Conclusie
1.Feiten en procesverloop
De stelling dat hij destijds over onvoldoende draagkracht beschikte om de onderhoudsbijdrage te voldoen heeft de man evenmin voldoende onderbouwd. De man heeft slechts zijn belastingaangiftes vanaf 2005 overgelegd. De daarmee corresponderende aanslagen ontbreken evenwel, zodat het hof niet goed kan vaststellen wat zijn precieze inkomsten in die jaren waren. Ook heeft de man geen nadere gegevens ten aanzien van zijn toenmalige lasten overgelegd. Dat het hier gaat om een periode die deels ver in het verleden ligt, ontslaat de man niet van zijn verplichting die onderbouwing te verschaffen. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat de beschikking van de rechtbank Almelo vanaf de aanvang niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. Het hof zal het verzoek van de man tot wijziging van de onderhoudsbijdrage in zoverre dan ook afwijzen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
in Nederlandin de periode vanaf 2005, het ten eerste miskent dat de BCN onder de Nederlandse rijksoverheid valt, nu Bonaire een deelgemeente van Nederland is. Ten tweede miskent het hof daarmee dat de inkomensverklaringen die BCN afgeeft, het gehele inkomen en vermogen van de betrokkene
in Nederland(dus: Nederland én Bonaire) weergeven. Dit alles had het hof desnoods met ambtshalve aanvulling van rechtsgronden op grond van art. 25 Rv Pro. moeten toepassen en oordelen, aldus het onderdeel.
lasten over de jaren vanaf 2004 onvoldoende heeft toegelicht”, in combinatie met de achtste volzin van rov. 5.5 (“
Ook heeft de man geen nadere gegevens ten aanzien van zijn toenmalige lasten overgelegd.”) heeft bedoeld te oordelen dat het niet in staat is een draagkrachtberekening te maken omdat de man geen stukken ten aanzien van zijn lasten heeft overgelegd. Uit de door de man overgelegde inkomensverklaringen van de BCN blijkt immers evident dat de man zeker vanaf 2005 in Nederland en Bonaire een inkomen heeft genoten van ver onder de bijstandsnorm, en zelfs helemaal geen inkomen had in de jaren 2005-2007. Gelet op die gedingstukken is het rechtens onjuist (want in strijd met het 90%-criterium) en tevens zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk dat het hof inzicht in de lasten van de man essentieel heeft geacht voor het maken van een draagkrachtberekening, nu uit het voorgaande geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat het inkomen van de man vanaf 2005 ver onder de bijstandsnorm lag, zodat aan de berekening van de lasten niet eens kan worden toegekomen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is dus onbegrijpelijk dat het hof niet heeft geoordeeld dat een inzicht in zijn lasten niet (meer) ter zake doende is, aldus het onderdeel.
zowelbetrouwbare gegevens over zijn inkomsten
alsgegevens over zijn lasten ontbraken. Daaruit kan niet worden geconcludeerd tot het door het onderdeel gehanteerde uitgangspunt, namelijk dat het hof inzicht in de lasten van de man in alle gevallen, ook bij het ontbreken van enige inkomsten, essentieel heeft geacht om te kunnen komen tot een oordeel over de draagkracht van de man in kwestie. Het onderdeel kan dan ook – los van de gegrondbevinding van onderdeel 2 en de daaraan toekomende doorwerking in het oordeel van het hof over de hier aan de orde zijnde draagkracht van de man en de vraag of er aanleiding bestond de onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht te verlagen – niet slagen.
onderdeel 8bevat een voortbouwende klacht. Deze klacht behelst dat de gegrondbevinding van (een van) de voorgaande klachten ook hetgeen het hof in rov. 5.8 en 5.9 heeft overwogen, raakt – waarin het hof oordeelt dat de voorwaarde waaronder het incidenteel appel is ingesteld, in vervulling gaat, maar dat het verzoek van de man ook in hoger beroep moet worden afgewezen nu de grieven van de man niet slagen, alsmede dat uit voornoemde oordelen volgt dat de man tot en met 25 augustus 2015 was gehouden de uit de beschikking van de rechtbank Alkmaar van 25 januari 1994 voortvloeiende onderhoudsbijdragen aan de vrouw te voldoen – en het dictum.