Conclusie
sterk afhankelijk was van de verdachte en de medeverdachte en dus eigenlijk geen kant op kon.
eerste middelwordt geklaagd dat het hof aan de bestanddelen ‘uitbuiting’ en ‘oogmerk van uitbuiting’ een onjuiste (te ruime) betekenis heeft toegekend, althans dat de door het hof bewezenverklaarde feiten niet (in voldoende mate) uit de bewijsmiddelen volgen. Het middel lijkt daarmee primair een rechtsklacht en subsidiair een motiveringsklacht te bevatten.
tweede middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn is overschreden aangezien tussen het instellen van het cassatieberoep en het inzenden door de griffier van het hof van de stukken van het geding naar de griffier van de Hoge Raad meer dan acht maanden zijn verstreken. Volgens de steller van het middel dient tevens de duur van onderhavige procedure in zijn geheel als onredelijk lang in de zin van artikel 6 EVRM Pro te worden beschouwd.
Het hof heeft geconstateerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, in verschillende opzichten. Zowel de berechting in eerste aanleg als in hoger beroep heeft niet plaatsgevonden binnen de termijn van 24 maanden. De berechting in eerste aanleg heeft immers bijna 36 maanden geduurd en de berechting in hoger beroep heeft plaatsgevonden na ruim 27 maanden.