“In het dossier kan worden gelezen dat de feiten direct verband houden met de verslaving van [verdachte]. [verdachte] onderneemt pogingen om van zijn verslaving en de daarmee samenhangende strafbare feiten af te komen.
Op 8 januari 2016 heeft uw hof de zaak voor de eerste maal behandeld en besloten om [verdachte] nog een kans te geven en een nieuw reclasseringsadvies af te wachten. In het voorjaar van 2016 is [verdachte] nog kort in een verslavingskliniek opgenomen geweest. Hij is na een week weggestuurd omdat hij nog eigen medicatie in bezit had, een feit dat [verdachte] overigens zelf bij de behandelaren had gemeld. [verdachte] heeft zich nadien zo goed en zo kwaad als het ging staande gehouden.
Op 27 juni 2016 is [verdachte] aangehouden ter zake van verdenking van een winkeldiefstal. [verdachte] heeft dit feit steeds betwist, desondanks
duurde de voorlopige hechtenis voort. Geconfronteerd met deze voortduring heeft de verdediging de rechter-commissaris gevraagd om enige getuigen te horen. Dit verzoek is afgewezen tegen welk besluit bezwaar is gemaakt, waarop uiteindelijk op de zitting van de meervoudige kamer van 7 oktober 2016 een beslissing is genomen (de betreffende getuigen worden op 17 januari 2017 gehoord bij de rechter-commissaris). Op dezelfde datum heeft de rechtbank beslist dat de voorlopige hechtenis met ingang van 10 oktober 2016 zal worden geschorst. [verdachte] dient zich onder toezicht van de reclassering te stellen en dient urinecontroles te ondergaan teneinde te controleren of hij zich inderdaad van het gebruik van verdovende middelen onthoudt.
Zoals uit de reclasseringsrapportage blijkt, heeft [betrokkene 1] geadviseerd om een ISD- maatregel op te leggen. Op dit moment is geheel niet duidelijk of een en ander zal plaatsvinden. Dit zal mede afhankelijk zijn van de omstandigheid of het strafbare feit waarvan [verdachte] wordt verdacht, bewijsbaar is.
[verdachte] heeft een behoorlijke documentatie. Hierbij moet worden aangetekend dat de laatste feiten waarvoor hij is veroordeeld dateren van november 2014, de feiten die in deze hoger-beroepzaak worden behandeld. (Een opgelegde boete van € 300,00 wegens overtreding van de Wet wapens en munitie - een aansteker die op een vuurwapen lijkt - is in dit verband minder relevant. Dit is een feit van 20 november 2015. )
[verdachte] doet verwoede pogingen om zich aan zijn verslaving te ontworstelen en doet alles om zijn huidige woning, die hij nog steeds kan huren, te behouden.
Zoals uit de reclasseringsrapportage blijkt, hebben ze weinig tot geen vertrouwen in een gunstig verloop. Dit is voor [verdachte] een zeer teleurstellende ervaring.
Aan de andere kant kan [verdachte] nu sinds 10 oktober 2016 weer laten zien dat het hem wel menens is om van verdovende middelen af te blijven. Het toezicht van de reclassering, gecombineerd met de urinecontroles, maakt dit meetbaar. In dit traject zal [verdachte] hoopvol en realistisch moeten zijn. Hij moet laten zien dat het wel degelijk anders kan.
Een gevangenisstraf van opgeteld 5,5 maand zal dit proces ernstig doorkruisen. Wanneer uw hof besluit om de zaak toch af te doen, wil ik u in overweging geven om [verdachte] in staat te stellen om een taakstraf te verrichten. Voor wat betreft de hoogte kan aansluiting worden gezocht bij de straffen die door de rechtbank zijn opgelegd.
Mocht [verdachte], om wat voor redenen dan ook, zijn taakstraf niet kunnen voltooien, dan is het zijn verantwoordelijkheid en loopt hij het zeer grote risico dat hij alsnog een lange tijd in detentie zal moeten doorbrengen.”