eiseres] op 26 augustus 2009 de tandarts heeft bezocht. De tandarts heeft een tweevlaksvulling geplaatst.
(v) [eiseres] heeft op 18 september 2009 opnieuw haar huisarts geconsulteerd, die naar aanleiding van dit bezoek noteerde dat [eiseres] aanhoudende klachten had, onder meer van moeite met lezen en diepte zien en het coördineren van de ogen. De huisarts verwees haar naar een oogarts en later naar een neuroloog. [eiseres] heeft ook een second opinion aangevraagd bij een (oog)arts in Duitsland.
(vi) [eiseres] heeft zich op 26 augustus 2009 ziekgemeld bij haar (toenmalige) werkgever.
(vii) [eiseres] heeft op 8 november 2010 aangifte gedaan van mishandeling door [verweerder] op verschillende momenten, waaronder in de nacht van 25 op 26 augustus 2009. Over het incident in die bewuste nacht heeft zij het volgende verklaard:
“Op een gegeven moment gingen we naar bed en toen ik in bed lag wilde ik opheldering van [verweerder] over het gesprek aan tafel. Ik vertelde hem wat ik ervan vond maar hij kon zich er niet in vinden. Ik was erg emotioneel en verdrietig. Opeens keerde [verweerder] mij de rug toe in bed en wilde gaan slapen. Dit maakte me woedend en kwaad. Ik [had] hem op dat moment nodig maar hij keerde me gewoon de rug toe. Hij liet me gewoon huilen en deed er niets mee of aan. Ik werd op een gegeven moment zo boos dat ik tegen hem schreeuwde dat hij uit bed moest gaan. Ik was echt woedend en meende het. Alle woede van deze relatie kwam er toen opeens uit. Ik heb toen met mijn voeten geprobeerd hem uit bed te drukken. Hij wilde namelijk niet uit bed gaan.
Opeens pakte hij mijn beide benen vast. Ik ging rechtop zitten en hij liet niet los. Hij zei dat ik moest stoppen met schreeuwen. Hij pakte mij toen als het ware in een houdgreep vast. Hij had mij vast met zijn benen en armen. Volgens mij had hij zijn benen om die van mij geslagen en zijn armen sloeg hij om mijn lichaam. Ik kon geen kant op en was enorm bang. Op een gegeven moment zag ik kans om aan zijn haren te trekken. Ik raakte hem daarbij met een nagel onder zijn oog. Hij liep toen een klein schrammetje op. Dat was niet de bedoeling maar het gebeurde gewoon in de strijd. Opeens voelde ik een klap in mijn gezicht. Ik voelde die klap tegen mijn linkeroog komen. Ik kon niet zien hoe hij me sloeg maar hij deed dat in ieder geval en wel heel hard. Ik viel van die klap half uit bed. Ik voelde iets kraken in mijn hoofd en bijna direct proefde ik bloed in mijn mond. Ik voelde ook dat er kleine stukjes van mijn tanden af waren gebroken. Ik kreeg ook een enorme pijnscheut door mijn hoofd en nek. Het bloed kwam overigens uit mijn neus. Ik werd toen ook nog duizelig en misselijk. [verweerder] stopte toen en vroeg wat hij voor me kon doen. Ik heb gevraagd of hij ijs en handdoeken wilde halen. Dit deed hij ook. Ik heb de wond gekoeld en schoongemaakt en ben gaan slapen. Ik dacht dat medische zorg wel kon wachten tot de volgende morgen. Toen ik die klap had gekregen heb ik enorm hard geschreeuwd. Ik was bang dat iemand het had gehoord.”
(viii) [verweerder] is naar aanleiding van de aangifte door de politie als verdachte gehoord. Hij heeft toen onder meer het volgende verklaard:
“Over de situatie van de nacht van 25 op 26 augustus 2009 kan ik u het volgende zeggen. Ik sliep al een paar dagen op de logeerkamer maar omdat getuige [getuige] kwam logeren heb ik [eiseres] gevraagd of ik in ons bed kon slapen. [eiseres] vond dat goed. [eiseres] was heel verdrietig en we hebben een tijd liggen praten. Omstreeks 1 uur ’s morgens ben ik gaan slapen. Om een uur of half 3 ’s morgens kwam er een woede uitbarsting van [eiseres] en zij begon met haar voeten in mijn rug te trappen. Ik heb hierop haar benen gefixeerd. Ik wilde haar stoppen en heb ook geroepen ‘stop alsjeblieft’. Toen werd het rustig en vroeg ik of het ging, toen kwam de tweede golf en sloeg [eiseres] mij op mijn hoofd. Er ging een nagel langs mijn ogen, mijn huid was ook beschadigd. Ik heb hier de volgende dag ook een foto van gemaakt, toen ik me realiseerde wat er was gebeurd. Ik vond het heel bedreigend en heb in wanhoop een keer met mijn vuist achteruit gehaald. Ik voelde dat ik iets raakte. [eiseres] moet hierdoor ergens tegenaan zijn geslagen. Ik kon niets zien want het gebeurde achter mij. Ik lag op mijn zij, ik had de benen van [eiseres] vast en heb met mijn rechtervuist langs mijn rechteroor uitgehaald. Ik heb een tekening gemaakt van deze worsteling. Deze staat in mijn dagboek. Ik was het weekend voor deze gebeurtenis begonnen met het bijhouden van een dagboek. Dat was in het kader van een training die ik heb gevolgd.
U vertelt mij dat [eiseres] heeft verteld dat zij uit bed viel en met haar hoofd tegen iets aan kwam. Zij had iets horen kraken in haar hoofd.
U vraagt mij of ik weet dat zij naar de huisarts is geweest. Ik ben daarvan inderdaad op de hoogte. Ik ben later ook wel eens mee geweest naar de huisarts. De huisarts is ook met ons in gesprek gegaan over onze relatie.”
(ix) De in de hiervoor aangehaalde verklaring van [verweerder] genoemde [getuige] heeft een schriftelijke verklaring opgesteld, waarin onder meer het volgende is vermeld:
“De volgende ochtend werd ik door [verweerder] gewekt. Hij had het ontbijt klaargemaakt en zei dat [eiseres] nog in bed lag omdat zij erg moe was. Hoewel ik dit vreemd vond, heb ik met hem ontbeten. Hij vertelde hoe blij hij was met mijn komst en de avond daarvoor. Het bleef aan mij knagen dat [eiseres] er niet was en vlak voor mijn vertrek zei ik dat ik naar boven ging om afscheid te nemen. Toen ik de deur van de slaapkamer opendeed draaide zij zich in bed van mij af. Ik moest naar mijn afspraak en zei dat ik haar zou bellen vanuit de auto. Toen ik dat deed vertelde zij mij dat [verweerder] haar die nacht erg had geslagen en ze veel [last] van haar hoofd had. Op mijn advies is ze diezelfde dag naar de dokter gegaan. [eiseres] bleef veel last van haar hoofd houden en eind oktober / begin november was zij zover dat zij met mij naar de politie ging om aangifte te doen.”
(x) Nadat hij in november 2011 door de advocaat van [eiseres] aansprakelijk was gesteld en de aansprakelijkstelling bij zijn WA-verzekeraar, Achmea, had gemeld, heeft [verweerder] de toedracht van het “voorval 2009”, zoals hij dat beschrijft, op schrift gesteld. [verweerder] heeft het volgende geschreven:
“Voorafgaand aan het voorval sliep ik enkele nachten op eigen initiatief in het logeerbed omdat er spanningen binnen de relatie waren. Door omstandigheden kon dit op 25 augustus niet, waarop ik [eiseres] , mijn toenmalige partner, de vraag stelde of ik in mijn eigen bed (de linkerhelft van ‘het ouderlijk bed in huis’) kon slapen met nadrukkelijk de vraag of we dat beiden aankonden. Zij heeft hier zeer bewust bevestigend op geantwoord waarna we daar, naast elkaar, zijn gaan slapen.
Tijdens deze nacht, van 25 op 26 augustus 2009, viel [eiseres] mij aan. Terwijl ik sliep begon zij, achter mijn rug liggend, als een bezetene met haar benen in mijn rug te trappen. Ik slaagde erin haar benen vast te klemmen en haar in eerste instantie te kalmeren, nog steeds op mijn zij liggend en met [eiseres] achter mijn rug. Er kwam echter een tweede aanvalsgolf, waarbij [eiseres] met haar vuisten op mijn hoofd sloeg en met een nagel over mijn gezicht krabde. Dit voelde dicht bij mijn oog en was dermate bedreigend voor mij dat ik niet anders kon dan met mijn rechterhand langs mijn rechteroor naar achteren van mij afslaan. Er waren geen voorwerpen in de direkte nabijheid waaraan zij zich kon stoten. Zij moet echter van mijn verweer zodanig geschrokken zijn dat zij terugdeinsde en (volgens eigen zeggen) met haar hoofd tegen het nachtkastje sloeg. Het gebeurde achter mijn rug, dus dat heb ik niet gezien. Er was bij [eiseres] geen uiterlijk letsel waarneembaar, maar nadat de rust in de situatie hersteld was gaf zij zelf aan dat ze zich erg pijn had gedaan. Ik heb haar vervolgens gekalmeerd en verzorgd.
De toedracht van het voorval is beschreven in mijn dagboek, dat ik geheel ontstelt direct na het voorval heb bijgewerkt, en in de verklaring die ik op 9 december heb afgelegd tijdens het verhoor in verband met de aangifte van [eiseres] .
De aangifte werd overigens op 9 december 2010 gedaan, meer dan een jaar na het voorval, op basis van wat [eiseres] zich toen van het voorval herinnerde.
Daarentegen heb ik de dag na het voorval een brief aan [eiseres] geschreven waar zij op geen enkele wijze op gereageerd heeft, en een maand later een 2e brief die ook onbeantwoord bleef.
Het proces verbaal van het verhoor is bijgesloten als bijlage 2, met aangehecht de beide brieven en tevens een foto van de krab-wond naast mijn oog die ik opliep tijdens de nachtelijke aanval in de rug door [eiseres] .”