Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
best practice-regel. De richtlijn is immers, naar tussen partijen vast staat, vastgesteld met het oog op de inwerkingtreding van de WION door een breed samengesteld, technisch geschoold gezelschap waarin zowel opdrachtgevers, (grotere) grondroerders als beheerders vertegenwoordigd waren. Dat kleine grondroerders zoals [verweerster] niet vertegenwoordigd waren doet aan de waarde van die richtlijn niet af. Het gaat echter te ver om uit de richtlijn af te leiden dat in de branche algemeen bekend is dat de wettelijk vereiste nauwkeurigheid van de kaarten niet haalbaar is en dat daaruit zou volgen dat het niet opvolgen van bedoeld advies zonder meer onzorgvuldig is.”
best practiceis. [verweerster] is er van uit gegaan dat de kabel ook voor de rest van het traject aan de straatzijde van de oude damwand zou liggen, overeenkomstig hetgeen op de tekening was aangegeven. De schade kon ontstaan omdat de kabel daar ter plaatse toch onder de oude damwand doorliep. De tekening voldeed op dat punt niet aan de nauwkeurigheid die [verweerster] op grond van de (lees: het) BION mocht verwachten. Er waren voor [verweerster] geen concrete aanwijzingen dat de tekening in dit geval mogelijk niet aan die eisen zou voldoen (bijvoorbeeld wegens recente terreinveranderingen of bekende obstakels in de grond).”
best practiceuit de richtlijn mee, dat het enkele gegeven dat de kabel niet binnen de één meter-grens lag niet voldoende is voor de conclusie dat de grondroerder niet aansprakelijk is. Het zal daarbij blijven aankomen op de feitelijke situatie.”
Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 2.1klaagt dat de oordelen in rov. 3.8.2, 3.8.4 en 3.8.5 van een onjuiste rechtsopvatting getuigen, nu het hof de strekking en betekenis van de WION en het BION heeft miskend: de daarin vervatte normen zouden geen verandering brengen in het reeds bestaande civielrechtelijke toetsingskader met betrekking tot de zorgplicht van de grondroerder, dat inhoudt dat de grondroerder de zorgvuldigheid moet betrachten die in redelijkheid van hem mag worden verwacht;
subonderdeel 2.2klaagt dat het hof in rov. 3.8.3 van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven omtrent de betekenis van de Richtlijn zorgvuldig graafproces. Onder meer heeft het hof de Richtlijn ten onrechte slechts gekenschetst als
best practiceen deze niet verder meegewogen;
subonderdeel 2.3klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 3.8.4 en 3.8.5 dat [verweerster] niet onzorgvuldig heeft gehandeld, rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is, omdat dit strijdig is met in de jurisprudentie ontwikkelde normen omtrent de verplichting van de grondroerder om kabels te lokaliseren;
subonderdeel 2.4klaagt dat het hof op enkele punten, namelijk in rov. 3.3, 3.8.4 en 3.8.3, van onjuiste feitelijke vaststellingen is uitgegaan;
subonderdeel 2.5is een voortbouwende klacht.
3.1 Algemeen
plaatsenvan deze proefsleuven en de
afstanddaartussen; [61] indien hierover geen afspraken met de opdrachtgever of netbeheerder zijn gemaakt, zal de grondroerder zich moeten laten leiden door zijn kennis, kunde en ervaring. [62] Daarbij zal hij rekening moeten houden met bijzondere kenmerken van het terrein en andere factoren die eraan kunnen bijdragen dat kabels anders liggen dan aangegeven. Volgens de Richtlijn gaat het daarbij bijvoorbeeld om obstakels (zoals boomwortels), om eerder ter plaatse uitgevoerde werkzaamheden, om lussen in kabels die voor een verbindingslas (mof) kunnen liggen en om kruisingen met en lassen in kabels hoger of naast de ligging. Bijzondere alertheid is geboden wanneer zich wijzigingen hebben voorgedaan in de (terrein)situatie, aldus de Richtlijn. Uit de Richtlijn maak ik verder op dat ook geen regels zijn gegeven voor het
aantalproefsleuven dat moet worden gegraven: de Richtlijn schrijft slechts voor dat “voldoende proefsleuven” moeten worden gegraven. [63]
Wanneer proefsleuven?
verticale grondboring, sonderingof het
aanbrengen van palen en damwandplanken:
omvangvan de te graven proefsleuven schrijft de Richtlijn voor dat deze aan weerszijden van de theoretische ligging van de kabel [65] één meter lang moeten zijn. Wordt de kabel of leiding echter niet binnen die strook aangetroffen, dan moet de grondroerder volgens de Richtlijn wachten met het uitvoeren van de graafwerkzaamheden en de netbeheerder waarschuwen. [66] Wordt de kabel alsnog aangetroffen op een plaats die meer dan een meter van de tekening afwijkt, dan moet dat (overeenkomstig art. 17 WION Pro) aan de netbeheerder worden doorgegeven. Van Velsen heeft erop gewezen dat deze marges zeer klein zijn, nu de schaal van de verstrekte tekeningen 1:500 en vaak nog 1:1000 bedraagt; een afwijking van 1 meter vertaalt zich dus in 1 of 2 millimeter op de tekening. [67] Wel is duidelijk dat de Richtlijn niet uitgaat van de genoemde, in de literatuur onwenselijk geachte interpretatie van art. 5 lid 2 BION Pro, inhoudende dat de grondroerder aan zijn wettelijke plicht zou hebben voldaan als hij één meter aan weerszijden van de theoretische ligging van de kabel heeft gezocht en daar niets heeft aangetroffen (hiervoor randnummers 3.16-3.17). Volgens de Richtlijn kan de grondroerder daarmee niet volstaan, maar moet hij in zo’n geval wachten met zijn werkzaamheden en actie ondernemen door de beheerder te waarschuwen. [68] Naar ik aanneem, zal de grondroerder ook zelf buiten de bandbreedte verder mogen zoeken tot de kabel is gevonden; wat in elk geval niet mag, is beginnen met de werkzaamheden met het risico dat de niet gevonden kabel wordt beschadigd.
subonderdelen 2.1 en 2.2bespreken.
sub-subonderdeel 2.1-I); niet de WION is dus het relevante toetsingskader, maar de zorgplicht zoals die in de rechtspraak is ontwikkeld (
sub-subonderdeel 2.1-II). Voor zover het hof ervan is uitgegaan dat de WION een verlichting van de zorgplicht van de grondroerder tot gevolg heeft, is dat oordeel dus rechtens onjuist (
sub-subonderdelen 2.1-III en 2-VII). Dat de feitelijke ligging van de kabel meer dan één meter afweek van de tekening, doet dan ook niet ter zake voor de beoordeling of [verweerster] aan haar zorgplicht heeft voldaan (
sub-subonderdeel 2.1-IV); het hof heeft de strekking van art. 5 lid 2 BION Pro dus onjuist geduid (
sub-subonderdeel 2.1-V). Aan het feit dat Liander niet aan art. 5 lid 2 BION Pro heeft voldaan, kan geen rechtsgevolg worden verbonden, omdat het voor Liander onmogelijk is om aan de eis van die bepaling te voldoen (
sub-subonderdeel 2.1-VIII); zodoende kan het niet voldoen aan die eis ook geen eigen schuld van Liander opleveren (
sub-subonderdeel 2.1-IX).
Sub-subonderdeel 2.1-Xis een veegklacht.
subonderdeel 2.1niet kunnen slagen, omdat zij uitgaan van een onjuiste lezing van het arrest. Mijns inziens heeft het hof niet, zoals door het subonderdeel tot uitgangspunt wordt genomen, geoordeeld dat met de WION een verlichting in de zorgplicht van de grondroerder is opgetreden ten opzichte van het voordien geldende regime. Evenmin heeft het hof het feit dat de feitelijke ligging van de kabel meer dan één meter afweek van de tekening van doorslaggevende betekenis geacht, in die zin dat [verweerster] vanwege dat enkele feit niet in haar zorgplicht zou zijn tekortgeschoten en daarmee vrijuit zou gaan. Ik werk dit nader uit.
best practiceuit de Richtlijn mee, dat het enkele gegeven dat de kabel niet binnen de in art. 5 lid 2 BION Pro bedoelde één meter-grens lag niet voldoende is voor de conclusie dat de grondroerder niet aansprakelijk is. Ik meen dat het hof hiermee geen onjuiste weergave heeft gegeven van achtergrond en gevolgen van invoering van de WION. Zoals hiervoor (randnummer 3.11) is besproken, is met de WION beoogd meer evenwicht te brengen in de verhouding tussen kabelbeheerder en grondroerder en rust nu ook op de beheerder een wettelijke verplichting, namelijk om informatie te verstrekken, die zo nauwkeurig mogelijk dient te zijn. Ook is hiervoor reeds aangegeven dat deze nieuwe eisen naar mijn mening op zichzelf geen verandering betekenen voor de aansprakelijkheid van grondroerders: hun verplichting om zorgvuldig te graven is voorop blijven staan. Tegen die achtergrond zou rov. 3.8.5 onjuist zijn wanneer het hof heeft bedoeld dat de zorgvuldigheidsnormen voor grondroerders met de invoering van de WION zijn versoepeld. De bestreden overweging kan echter ook aldus worden gelezen dat een nauwkeurige aanduiding van de kabels op de kaart leidt tot minder graafschades en dat de grondroerder om die reden minder vaak aansprakelijk zal zijn dan voorheen. Voor deze lezing pleit dat het hof op de overweging over de aansprakelijkheid in rov. 3.8.2 uitdrukkelijk laat volgen dat het bij de beoordeling of de grondroerder voldoende zorgvuldig heeft gehandeld net als voorheen aankomt op een weging van alle omstandigheden van het geval en dat het enkele gegeven dat de kabel niet binnen de één meter-grens ligt niet voldoende is voor de conclusie dat de grondroerder niet aansprakelijk is. Aldus begrepen is het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, zodat het uiteindelijke oordeel van het hof de toets der kritiek kan doorstaan. De
sub-subonderdelen 2.1-I tot en met 2.1-IV, die inhouden dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de grondroerder na inwerkingtreding van de WION, treffen dus geen doel.
sub-subonderdelen 2.1-V, 2.1-VI en 2.1-VIIvergeefs zijn voorgesteld. Evenmin heeft het hof rechtsgevolgen verbonden aan het feit dat de tekening van Liander minder nauwkeurig was dan art. 5 lid 2 BION Pro vereist, zodat de
sub-subonderdelen 2.-I-VIII en IXniet kunnen slagen.
subonderdeel 2.1-Xeveneens.
subonderdeel 2.1vergeefs is voorgesteld.
Sub-subonderdeel 2.2-Iricht zich tegen de vaststelling van het hof dat het betoog van Liander er in feite toe zou strekken dat uit de Richtlijn is af te leiden dat de wettelijke eis van één meter nauwkeurigheid niet haalbaar is. Volgens het sub-subonderdeel heeft Liander dat laatste inderdaad betoogd, maar is daarbij geen verband gelegd met de Richtlijn. Het hof heeft de stellingen van Liander op dit punt dus verkeerd weergegeven (
sub-subonderdeel 2.2-II). Verder zou het hof van een onjuiste rechtsopvatting zijn uitgegaan door te oordelen dat het niet opvolgen van de Richtlijn niet zonder meer onzorgvuldig is (
sub-subonderdeel 2.2-III), althans heeft het hof de Richtlijn ten onrechte slechts als
best practicebetiteld en deze niet kenbaar in zijn beoordeling betrokken (
sub-subonderdeel 2.2-IV). Ook de in de Richtlijn vervatte regel dat bij graafwerkzaamheden een gebied van 1,5 meter aan weerszijden van de graaflocatie op de aanwezigheid van kabels moet worden onderzocht, heeft het hof ten onrechte slechts als
best practiceaangemerkt (
sub-subonderdeel 2.2-V).
sub-subonderdelen 2.2-I en 2.2-IIfaalt bij gebrek aan belang. Liander heeft immers wel degelijk – zoals sub-subonderdeel 2.2-I ook aanvoert – betoogd dat de wettelijk vereiste nauwkeurigheid van de tekeningen niet haalbaar is. [78] Ook heeft Liander betoogd dat de Richtlijn tot uitgangspunt dient te strekken bij de beoordeling van het handelen van [verweerster], nu deze de opvattingen van de sector weergeeft. [79] Deze beide stellingen maken dus deel uit van het partijdebat en het hof heeft ze ook los van elkaar beoordeeld (de betekenis van de Richtlijn mede in rov. 3.8.4 en het niet haalbaar zijn van de vereiste nauwkeurigheid in rov. 3.8.4 en 3.8.5). Dat het hof de beide stellingen in rov. 3.8.3 ook in onderling verband heeft besproken, doet aan de begrijpelijkheid van zijn oordeel dus niet af; evenmin heeft het hof blijk gegeven van een te beperkte opvatting van de stellingen van Liander. De klacht mist dus belang.
best practiceof een ‘advies’, althans de Richtlijn verder niet kenbaar in zijn beoordeling betrokken (
sub-subonderdelen 2.2-III, IV en V). Sub-subonderdelen 2.2-IV en 2.2-V voeren ter onderbouwing aan dat de Richtlijn moet worden gezien als een in de sector geldende invulling van de algemene verplichting tot zorgvuldig graven; de instructie om bij het inslaan van damwanden de binnen een gebied aan weerszijden van 1,5 meter van de damwand aanwezige kabels te lokaliseren is dan ook geen
best practicemaar een uit de zorgplicht van de grondroerder voortvloeiende verplichting.
best practiceof advies en niet als uit de zorgvuldigheid voortvloeiende verplichting, en dat het hof het niet opvolgen van de instructie door [verweerster] ook overigens niet kenbaar in zijn beoordeling heeft meegewogen.
best practice-regel is te beschouwen, zonder deze kwalificatie nader toe te lichten. Uit
sub-subonderdeel 2.2-Vmaak ik op dat die kwalificatie wordt bestreden op de grond dat hiermee het gezag en de juridische status van de Richtlijn worden miskend. Het begrip
best practicekan worden gedefinieerd als ‘werkmethode die in de praktijk de beste is gebleken en daarom voortaan als richtlijn dient’. [80] Dit lijkt op zichzelf een juiste duiding van de betekenis van de Richtlijn: deze beoogt immers een werkwijze te bieden voor het verrichten van het onderzoek waartoe art. 2 lid 2 WION Pro de grondroerder verplicht. [81] Voor zover de klacht gericht is tegen het gebruik van de term ‘best practice’ faalt zij daarom. Voor zover bedoeld wordt te klagen dat het hof de Richtlijn ten onrechte niet als gezaghebbend heeft gezien, faalt die klacht eveneens. Het hof heeft in rov. 3.8.3 immers overwogen dat de Richtlijn is vastgesteld door een breed samengesteld, technisch geschoold publiek waarin (kort gezegd) alle spelers vertegenwoordigd waren. Het hof overweegt daarbij nadrukkelijk dat het feit dat kleine grondroerders als [verweerster] niet vertegenwoordigd waren aan de waarde van de Richtlijn niet afdoet (hierover verder randnummer 3.50). Hiermee heeft het hof mijns inziens tot uitdrukking gebracht dat de Richtlijn en de daarin vervatte instructies gezaghebbend zijn en derhalve serieus moeten worden genomen. Dat betekent niet, zoals subonderdeel 2.2-III betoogt, dat het niet opvolgen van de Richtlijn zonder meer als onzorgvuldig zou moeten worden beschouwd; het komt immers aan op de vraag wat onder de omstandigheden van het geval kon worden verwacht. Daarbij zal het niet-opvolgen wel het nodige gewicht in de schaal leggen, maar valt niet uit te sluiten dat dat onder omstandigheden verschoonbaar zal zijn (zie ook rov. 3.8.1, 3.8.2 en hiervoor randnummers 3.29- 3.30). Ik meen dat de klachten van
subonderdelen 2.2-III en 2.2-Vdat het hof de juridische status van de Richtlijn en de daarin vervatte instructies heeft miskend daarom geen doel treffen.
best practiceis.” Het hof heeft daar echter op laten volgen dat [verweerster] er in dit geval vanuit mocht gaan dat de kabel ook voor de rest van het traject zou lopen zoals op de tekening aangegeven, omdat de omstandigheden ter plaatse daarop wezen. Het hof heeft het niet opvolgen van de instructie uit de Richtlijn dus wel kenbaar in zijn overweging betrokken, maar geoordeeld dat het niet opvolgen van die instructie in dit geval niet tot aansprakelijkheid leidt. Of dat laatste oordeel begrijpelijk is, komt aan de orde bij de bespreking van subonderdeel 2.3 (hierna randnummers 3.40 e.v.). Hierop stuit de klacht van
sub-subonderdeel 2.2-IVaf.
subonderdeel 2.2.
sub-subonderdeel 2.3-I). Uit die jurisprudentie volgt dat [verweerster] er, anders dan het hof heeft geoordeeld, niet vanuit had mogen gaan dat de kabel zou lopen zoals op de tekening aangegeven (
sub-subonderdeel 2.3-III); de omstandigheden ter plaatse wezen hier ook niet op (
sub-subonderdeel 2.3-IV). ’s Hofs oordeel is bovendien niet te rijmen met zijn eigen vooropstelling in rov. 3.8.1 inhoudende dat de inwerkingtreding van de WION inhoudelijk niets aan de toepasselijke maatstaf veranderd heeft (
sub-subonderdeel 2.3-V). Het hof heeft bovendien ten onrechte belang toegekend aan de bezwaarlijkheid van het te verrichten onderzoek: dat doet niet ter zake (
sub-subonderdelen 2.3-VI, 2.3-VII en 2.3-XIV [82] ). Een specifieke klacht wordt gericht tegen de vaststelling van het hof dat de afstand tussen de proefsleuven 75 centimeter is geweest. Dat is volgens Liander door geen van beide partijen gesteld (
sub-subonderdeel 2.3-II).
sub-subonderdelen 2.3-I, 2.3-III en 2.3-IVterecht over dit oordeel. Zoals hiervoor (randnummer 3.8) is besproken, vloeit uit de jurisprudentie over de zorgplicht van de grondroerder voort dat deze de kabels, die volgens de tekeningen op de graaflocatie aanwezig zouden moeten zijn, daadwerkelijk zal moeten vinden. Daarbij moet rekening worden gehouden met mogelijke afwijkingen in de ligging, zodat het, uiteraard afhankelijk van de omstandigheden, onvoldoende kan zijn om de locatie van de kabel op enkele ver uiteen gelegen plaatsen vast te stellen en uit die gegevens het verdere verloop af te leiden. Ook het hof heeft dat in rov. 3.8.5 tot uitgangspunt genomen. Desondanks heeft het hof geoordeeld dat er in dit geval ‘zoveel omstandigheden’ waren die erop wezen dat de kabel verder liep zoals op de tekening aangegeven dat [verweerster] daar vanuit mocht gaan. Anders dan het hof, en met sub-subonderdeel 2.3-IV, meen ik echter dat geen van de bijeengebrachte omstandigheden (hiervoor randnummer 3.41) een positieve aanwijzing vormt voor de aanname dat de kabel ook verder aan de straatzijde van de damwand zou lopen. Dat op de tekening niet stond aangegeven dat de kabel onder de damwand doorliep, kan die aanname immers op zichzelf niet rechtvaardigen. Om te beginnen staat vast – daarvan is ook het hof in rov. 3.8.4 uitgegaan – dat de oude damwand, zoals gebruikelijk, in het geheel niet op de tekening stond aangegeven. Het feit dat op de tekening niet te zien was dat de kabel onder die damwand doorliep, kan dus niet als een (Liander aan te rekenen) onnauwkeurigheid worden gezien. Het hof lijkt er dus vanuit te zijn gegaan dat de (voor [verweerster] niet te verwachten) onnauwkeurigheid gelegen is in het feit dat op de tekening niet stond aangegeven dat de kabel op de bewuste plaats een bocht maakte. Wat mij betreft kan die omstandigheid niet het oordeel dragen dat [verweerster] erop mocht vertrouwen dat de kabel niet onder de damwand door zou lopen: zoals hiervoor (randnummers 3.16 en 3.26 e.v.) is besproken, stelt de WION weliswaar eisen aan de nauwkeurigheid van de door de beheerder aan te leveren gegevens, maar ontslaat dat de grondroerder niet van zijn onderzoeksplicht. Dat betekent dat ook thans de grondroerder de kabel nog steeds zal moeten vinden, waarbij het in beginsel niet voldoende is om een of enkele proefsleuven te graven en op basis daarvan het verdere verloop te extrapoleren. Daarmee verdraagt zich niet dat, zoals het hof tot uitgangspunt neemt, de grondroerder in beginsel mag uitgaan van een kaart die tot op een meter nauwkeurig is.
sub-subonderdeel 2.3-IV, dat niet duidelijk is geworden waarom het hof meent dat [verweerster] er in redelijkheid vanuit mocht gaan dat de kabel in ieder geval niet onder de damwand door zou lopen. Het oordeel dat [verweerster] aan haar zorgplicht heeft voldaan, is daarom ontoereikend gemotiveerd.
Sub-subonderdeel 2.3-IVslaagt dus.
sub-subonderdelen 2.3-VI, 2.3-VII en 2.3-XIVterecht klagen over het oordeel dat het verrichten van nader onderzoek tijdrovend en kostbaar en daarmee bezwaarlijk zou zijn geweest. Mijns inziens wijst sub-subonderdeel 2.3-VI er terecht op dat de WION de grondroerder verplicht om te lokaliseren, waarbij kosten in beginsel geen relevante factor zijn, en dat de WION de opdrachtgever bovendien verplicht om dat onderzoek ook financieel mogelijk te maken. [87] Volgens de Richtlijn houdt het lokaliseren in, dat zoveel proefsleuven moeten worden gegraven als nodig is om het verloop van de kabel vast te stellen, omdat het afleiden van dat verloop uit enkele middels proefsleuven vastgestelde locaties riskant is. Dat betekent niet dat, zoals het hof in het onderhavige geval tot uitgangspunt heeft genomen, het verloop van de kabel slechts door ‘uitgebreid en intensief’ onderzoek kan worden vastgesteld. Liander heeft immers gesteld dat het voorsteken met een schop zou hebben volstaan, en dat er dus geen sprake van is dat de kabel geheel had moeten worden vrijgegraven. [88] De
sub-subonderdelen 2.3-VII en 2.3-XIVwijzen daar terecht op. Ten slotte kan het oordeel niet worden gedragen door de overweging van het hof die inhoudt dat het geen zin had gehad om enkele meters verderop (ik begrijp: ten opzichte van de plaats van de tweede proefsleuf) nog een proefsleuf te graven, omdat de kabel daar immers weer aan de straatzijde van de damwand zou zijn aangetroffen. Zoals
sub-subonderdeel 2.3-XIVaanvoert, had [verweerster] immers ook een extra proefsleuf op een kortere afstand van de tweede proefsleuf kunnen graven, waarbij de kabel dan
nietzou zijn aangetroffen (volgens [verweerster] maakte de kabel immers ca. 30 centimeter na de tweede proefsleuf de bocht onder de damwand door). Dat zou dan alarmbellen hebben moeten doen rinkelen en aanleiding moeten geven tot verder (graaf)onderzoek of het inseinen van de netbeheerder.
Sub-subonderdelen 2.3-VI, 2.3-VII en 2.3-XIVzijn dus terecht voorgesteld.
sub-subonderdeel 2.3-IIslaagt dus.
subonderdeel 2.3terecht zijn voorgesteld.
Sub-subonderdeel 2.4-Ifaalt dus.
Sub-subonderdeel 2.4-IImist dus belang.
sub-subonderdeel 2.4-IIIfaalt daarom bij gebrek aan belang.
subonderdeel 2.4zijn dus vergeefs voorgesteld.