Conclusie
1.Feiten
Bij deze een tegenbericht over de aan te kopen grond en voorwaarden.
Vanaf het begin van de toegangsweg richting het einde van de toegangsweg ziet de ontstane schade er als volgt uit.
Op 19 oktober jl. hebben we ten huize van de [eisers] afgesproken dat een loonwerker opdracht krijgt om met een shovel het toegangspad van de woning van cliënten zo spoedig mogelijk in oude staat wat betreft het afschot te brengen, zodat er tijdelijk weer een ‘werkbare’ situatie ontstaat. De rekening voor deze klus zal naar u worden gezonden. Cliënten hebben op schrift gesteld hun bevindingen met de door u vorig jaar ingeschakelde aannemers voor het rooien van het bos en het verwerken van het daarbij vrijkomende hout. Bij deze werkzaamheden is het toegangspad door deze aannemers dikwijls geblokkeerd en bovendien is de verhardingslaag (nagenoeg) volledig ‘verreden’. De uiteenzetting wordt als bijlage 1 bijgevoegd.
2.Procesverloop
procedure A). Daarbij heeft hij grieven gericht tegen de overweging van de rechtbank dat [eisers] voldoende hebben toegelicht dat het pad voorafgaand aan de werkzaamheden in goede staat verkeerde (grief I); dat [verweerder] zijn verweer dat het pad toen in gebrekkige staat verkeerde onvoldoende heeft onderbouwd (grief II); dat het op de weg van [verweerder] had gelegen om een vooropname van het pad te verrichten (grief III) en dat uit het rapport van [A] genoegzaam volgt dat aan het pad schade is ontstaan als gevolg van de herstelwerkzaamheden (grief IV). Verder heeft [verweerder] zich met de grieven IV en V gekeerd tegen de toewijzing van vordering (iv). [1]
procedure B). In de memorie van grieven heeft [verweerder] zich gekeerd tegen de beslissing van de rechtbank dat hij gehouden is tot levering van het perceel grond aan [eisers] [2] Daarbij heeft hij grieven aangevoerd tegen de overwegingen van de rechtbank in het tussenvonnis van 16 oktober 2013 dat op grond van de akte voorshands bewezen is dat sprake is van een koopovereenkomst en dat [verweerder] tegenbewijs kan leveren (grief I); tegen het oordeel in het tussenvonnis van 14 januari 2015 dat [verweerder] niet geslaagd is in het tegenbewijs (grief II) en tegen het feit dat de rechtbank voorbij is gegaan aan zijn stelling dat de akte vervalst is (grief III).
procedure C).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel Iawordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat het gebonden was aan het bewijsoordeel van de rechtbank, zoals dat was neergelegd in rov. 5.12 uit het tussenvonnis van 16 oktober 2013. Dit omdat [verweerder] in zijn eerste hoger beroep (procedure A), dat gericht was tegen het deelvonnis van 16 oktober 2013, geen grieven heeft aangevoerd tegen deze overweging in het deelvonnis. Zijn grieven beperkten zich tot de eindbeslissingen van de rechtbank in het dictum van dit vonnis, namelijk de beslissingen over vorderingen (iii) en (iv). Het hof heeft dan ook de regel miskend, dat indien een partij gebruik maakt van de mogelijkheid om tussentijds hoger beroep in te stellen tegen een tussenvonnis, het haar niet vrij staat om in een later stadium van het geding andermaal tegen de in die uitspraak vervatte eindbeslissingen op te komen, aldus het onderdeel. Verwezen wordt naar HR 16 oktober 1992,
NJ1992/791 en HR 8 juni 2001,
NJ2001/432.
NJ2005/468, HR 24 april 2011,
NJ2011/188 en HR 30 september 2016,
NJ2016/440.
In het in de onderstaande noot 1 genoemde arrest van 30 september 2016 wordt beslist dat de verweerder die zich op het bestaan van de opschortende voorwaarde beroept, bij bestrijding daarvan, dat bestaan moet bewijzen omdat het een bevrijdend verweer betreft. Deze beslissing kan niet worden onderschreven. De eiser moet instaan voor de grondslag van zijn vorderingsrecht en dus ook, zoals de Hoge Raad terecht in dat arrest opnieuw heeft beslist, dat aan zijn vorderingsrecht de door de verweerder ingeroepen opschortende voorwaarde niet in de weg staat, waarbij hij ook bewijslast draagt voor de inhoud van de voorwaarde. Pas als (het bestaan of het opschortende karakter van) de door de verweerder gestelde voorwaarde is ontzenuwd, staat de grondslag van de vordering vast. Het verweer is geen zelfstandig (bevrijdend) verweer, d.w.z. een verweer dat uitgaat van de grondslag van de vordering en daar een feit aan toevoegt (zoals bijv. een ontbindende voorwaarde) waaruit volgt dat de vordering niet kan worden toegewezen. Het is een verweer dat die grondslag zelf aantast, zoals de Hoge Raad terecht in het arrest van 2001 tot uitdrukking heeft gebracht. Een non liquet over het bestaan van de opschortende voorwaarde impliceert dan ook tevens onzekerheid over de door de eiser gestelde grondslag. Daarom omvat het bewijsrisico van de eiser t.a.v. de grondslag van zijn vordering mede dat er geen opschortende voorwaarde bestaat althans dat die niet in de weg staat aan zijn vorderingsrecht. Dit is overigens in overeenstemming met de Duitse rechtspraak en heersende doctrine.”
schattingheeft gemaakt van de omvang van de schade. De bevoegdheid om de schade te schatten berust op art. 6:97 BW Pro, waarin is bepaald dat de rechter de schade begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is, en dat als de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zij wordt geschat.
www. [...] .nl.
onvoldoende weerlegging van de stelling dat een breuk in de verharding onder schade valt’ en dat de daartegen gerichte grief van [eisers] slaagt (rov. 4.8). Het hof overwoog echter ook dat dat niet betekent dat het hof vervolgens uitgaat van het rapport van ing. [betrokkene 1] , dat veronderstelt dat een geheel nieuwe betonverharding moet worden aangebracht over het gehele pad (rov. 4.8). Duidelijkheid over de vraag hoe groot de te herstellen oppervlakte is, is echter niet verkregen. Het door [eisers] in het geding gebrachte rapport van [A] B.V. verschaft daarover ook geen duidelijkheid. [29] Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat het hof zelf heeft geschat hoe groot de oppervlakte was van te herstellen scheuren. De schatting is ook overigens niet onbegrijpelijk.
, dat veronderstelt dat een geheel nieuwe betonverharding wordt aangebracht ten bedrage van destijds ruim € 14.000,-. Plaatselijke opvulling met asfalt of een vergelijkbaar materiaal gelijk ook elders op het pad is gebeurd, acht het hof voldoende.”
Daarmee faalt de klacht van dit subonderdeel.
subonderdeel IVbis gericht tegen rov. 4.6 van het tussenarrest (ik ga er vanuit dat de verwijzing naar rov. 4.8 op een vergissing berust, nu ’s hofs oordeel over de bewijslastverdeling van de breukschade is neergelegd in rov. 4.6). Volgens het onderdeel heeft het hof zijn oordeel dat de bewijslast voor wat betreft de scheurschade aan het pad bij [eisers] ligt, onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Dit omdat [verweerder] juist (in ieder geval) de schade aan dit deel van het pad erkend heeft, maar stelt die met herstelwerkzaamheden te hebben weggenomen. [30] De rechtbank heeft volgens het onderdeel dan ook terecht aangenomen dat sprake is van een bevrijdend verweer van [verweerder] .
onvoldoende weerlegging van de stelling dat een breuk in de verharding onder schade valt’ en heeft de grief van [eisers] tegen de afwijzing van de schadevordering in verband met breukvorming gegrond geacht. Verder heeft het hof geoordeeld dat voldoende is aangetoond dat sprake is van schade op het punt van de breukvorming in het pad en de taludverzakking, in die zin dat dientengevolge onderhoud nodig is. Deze oordelen brachten mee dat het hof opnieuw moest beoordelen bij welke partij de bewijslast voor de schade aan het pad lag, mede tegen de achtergrond van het verweer van [verweerder] dat het pad in aanvaardbare staat verkeert en dat hij het pad goed hersteld heeft. [31] Het hof is daarmee niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.