ECLI:NL:PHR:2018:1456

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 december 2018
Publicatiedatum
22 januari 2019
Zaaknummer
18/05122
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 510 SvArt. 139b.1 ROArt. 245 SrArt. 247 SrArt. 248a Sr
Verwijzingen
12 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanwijzing ander gerecht voor vervolging rechterlijk ambtenaar Functioneel Parket

In deze zaak is een voormalig plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket verdacht van diverse zedenmisdrijven tegen een minderjarig slachtoffer. Het Openbaar Ministerie heeft, na intern overleg en advies van het Wetenschappelijk Bureau van het OM, een verzoek ingediend bij de Hoge Raad om op grond van artikel 510 Wetboek Pro van Strafvordering een ander gerecht aan te wijzen voor de vervolging en berechting van de betrokkene.

De Hoge Raad bevestigt dat artikel 510 Sv Pro ook van toepassing is op rechterlijke ambtenaren werkzaam bij het Functioneel Parket en dat het verzoek vatbaar is voor toewijzing. De rechtbank Den Haag wordt aangewezen als het gerecht waar de vervolging zal plaatsvinden, om de schijn van bevoordeling of benadeling te vermijden. Tevens wordt besproken dat medeverdachten in deze zaak niet formeel worden gevoegd, omdat er geen sprake is van deelneming of samenhangende feiten.

De zaak onderstreept het belang van zorgvuldigheid bij vervolging van rechterlijke ambtenaren en de noodzaak om mogelijke schijn van partijdigheid te voorkomen. Het advies van het Wetenschappelijk Bureau van het OM en de parlementaire geschiedenis worden daarbij betrokken. De Hoge Raad benadrukt dat het OM zich tijdig tot de Hoge Raad moet wenden met een verzoek op grond van artikel 510 Sv Pro om nietigheid van het onderzoek te voorkomen.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de rechtbank Den Haag aan voor de vervolging van de rechterlijk ambtenaar om schijn van bevoordeling te voorkomen.

Conclusie

Nr. 18/05122 B
Zitting: 13 december 2018
Mr. J. Silvis
Conclusie inzake:
[betrokkene]
Bij de Hoge Raad is binnengekomen een verzoekschrift van 11 december 2018 van mr. N.G. Zandee, Hoofdofficier van Justitie van het arrondissementsparket Amsterdam, met het verzoek op de voet van art. 510 Sv Pro een ander gerecht aan te wijzen voor de mogelijke vervolging en berechting van [betrokkene] , op het moment van aanhouding (op 19 april 2017) plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket.
Op 16 januari 2017 is door een vader bij de zedenpolitie van de politie-eenheid Amsterdam aangifte gedaan van een zedenmisdrijf waarbij diens zoon als minderjarig slachtoffer is aangemerkt. De aangifte ziet op:
- het seksueel binnendringen van het lichaam van iemand beneden de zestien jaar (art. 245 Sr Pro);
- ontucht met iemand beneden de zestien jaar (art. 247 Sr Pro);
- het verleiden van een minderjarige tot ontucht (art. 248a Sr) en
- ontucht met een minderjarige prostitué (art. 248b Sr).
Het verzoekschrift houdt in dat uit het politieonderzoek twaalf verdachten naar voren zijn gekomen, waaronder betrokkene. De Hoofdofficier van Justitie schrijft in het verzoekschrift dat de zaak tegen betrokkene nagenoeg gereed is voor inhoudelijke behandeling ter terechtzitting, “nu ook de meeste onderzoekswensen van de verdediging zijn afgehandeld door de rechter-commissaris in Amsterdam”.
In het verzoekschrift geeft de Hoofdofficier van Justitie de volgende verklaring waarom pas nu een verzoek als bedoeld in art. 510 Sv Pro wordt gedaan:
“Door de toenmalige parketleiding is er aanvankelijk (begin 2017) niet voor gekozen om ten aanzien van [betrokkene] een verzoek te doen als bedoeld in artikel 510 Wetboek Pro van strafvordering.
Interne discussie of deze procedure nu wel of niet van toepassing is op Officieren van Justitie van het Functioneel Parket, heeft mij echter doen besluiten om zorgvuldigheids- en volledigheidshalve advies in te winnen bij het Wetenschappelijk Bureau van het Openbaar Ministerie (hierna W.B.O.M.). Dit advies d.d. 12 november 2018 voeg ik integraal als bijlage bij dit verzoek.
Het is evident dat de gevolgen (m.n. nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting) van het ten onrechte niet volgen van de procedure van art. 510 Wetboek Pro van Strafvordering, veel ernstiger zijn dan de gevolgen van het (onverhoopt) onnodig wel volgen van deze procedure. Meer principieel ben ik van opvatting dat de norm dat een rechterlijk ambtenaar wordt vervolgd of berecht door een zodanige instantie dat de schijn van bevoordeling of benadeling van hem zo veel mogelijk wordt vermeden, ook van toepassing is op collega’s van het Functioneel Parket.
Hierbij volg ik dan ook het advies van het W.B.O.M. en ik verzoek u op grond van artikel 510 van Pro het wetboek van Strafvordering om, alvorens er enige definitieve vervolgingsbeslissing wordt genomen, een gerecht aan te wijzen waar de mogelijke vervolging en berechting van [betrokkene] zal dienen plaats te vinden.”
5. Het advies van het W.B.O.M. houdt ten aanzien van de toepassing van art. 510 Sv Pro bij verdenking tegen een officier van justitie van het Functioneel Parket, zakelijk weergegeven, met weglating van verwijzingen naar de literatuur en rechtspraak, het volgende in:
In de parlementaire stukken inzake de instelling van het functioneel parket is geen aandacht besteed aan de verhouding tot artikel 510 Sv Pro.
Gepubliceerde rechtspraak van de Hoge Raad over het al dan niet van toepassing zijn van artikel 510 Sv Pro bij verdenking tegen een officier van justitie bij het functioneel parket, is er niet. Gewezen wordt op een verdenking tegen een officier van justitie bij het arrondissementsparket te dat hij zich schuldig had gemaakt aan het misdrijf omschreven in artikel 240b Sr. In die zaak wees de Hoge Raad de rechtbank te ’s-Gravenhage aan als bevoegd gerecht. Daaraan stond niet in de weg dat de betrokkene inmiddels werkzaam was geworden bij het functioneel parket.
In de literatuur komt de kwestie beperkt aan de orde. Een eenduidig gedeeld standpunt is er niet. Volgens Borgers en Kooijmans, in hun bewerking van Corstens handboek over het Nederlandse strafprocesrecht (9e druk, p. 182), is het de vraag of de regeling ook de leden van het College van procureurs-generaal en ook die van het functioneel parket, het landelijk parket en het parket CVOM betreft, nu deze leden van het OM geen aanstelling bij één speciaal gerecht hebben.
Het W.B.O.M. wijst in dit verband nog op artikel 6.1.4.1, eerste lid, van het concept-wetsvoorstel tot vaststelling van Boek 6 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (van 5 december 2017), dat luidt: “Indien de officier van justitie op de hoogte komt van enige informatie die duidt op het begaan van een strafbaar feit door een rechterlijk ambtenaar, genoemd in artikel 1, onderdeel b, onder 2, 3, 6, 7, en 10 van de Wet op de rechterlijke organisatie, verzoekt hij – door tussenkomst van zijn hoofdofficier van justitie – de Hoge Raad, een rechtbank aan te wijzen in een ander ressort dan waar de rechterlijk ambtenaar werkzaam is aan te wijzen voor de kennisneming van het strafbare feit. Indien de rechterlijk ambtenaar werkzaam is bij het landelijk parket of het functioneel parket, wijst de Hoge Raad niet de rechtbank Amsterdam, Oost-Brabant, Overijssel of Rotterdam aan.” In de Memorie van Toelichting bij dit concept-wetsvoorstel wordt met betrekking tot dit artikellid gesteld dat in de literatuur de vraag gesteld wordt of de regeling ook de leden van het College van procureurs-generaal van het OM betreft, die geen aanstelling hebben bij één speciaal parket. Een vergelijkbare vraag kan volgens de Memorie van Toelichting worden gesteld voor de officieren van justitie bij het functioneel parket en het landelijk parket die hun bevoegdheden bij meerdere gerechten uitoefenen. Specifiek voor rechterlijke ambtenaren bij het functioneel parket en het landelijk parket is – ter beantwoording van de hierboven genoemde vraag – in de wettekst bepaald dat de Hoge Raad een ander arrondissementsparket en een andere rechtbank aanwijst dan waar deze rechterlijke ambtenaren hun bevoegdheden uitoefenen, te weten Amsterdam, Oost-Brabant, Overijssel en Rotterdam, aldus de Memorie van Toelichting. In dit kader is van belang dat volgens artikel 6.1.4.1, vierde lid, Sv van genoemd concept-wetsvoorstel de Hoge Raad, alvorens te beslissen, de procureur-generaal bij de Hoge Raad kan opdragen verslag te doen. Ten behoeve van dit verslag kan deze procureur-generaal de officier van justitie opdragen stukken te overleggen en onderzoek verrichten. Blijkens de Memorie van Toelichting bij het concept-wetsvoorstel kan de Hoge Raad door genoemd verslag van de procureur-generaal bijvoorbeeld inzicht krijgen in eerdere standplaatsen van de betrokken rechterlijke ambtenaar wat van belang kan zijn voor de door de Hoge Raad aan te wijzen rechtbank. Juist bij officieren van justitie bij het functioneel parket (of landelijk parket of parket CVOM) zou bij de Hoge Raad behoefte kunnen bestaan aan een dergelijk inzicht in de plaats van functie-uitoefening in het verleden en heden.
Er bestaat volgens het W.B.O.M. al met al geen zekerheid over de toepasselijkheid van artikel 510 Sv Pro bij een verdenking gerezen tegen een officier van justitie bij het functioneel parket. Gelet op de omstandigheid dat:
● ook in geval van een dergelijke verdenking van belang is dat deze officier van justitie zal worden vervolgd of berecht door een zodanige instantie dat de schijn van bevoordeling of benadeling van hem wordt vermeden,
● een verzuim hierin bestaande dat het OM nalaat zich op de voet van artikel 510 Sv Pro tot de Hoge Raad te wenden met het verzoek tot aanwijzing van een gerecht, nietigheid meebrengt van het gehouden onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraken,
● in het toekomstig recht de opvolger van artikel 510 Sv Pro, te weten artikel 6.1.4.1, eerste lid, Boek 6 Sv, van toepassing is op (onder meer) rechterlijke ambtenaren werkzaam bij het functioneel parket,
● met de behandeling van een verzoekschrift als bedoeld in artikel 510 Sv Pro door de Hoge Raad weinig tot zeer weinig tijd heengaat,
moet het, volgens het W.B.O.M. zeer verstandig worden geacht dat het OM dat naar de gewone regels met de vervolging is belast, zich met een verzoekschrift tot de Hoge Raad wendt waarin aan de Hoge Raad wordt verzocht het gerecht aan te wijzen waarvoor vervolging en berechting dient plaats te vinden. In dat verzoekschrift kan open kaart worden gespeeld door aan te geven dat het OM niet zeker weet of indiening daarvan in de betreffende situatie verplicht is maar dat het OM geen risico wenst te lopen op nietigheid van het onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraken.
6. In het voorgaande zie ik aanleiding voor de conclusie dat het verzoek ten aanzien van betrokkene vatbaar is voor toewijzing.
7. Zoals eerder opgemerkt wordt in het verzoekschrift gesproken over nog elf andere verdachten die uit het politieonderzoek naar voren zijn gekomen. Art. 510 lid 3 Sv Pro houdt in dat de aanwijzing ook geldt voor de medeverdachten van de rechterlijk ambtenaar. In Corstens handboek, het Nederlands strafprocesrecht (9e druk, p. 182), wordt aangegeven dat het begrip medeverdachten in art. 510 lid 3 Sv Pro niet geheel duidelijk is. In een enge opvatting worden daaronder slechts de deelnemers verstaan. In een ruimere opvatting worden daaronder ook degenen begrepen die worden verdacht van een feit dat in verband staat met een feit dat door een rechterlijk ambtenaar is gepleegd. De door de wetgever gebezigde terminologie laat ruimte voor deze laatste opvatting.
8. Van deelneming aan het strafbare feit waarvan de rechterlijk ambtenaar wordt verdacht is in deze zaak geen sprake en evenmin worden de anderen verdacht van een strafbaar feit dat in de concrete toedracht samenhangt met het feit waarvan de rechterlijk ambtenaar wordt verdacht. Wel gaat het om feiten die in eenzelfde aangifte staan en die hetzelfde slachtoffer betreffen. Het komt mij voor dat de ruimte voor de uitleg van het begrip medeverdachten in de zin van art. 510 lid 3 Sv Pro benut kan worden om afhankelijk van de omstandigheden van het voorgelegde geval te oordelen. Reden om bij vervolging in deze zaak die tegen andere verdachten formeel te voegen lijkt er niet te zijn. Uit de nagekomen informatie, verzonden namens de Hoofdofficier van Justitie, volgt ook dat de zaken tegen de twaalf verdachten als op zichzelf staande zaken kunnen worden beschouwd.
9. Ik concludeer dat de Hoge Raad een andere rechtbank – waarbij ik de rechtbank Den Haag in overweging geef – zal aanwijzen als de rechtbank voor welke, zo het Openbaar Ministerie bij de aangewezen rechtbank zulks nodig oordeelt, de vervolging en berechting van de zaak zullen plaats hebben.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden