Conclusie
Mr. P. Vlas
Liander/KWS), heeft de Hoge Raad beslist dat de verkorte verjaringstermijn van art. 8:1793 BW Pro op dit voorval niet van toepassing is. Na vernietiging van het in cassatie bestreden arrest is de zaak verwezen naar het hof Den Haag. Het hof Den Haag heeft over de nog voorliggende geschilpunten beslist. Tegen deze uitspraak wordt thans in cassatie opgekomen.
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Subonderdeel 1.1voert daartoe aan dat het hof met zijn oordeel dat de brief van 15 november 2016 bevestigt dat mr. Van Velsen ten tijde van het tekenen van de akte van cessie daartoe bevoegd was, heeft miskend dat de bijzondere bevoegdheid tot het verrichten van beschikkingshandelingen niet ligt besloten in de aanstelling als advocaat, en/althans dat een volmacht om beschikkingshandelingen te verrichten ondubbelzinnig moet zijn of in het doel van een bijzondere volmacht besloten moet liggen, en alleen voorafgaand aan de handeling zelf kan worden verleend. Voor zover het hof de brief heeft uitgelegd als een bevestiging van een ondubbelzinnige, destijds gegeven bijzondere volmacht, is dit oordeel volgens het subonderdeel onbegrijpelijk. De brief houdt immers slechts de stelling in dat de gegeven opdracht de beschikkingsbevoegdheid meebracht en daarin valt niet een voor een bepaald doel gegeven volmacht te lezen.
Subonderdeel 1.2bouwt op subonderdeel 1.1 voort.
Subonderdeel 2.1betoogt dat het hof aldus heeft miskend dat het desbetreffende verweer van KWS inhield dat Nuon Infra West geen schade heeft. De waardevermindering van de kabel is ongedaan gemaakt door de reparatie en de kosten daarvan zijn niet voor rekening van Nuon Infra West gekomen.
Subonderdeel 2.2voert aan dat indien het hof het hiervoor aangehaalde verweer van KWS niet in aanmerking heeft genomen, het heeft miskend dat het de zaak (mede) diende te onderzoeken en beslissen op de grondslag van al hetgeen KWS aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd. Indien het hof dit verweer van KWS (impliciet) heeft verworpen, is de motivering van die verwerping onvoldoende begrijpelijk. Volgens het subonderdeel valt niet in te zien hoe het oordeel dat Liander vergoeding van de door Nuon Infra West geleden leidingschade vordert, de verwerping van het verweer dat Nuon Infra West geen schade heeft, kan dragen.
Subonderdeel 2.3betoogt dat voor zover het hof heeft gemeend dit verweer buiten beoordeling te kunnen laten in verband met de tweeconclusieregel of omdat dit verweer na cassatie en verwijzing tardief is, het heeft miskend dat partijen zijn overeengekomen in hoger beroep eerst de verjaringsvraag uit te procederen. Volgens het subonderdeel moet in een dergelijk geval worden aangenomen dat er in de voortgezette appelinstantie na cassatie en verwijzing nog wel ruimte bestaat nadere verweren te voeren. KWS heeft in het kader van deze procesafspraak ook gesteld zich het recht voor te behouden haar nadere verweren in een later stadium uiteen te zetten, aldus het middel.
Subonderdeel 2.4bouwt op de voorafgaande klachten voort.
Subonderdeel 3.1voert aan dat voor zover het hof aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd dat KWS zelf al het in redelijkheid mogelijke moet hebben gedaan om alle ter plekke aanwezige kabels en leidingen te lokaliseren op het moment dat de grondroering plaatsvindt, dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Wat van KWS ter zake kan worden gevergd, hangt af van de vraag in hoeverre KWS rekening diende te houden met de mogelijkheid dat Cor Nab niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht zou nemen en in hoeverre KWS met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen diende te treffen. Volgens het subonderdeel moet bij die beoordeling in aanmerking worden genomen in hoeverre niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid waarschijnlijk is, hoe groot de kans is dat daaruit ongevallen ontstaan, hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn, en in hoeverre het nemen van veiligheidsmaatregelen gebruikelijk en bezwaarlijk is.
[…]herhaald en overwogen dat de verjaringsregeling van art. 8:1793 BW Pro, die betrekking heeft op rechtsvorderingen tot vergoeding van schade door een schadevaring en die strekt ter bescherming van de aansprakelijk gestelde persoon, in een geval van samenloop van onrechtmatige daad en schadevaring niet kan worden ontgaan door de vordering te baseren op onrechtmatige daad, zodat de wettelijke regeling inzake aanvaring in zoverre exclusief van toepassing is. [7] Vervolgens heeft de Hoge Raad in rov. 3.5.2 in de kern overwogen dat hoewel in deze zaak sprake is van een schadevaring, het van belang is dat de vordering van Liander tegen KWS is gestoeld op verwijten van andere aard dan die welke verband houden met het gebruik van schepen. In rov. 3.5.2 heeft de Hoge Raad daaromtrent het volgende overwogen:
[…]-arrest niet opgaat. Na cassatie en verwijzing diende het verwijzingshof de vraag te beantwoorden of KWS een zelfstandige onrechtmatige daad viel te verwijten, welke vraag het hof Amsterdam in zijn arrest van 18 juni 2013 – het vóór cassatie gewezen arrest – ten onrechte in het midden had gelaten.
Eneco/Van Baarsen. [12] In die zaak werd aannemer Van Baarsen aangesproken door kabeleigenaar GEB voor vergoeding van de schade toegebracht aan twee kabels tijdens het uitvoeren van werkzaamheden. De aannemer had informatie ontvangen van haar opdrachtgever PTT over de ligging van kabels in het gebied waar de werkzaamheden werden verricht. In de door PTT verstrekte gegevens ontbrak echter informatie over de ligging van de twee aan GEB toebehorende kabels. In rov. 3.6 heeft de Hoge Raad ten aanzien van de onderzoeksplicht van de aannemer als volgt overwogen:
Subonderdeel 5.1acht het oordeel van het hof onjuist dat KWS dient te worden veroordeeld tot vergoeding van het gevorderde schadebedrag, vermeerderd met wettelijke rente over de ‘gecumuleerde hoofdsom’. Het middel voert daartoe aan dat de vordering van Liander hooguit kan worden toegewezen voor het gedeelte dat KWS aangaat in haar onderlinge (regres)verhouding met Cor Nab, welke partijen hoofdelijk zijn verbonden jegens Liander. Dit om te voorkomen dat KWS regres kan nemen op Cor Nab, waarmee langs indirecte weg (in verband met art. 6:11 lid 3 BW Pro) alsnog het resultaat wordt bereikt dat de wetgever met de bijzondere verjaringstermijn van art. 8:1793 BW Pro nu juist beoogde te voorkomen. [29] Subonderdeel 5.2voert aan dat voor zover het hof heeft gemeend het in subonderdeel 5.1 aangehaalde verweer van KWS buiten beoordeling te kunnen laten, het heeft miskend dat partijen zijn overeengekomen in hoger beroep eerst de verjaringsvraag uit te procederen.
Subonderdeel 5.3betoogt dat het hof door niet (kenbaar) in te gaan op dit verweer van KWS heeft miskend dat het de zaak (mede) diende te onderzoeken en beslissen op de grondslag van al hetgeen KWS aan haar verweer ten gronde heeft gelegd, dan wel dat de motivering niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen indien het verweer van KWS (impliciet) door het hof is verworpen.
Subonderdeel 6.1betoogt dat het hof met zijn veroordeling van KWS tot voldoening aan Liander van de rente over de ‘gecumuleerde hoofdsom’ heeft miskend dat geen vergoeding van vertragingsschade (in de vorm van rente) kan worden toegewezen voor het te laat betalen van een bedrag zolang niet is geoordeeld dat het desbetreffende bedrag zelf verschuldigd is. Het hof heeft immers alleen ten aanzien van het afgesplitste deel van € 5001,- vastgesteld dat dit verschuldigd is.
Subonderdeel 6.2voert een klacht aan tegen rov. 18 voor het geval het hof het verweer van KWS dat zij de gestelde omvang van de schade heeft bestreden voor zover deze meer zou bedragen dan € 5001,-, niet in zijn beoordeling heeft betrokken, dan wel voor het geval het hof dit verweer (impliciet) heeft verworpen.
Subonderdeel 6.3betoogt dat het hof heeft miskend dat de gecumuleerde hoofdsom reeds een rentecomponent bevat. Het hof heeft met zijn oordeel dat de rente eerst verschuldigd is per 16 november 2010 en dat rente wordt toegewezen over de gecumuleerde hoofdsom inclusief de daarin begrepen rente van vóór 16 november 2010, een innerlijk tegenstrijdige uitspraak heeft gedaan.