Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
BNB2017/13 de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch vernietigd en de zaak ter verdere behandeling verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof). [4]
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
BNB2017/13 geoordeeld dat het bedrag van de ten onrechte (over het brutoloon) niet ingehouden loonheffing slechts in de heffing van de inkomstenbelasting kan worden betrokken als het bedrag aan de werknemer ten goede is gekomen op een in artikel 3.146, lid 1, Wet IB 2001 genoemde wijze: [7]
nr. 11.462, BNB 1953/220). Daarmee is naar het oordeel van het Hof gelijk te stellen de situatie dat de werknemer voldoening kan bewerkstelligen door zijn loonvordering te verrekenen met een schuld die hij aan de werkgever heeft.
€ 25.038. Daarnaast had hij per 1 januari 2008 een vordering op de BV ter zake van niet-betaald loon van 2006 en 2007 van € 84.753 (€ 42.510 + € 42.243). Dat brengt mee dat belanghebbende per saldo geen schuld aan de BV had waarmee een loonvordering kan worden verrekend. Nu geen gegevens bekend zijn over het verloop van de rekening-courant en evenmin over de termijnen waarin het loon verschuldigd wordt, is ook niet aannemelijk geworden dat op enig moment in de loop van het jaar 2008 deze rekening-courant een zodanig saldo vertoonde dat daarmee een op dat moment bestaande loonvordering kon worden verrekend. Ook is niet aannemelijk dat belanghebbende op enig moment nadien per saldo een bedrag van de BV te vorderen had.
€ 2.000, terecht zijn opgelegd. Het Hof acht deze boeten passend en geboden, ook gelet op de omstandigheid dat de aanslagen lager zijn dan waarvan de Rechtbank is uitgegaan en in het licht van de duur van de procedure. [8]
€ 99.000 en in de jaren 2008-2010 het daadwerkelijk ontvangen nettobedrag als loon heeft genoten.
3.Het geding in cassatie
Vorderbaar en inbaar in de zin van artikel 3.146 Wet IB 2001 en verrekening en betaling in het BW
azijn samengevoegd, en de minder directe vorm van genieten, namelijk het “vorderbaar en tevens inbaar zijn geworden”, onder
bafzonderlijk is geplaatst.
Ingeval een directeur-grootaandeelhouder van een besloten n.v. zijn salaris niet toucheert, gelden voor hem dezelfde regels als voor andere werknemers. Dit brengt mede dat er sprake is van “genieten”, indien vaststaat dat de n.v. krachtens de tussen partijen bestaande rechtsverhouding gehouden is het salaris uit te betalen en in feit ook in staat is aan die verplichting te voldoen. Verband met het al of niet aftrekken van dit salaris bij het berekenen van de winst voor de vennootschapsbelasting bestaat niet. Er kunnen zich evenwel gevallen voordoen waarin de directeur-grootaandeelhouder in afwijking van het bepaalde in artikel 1638
lvan het Burgerlijk Wetboek met de n.v. overeenkomt dat uitbetaling van salaris pas kan worden gevorderd na het verstrijken van een langere termijn dan in dit artikel is aangegeven. Alsdan is er - tenzij de fiscus kan bewijzen dat er van een schijnhandeling sprake is, de directeur-grootaandeelhouder alsnog een beroep doet op vorenbedoeld artikel 1638 /, of een rentevergoeding over het niet betaalde salaris is bedongen - geen sprake van genieten in de zin van het onderhavige artikel zolang de overeengekomen termijn niet is verstreken.
ijover de verpleging van inwonende werknemers geschrapt is. Omdat het artikel kan worden beschouwd als lex specialis die afwijkt van artikel 135, onder a, van Boek 6 en het niet gewenst is dat de beperking van de verrekeningsmogelijkheid die uit dat artikel voortvloeit niet zou gelden is in lid 2 uitdrukkelijk bepaald dat verrekening niet plaats vindt op het deel van het loon waarop beslag niet geldig is. Onder de huidige wet is het een zowel in de jurisprudentie als in de literatuur in verschillende zin beantwoorde vraag of beslag en compensatie beide tot hun wettelijk toegestane maximum naast elkaar mogelijk zijn dan wel de cumulatie uit de twee oorzaken beperkt is. Aangezien de ratio van de beperking ten aanzien van beslag zowel als die ten aanzien van compensatie is, te verzekeren dat de werknemer op de uitbetalingsdag de vrije beschikking krijgt over een redelijk gedeelte van zijn loon, wordt in het derde lid van het voorgestelde artikel uitdrukkelijk bepaald dat hetgeen de werkgever inhoudt uit hoofde van een op het loon gelegd beslag, in mindering komt van het voor verrekening toegelaten maximum. Lid 4 maakt een beding dat de werkgever een ruimere bevoegdheid tot verrekening geeft vernietigbaar. In de praktijk behoeft het niet te gaan om een vernietiging van het hele beding, maar om een beroep op de vernietigingsgrond in een concreet geval.
B7756 geoordeeld dat van verrekening in
rekening-courant alleen sprake van ‘verrekening’ kan zijn, wanneer over het saldo van die rekening-courant altijd beschikt kan worden: [16]
B8425 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat onder verrekenen wordt verstaan het op andere wijze dan door betaling te niet doen van een verplichting tot uitkering van een bedrag: [17]
BNB1989/71 betrof de vraag in welke volgorde in rekening-courant staande vorderingen en schulden worden verrekend. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat deze vorderingen en schulden dadelijk en van rechtswege worden verrekend: [18]
BNB2004/270 geoordeeld dat van verrekening slechts sprake is in geval van wederkerig schuldenaarschap: [19]
B7821 geoordeeld dat de schadeloosstelling (in de vorm van een tantième) niet vorderbaar en inbaar is geworden op het moment van de beëindiging van de dienstbetrekking maar op het moment dat het bedrag van die aanspraak kwam vast te staan: [20]
31 december 1938 van de dienstbetrekking, op dien datum zijn ontstaan, het bedrag van die aanspraak eerst met het bekend worden in 1940 van de uitkomsten van ’s werkgevers bedrijf kwam vast te staan, en dus eerst toen van een “vorderbare” tevens inbare inkomst kon worden gesproken;
31 December 1938 rentedragend is geworden; dat toch het besluit hier het oog moet hebben gehad op het geval, dat een liquide vordering onder genot van rente door den tot de vordering gerechtigde blijft uitstaan, en niet kan hebben bedoeld een geval als het onderhavige, waarin de rente, indien verschuldigd, naar haar bedrag eerst tegelijk met de vordering zelve vast komt te staan en dus ook eerst dan vorderbaar, tevens inbaar wordt;
B8789 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat op het ogenblik dat het loon vorderbaar en tevens inbaar wordt, moet worden aangemerkt als ter beschikking gesteld, zodat de ter zake verschuldigde loonbelasting op dat ogenblik moet worden ingehouden: [21]
BNB1953/220 overwogen dat onder ‘vorderbaar’ dient te worden verstaan dat er een recht op dadelijke betaling bestaat en dat onder ‘inbaar’ dient te worden verstaan dat als de schuldeiser [22] het verzoekt, zonder verdere vertraging betaling door de schuldenaar plaats zal vinden: [23]
BNB1953/337 heeft de Hoge Raad dit oordeel deels geherformuleerd. De Hoge Raad overwoog dat slechts van een inbare vordering kan worden gesproken indien aannemelijk is dat, als de schuldeiser zulks zou verzoeken, zonder vertraging betaling door of vanwege de schuldenaar zal plaatsvinden: [24]
BNB1958/187 geoordeeld dat een op een rekening waarover belanghebbende niet kon beschikken gedane storting van een aan belanghebbende toekomende winstaandeel, niet door belanghebbende is genoten: [25]
BNB1982/328 inzake een kinderbijslagzaak herhaald dat een bate als inbaar is aan te merken indien, als de schuldeiser hierom zou verzoeken, zonder vertraging betaling door de schuldeiser zal plaatsvinden. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het oordeel van het hof dat sprake is van een vorderbare en inbare bate onbegrijpelijk is gelet op de vaststelling dat nog geen aanvraag tot het ontvangen van kinderbijslag was ingediend, waarin besloten ligt dat nog geen opdracht tot uitbetaling was gegeven: [26]
BNB1986/49 ging het om de vraag of door uitzendkrachten niet opgevraagde vakantiebijslagen en -toeslagen tot het loon als bedoeld in artikel 10, lid 1, Wet LB 1964 behoren. De Hoge Raad oordeelt dat nu op verzoek van de uitzendkracht zonder verder vertraging betaling van de vakantiebijslagen en -toeslagen door de belastingplichtige zou plaatsvinden, deze bijslagen en toeslagen loon vormen als bedoeld in artikel 10, lid 1, Wet LB 1964: [27]
BNB1989/120 heeft de Hoge Raad overwogen dat het oordeel van het hof dat tot loon uit dienstbetrekking ook moet worden gerekend hetgeen ten onrechte als loon is ontvangen, in zijn algemeenheid niet juist is. De Hoge Raad oordeelt dat hetgeen ten onrechte is ontvangen niet tot het loon behoort wanneer de ontvanger binnen redelijke termijn blijk heeft gegeven het niet te willen behouden: [28]
BNB1989/124 overwogen dat het oordeel van het hof dat de strekking van artikel 33 Wet Pro IB 1964 geen andere is dan het bepalen van het tijdstip van het genieten in fiscale zin, in zijn algemeenheid onjuist is. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de inkomsten waartoe de belastingplichtige is gerechtigd en die hij niet heeft prijsgegeven voor het tijdstip waarop zij vorderbaar en inbaar zijn geworden, op dat tijdstip door hem zijn genoten: [29]
BNB1998/290 geoordeeld dat de uitspraak van het Hof onvoldoende inzicht biedt of uit is gegaan van de juiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘inbaar’: [30]
Van Vijfeijkenhebben over het begrip ‘inbaar’ geschreven dat het is gebaseerd op de gedachte dat de crediteur met succes betaling kan krijgen. [32]
(door middel van een verrekeningsverklaring) als voor verrekening ingevolge art. 6:140 BW Pro (verrekening in rekening-courant) [55] . Vindt de verrekening bij (of na) beeindiging van de arbeidsovereenkomst plaats, dan is art. 7:632 BW Pro niet van toepassing. In dat geval wordt een beroep op verrekening door de werkgever volledig beheerst door de algemene bepalingen van afdeling 6.1.12 BW. Gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst zijn die algemene bepalingen echter slechts van toepassing, voorzover daarvan in art. 7:632 BW Pro niet wordt afgeweken. Op verrekening door de werknemer jegens zijn werkgever is art.
7:632 BW niet van toepassing. Een beroep op verrekening door de werknemer dient steeds aan de hand van de algemene bepalingen van afdeling 6.1.12 BW te worden beoordeeld.
Tekst & Commentaarop artikel 6:127 BW Pro wordt over het vereiste van wederkerig schuldenaarschap opgemerkt: [81]
Tekst & Commentaarop artikel 7:632 BW Pro is toegelicht dat tijdens de arbeidsovereenkomst de werkgever zijn vordering op de werknemer maar in een beperkt aantal gevallen mag verrekenen met het loon dat hij verschuldigd is: [82]
Asser/Sieburghis over het vereiste dat twee personen wederkerig elkaars schuldenaar zijn, geschreven: [83]
Asser/Heerma van Vossis over het rechtskarakter van 7:632 BW opgemerkt dat het van dwingende aard is: [84]
5.Behandeling van het middel
Ten geleide
BNB2017/13 [89] geoordeeld dat het bedrag van de over een brutoloon verschuldigde loonheffing door de werknemer als loon wordt genoten door de inhouding daarvan door de werkgever. Als inhouding achterwege blijft, wordt het loon in zoverre niet door de werknemer genoten. De Hoge Raad heeft overwogen dat dit slechts anders is als dat bedrag aan de werknemer ten goede is gekomen op een andere in artikel 3.146, lid 1, Wet IB 2001 genoemde wijze. [90]
BNB1953/220 [92] overwogen dat loon inbaar is in het geval dat, als de schuldenaar [93] zulks zal verzoeken, zonder verwijl betaling door de schuldenaar zal plaatsvinden. Naar het oordeel van het Hof is daarmee gelijk te stellen de situatie dat de werknemer voldoening kan bewerkstelligen door zijn loonvordering te verrekenen met een schuld die hij aan de werkgever heeft. [94]
BNB1953/220 gegeven rechtsoordeel dat van inbaarheid sprake is indien aannemelijk is dat, als de schuldeiser daarom zou verzoeken, zonder vertraging betaling zou plaatsvinden, gelijk te stellen is met het geval waarin de werknemer voldoening kan bewerkstelligen door zijn loonvordering te verrekenen met een schuld die hij aan de werkgever heeft. [98]
B8789 overwogen dat ‘betalen’ in de zin van thans artikel 13a Wet LB 1964 op een lijn te stellen is met ‘ontvangen’ in de zin van thans artikel 3.146 Wet IB 2001. [109]
B8425 werd overwogen dat onder verrekenen, naar de gewone betekenis van het woord, moet worden verstaan het op andere wijze dan door betaling - bijvoorbeeld door schuldvergelijking - teniet doen van een verplichting tot uitkering van een bedrag. Gelet op deze overweging kan betoogd worden dat betaling en verrekening twee aparte categorieën zijn van de wijze waarop een verplichting tot uitkering van een bedrag teniet kan gaan. [116] Dit zou een aanwijzing kunnen zijn dat onder ‘inbaar’ alleen het begrip ‘betaling’ valt en niet ‘verrekening’.
B8789. In artikel 7 Besluit Pro op de Loonbelasting 1941, dat zag op het genieten van loon, werd niet afzonderlijk het geval van vorderbaar en tevens inbaar zijn, vermeld. De Hoge Raad oordeelde dat loon, dat vorderbaar en tevens inbaar is, maar nog niet uitbetaald of verrekend is, moet worden aangemerkt als ‘ter beschikking gesteld’ op het ogenblik dat het vorderbaar en tevens inbaar wordt. [117]