Uitspraak
1.Het verzoek
2.De conclusie van de Procureur-Generaal
3.Wettelijk kader
4.Beoordeling van het verzoek
5.Beslissing
22 januari 2019.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op verzoek van het Openbaar Ministerie besloten een ander gerecht aan te wijzen voor de vervolging en berechting van een voormalig plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij het Functioneel Parket. Deze rechterlijk ambtenaar wordt verdacht van een zedenmisdrijf.
Op grond van artikel 510, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is het mogelijk dat de Hoge Raad een ander gerecht aanwijst indien een rechterlijk ambtenaar vervolgd moet worden door het gerecht waarbij hij normaal gesproken zelf vervolging instelt. Dit is bedoeld om de schijn van bevoordeling of benadeling te voorkomen.
De Hoge Raad bevestigt dat deze regeling ook geldt voor rechterlijke ambtenaren werkzaam bij het Functioneel Parket en het Landelijk Parket. Uit de stukken blijkt dat de betrokkene ten tijde van de verdenking rechterlijk ambtenaar was en dat er een verdenking van strafbare feiten is gerezen.
De Hoge Raad wijst daarom de Rechtbank Den Haag aan als gerecht voor de vervolging en berechting van de zaak, zodat een onafhankelijke behandeling wordt gewaarborgd. De beschikking is gegeven door de vice-president en twee raadsheren en vastgesteld in raadkamer.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de Rechtbank Den Haag aan voor vervolging en berechting van de verdachte rechterlijk ambtenaar.