Conclusie
1.De feiten
Wat gebeurt er met ZSM-zaken?
2.Het procesverloop
behoudens voor zover het gevolgen daarvan betreft voor de werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen").Nog daargelaten dat dit punt niet als beroepsgrond in het verzoekschrift is aangevoerd, zijn die gevolgen naar het oordeel van de Ondernemingskamer niet in het bestreden besluit vervat, nu dit besluit slechts de strategische keuze inhoudt om te verhuizen naar een andere locatie. De gevolgen voor de werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen zijn daarin nog niet meegenomen.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
Haagse grenscorrecties). [7] In de desbetreffende beschikking heeft de Hoge Raad overwogen:
Rijksrecherche) heeft de Hoge Raad de ingezette lijn doorgetrokken:
Shared Service Center HRM) heeft de Hoge Raad overwogen:
Dr. S. van Mesdagkliniek) heeft de Hoge Raad overwogen:
De Mirandabad) heeft de Hoge Raad overwogen:
Gemeente Diemen-beschikking van 19 november 2015 komt de ondernemingskamer terug van haar eerdere rechtspraak:
ditgeding echter niet aan de orde zijn, aangezien daarover blijkens de brief van de bestuurder d.d. 13 mei 2015 (…) nog adviesaanvragen en besluiten zullen volgen.
Gemeente Diemen-beschikking uiteengezette opvatting bevestigd in onder meer de
Gemeente Maastricht-beschikking uit 2017 [16] , die in stand is gelaten in de beschikking van de Hoge Raad van 22 maart 2019 [17] , en in de
IND-beschikking [18] en de
Fellenoord-beschiking [19] uit 2018. Ik vestig de aandacht op de sterke gelijkenissen met onderhavige zaak in de gronden van de beslissing.
IND-beschikking overwoog de ondernemingskamer onder meer als volgt:
Fellenoord-beschikking overwoog de ondernemingskamer onder meer als volgt:
)van toepassing is
.De Ondernemingskamer volgt de GOR Rijk daarin niet. Tussen partijen is niet in geschil dat op dit moment nog niet is besloten welke van de betrokken rijksdiensten te zijner tijd in het pand Fellenoord 15 gevestigd zullen worden, noch wat alsdan de definitieve inrichting van het pand zal zijn. Het in het Memo vervatte besluit strekt immers niet verder dan tot de keuze om in het kader van de verdere ontwikkeling van het pand vooralsnog uit te gaan van een inrichting als standaard rijkskantoor met de bijbehorende kaderstelling. Daarmee heeft het besluit op dit moment nog geen gevolgen voor de werkzaamheden van de bij de betrokken rijksdiensten werkzame personen en is de uitzondering op het bepaalde in artikel 46d aanhef en onder b, WOR (nog) niet van toepassing.” [21]
Rijksrecherche-zaak heeft de Hoge Raad niet alleen besluiten die tot stand komen als onderdeel van het politieke proces in democratische organen met (mede)wetgevende bevoegdheid onder het primaat van de politiek geschaard, maar ook de desbetreffende besluiten van andere democratisch gecontroleerde overheidsorganen. Bij besluiten van democratisch gecontroleerde overheidsorganen kan de afstand tot de democratische controle zó groot zijn dat het gevaar voor doorkruising van democratische besluitvorming niet aanwezig is. [27] Daarom is niet alleen het soort orgaan dat het besluit heeft genomen van belang voor de vraag of het primaat van de politiek prevaleert, maar ook de aard van het besluit. Mijns inziens wordt de door de ondernemingskamer vastgestelde (politieke) aard van het besluit in de bespreking van de bestreden beschikking in de kroniek van Sprengers (nr. 3.15 hiervoor) miskend waar hij schrijft dat het gaat om “een tijdelijke verhuizing vanwege een verbouwing van het politiebureau in Brabant” en “besluitvorming over het tijdelijk verhuizen van een politiebureau”.
IND-beschikking waarin de ondernemingskamer in rov. 3.6, in lijn met rov. 3.5 van de onderhavige beschikking, concludeert: “dat de uitvoering van het GVL-beleid onlosmakelijk verbonden is met de concrete invulling van de samenwerking tussen de ketenpartners en dat de locatie waar dat beleid zal worden uitgevoerd – in dit geval derhalve Gilze en Budel – zodanig is verbonden met de inhoud en uitvoering van dat beleid dat de locatiekeuze moet worden gezien als een essentieel onderdeel van dat beleid. Het bestreden besluit kan derhalve niet los worden gezien van het vreemdelingenbeleid als zodanig.”
Rijksrecherche-beschikking dat de ondernemingskamer in die zaak geen acht had geslagen op de – onbestreden – stelling van de Staat:
tweedeonderdeel. Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 3.5-3.8. Het onderdeel bevat verschillende rechts- en motiveringsklachten. Het onderdeel valt uiteen in (i) klachten die gericht zijn tegen de beslissing van de ondernemingskamer inzake de
aard van het besluit(rov. 3.5-3.6) en (ii) klachten die gericht zijn tegen de beslissing van de ondernemingskamer dat sprake is van een
democratisch gecontroleerd orgaan.
aard van het besluit(rov. 3.5-3.6) zijn uitgewerkt in randnr. 12-16 van het middel. In randnr. 12 wordt geklaagd dat de beslissing van de ondernemingskamer dat het besluit tot huisvesting van de ZSM-aanpak aan de Statenlaan in Den Bosch valt onder het primaat van de politiek, die blijkens rov. 3.5 in overwegende, althans belangrijke, mate berust op de vaststelling door de ondernemingskamer dat de locatie waar het ZSM-beleid wordt uitgevoerd aan zogenoemde ZSM-tafels, zodanig is verbonden met de uitvoering van dat beleid, dat het moet worden gezien als een “essentieel onderdeel van dat beleid” rechtens onjuist is, althans onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
De Mirandabad-beschikking, tot uitgangspunt dat heeft te gelden dat de wetgever niet heeft beoogd om de medezeggenschap bij de overheid verder te beperken dan strikt genomen noodzakelijk is met het oog op de bescherming van het primaat van de politiek en dat de wetgever heeft beoogd om de medezeggenschap zoveel mogelijk aan te laten aansluiten bij de medezeggenschap in de marktsector. Volgens het onderdeel brengen die uitgangspunten met zich dat de ondernemingskamer bij de beoordeling of de aard van het besluit meebrengt dat het besluit onder het primaat van de politiek valt, een zekere terughoudendheid moet betrachten of in elk geval rekening moet houden met alle specifieke omstandigheden die de aard van het besluit kenmerken. Het onderdeel neemt verder tot uitgangspunt dat, ter waarborging dat de medezeggenschap niet verder wordt beperkt dan strikt noodzakelijk is, een (verzwaarde) motiveringsplicht op de ondernemingskamer rust die ertoe noopt om bij de beoordeling of een besluit naar zijn aard onder het primaat van de politiek valt, alle relevante specifieke kenmerken die een ondernemingsraad bij de overheid heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt dat het besluit naar zijn aard niet onder het primaat van de politiek valt, kenbaar in de beschouwing te betrekken en in de motivering tot uitdrukking te brengen.
De Mirandabad-beschikking, voorop dat heeft te gelden dat de wetgever niet heeft beoogd om de medezeggenschap bij de overheid verder te beperken dan strikt genomen noodzakelijk is met het oog op de bescherming van het primaat van de politiek en dat de wetgever heeft beoogd om de medezeggenschap zoveel mogelijk aan te laten aansluiten bij de medezeggenschap in de marktsector. Het onderdeel neemt mijns inziens ook terecht tot uitgangspunt dat de ondernemingskamer rekening dient te houden met alle specifieke omstandigheden die de aard van het besluit kenmerken. Het door de ondernemingskamer in rov. 3.4 uiteengezette beoordelingskader, onder verwijzing naar o.a. de
De Mirandabad-beschikking, staat in cassatie niet ter discussie. De invulling die de ondernemingskamer vervolgens in rov. 3.5-3.7 aan dat kader geeft vergt een feitelijke beoordeling waarbij de ondernemingskamer een zekere beoordelingsvrijheid wordt gelaten. Ik begrijp rov. 3.5 zo dat het tijdelijke karakter van het besluit wel degelijk voldoende kenbaar onder ogen is gezien door de ondernemingskamer. In de laatste zin van rov. 3.5 wordt verwezen naar het pleidooi van de ondernemingsraad:
Besluit m.b.t. een publieke taak?
tijdelijkeverhuizing van de afdeling ZSM bezien, dan is de eerste vraag of dat kan worden gezien als een besluit met betrekking tot de publiekrechtelijke vaststelling van taken van publiekrechtelijke lichamen en onderdelen daarvan en het beleid ten aanzien van en de uitvoering van die taken als bedoeld in art. 46d aanhef en sub b WOR. In de kern gaat het namelijk simpelweg om een besluit tot
tijdelijkeverhuizing van een afdeling en daar is niets politieks en/of ‘publieks’ aan.
werkgeverstaak,een afgeleide taak waarmee kan worden bewerkstelligd dat de overheid zijn publieke taken kan verrichten, derhalve om een besluit zoals ook niet-overheidsondernemers dat op grond van bepaalde
bedrijfseconomische, bedrijfs
organisatorischeen/of bedrijfssociale redenen plegen te nemen. Er is geen sprake van een verschuiving van politieke taken of verantwoordelijkheden en/of van een besluit dat is ingegeven door politieke overwegingen. Het bestreden besluit om de betrokken medewerkers over de te verrichten taken te verdelen en/of aan de betrokken medewerkers bepaalde taken toe te bedelen, is dan ook niet in een politieke context tot stand gekomen en is dan ook niet van dien aard dat het een politieke afweging van de daaraan verbonden voor- en nadelen vergt op grond waarvan de conclusie is gerechtvaardigd dat het met het oog op de bescherming van het primaat van de politiek noodzakelijk is de medezeggenschap te beperken. In die zin is niet vol te houden dat het bestreden besluit een aanwijsbare publiekrechtelijke taak betreft [curs. in origineel, onderstreping toegevoegd, A-G].” [32]
IND-beschikking, gelegen zijn in de samenwerking met de ketenpartners.
Rijksrecherche-beschikking, waar ook naar wordt verwezen in rov. 3.4, niet miskend dat de afstand tot de democratische controle zó groot kan zijn dat het gevaar voor doorkruising van democratische besluitvorming niet aanwezig is. De begrenzing van de besluiten die vallen onder het primaat van de politiek zit niet zozeer in de vraag of sprake is van een besluit van een democratisch gecontroleerd overheidsorgaan, maar veeleer in de aard van het besluit. Niet alleen het soort orgaan dat het besluit heeft genomen is van belang voor de vraag of het primaat van de politiek prevaleert, maar ook de aard van het besluit. Dat mede gelet op de
Rijksrecherche-beschikking betrekkelijk snel sprake is van een besluit van een democratisch gecontroleerd orgaan wil dus nog niet zeggen dat het primaat van de politiek geldt voor ieder besluit van een democratisch gecontroleerd orgaan. De klacht in randnr. 19 kan in zoverre niet tot cassatie leiden. De ondernemingskamer heeft in rov. 3.7 mijns inziens voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een besluit van een democratisch gecontroleerd overheidsorgaan.
eersteonderdeel klaagt dat de ondernemingskamer in rov. 2.4 heeft gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor in de zin van art. 19 Rv Pro en/of de feiten ontoelaatbaar heeft aangevuld in de zin van art. 149 lid 1 Rv Pro, door aan haar beslissing feiten ten grondslag te leggen die de ondernemingskamer zelf van de website van de Politie heeft gehaald, zonder partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover desgewenst uit te kunnen laten. Het onderdeel is uitgewerkt in randnr. 6-8 van het middel.
prod. 1overgelegd.” [34] Uit de desbetreffende productie blijkt echter dat de tekst afkomstig is van de intranetsite van de Politie. De inhoud van de tekst van de intranetsite stemt niet geheel overeen met de tekst van de (externe) website, waarop de ondernemingskamer zich heeft gebaseerd. [35]
https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2018:1457 - _e60c9af3-b05b-46d7-9c71-fa77e99d5fe4Maar áls de rechter ertoe overgaat om informatie van internet te halen met als doel die informatie mede ten grondslag te leggen aan zijn beslissing, dan zal de rechter altijd partijen eerst in de gelegenheid moeten stellen om zich daarover uit te laten. (…). [D]e regel dat de rechter zijn beslissing niet mag baseren op feitelijke gegevens waarover partijen zich niet hebben kunnen uitlaten, [is] zó elementair dat daarvan niet kan worden afgeweken.” [41]
in civilibusvan belang zijn, nu in het strafrecht eenzelfde definitie voor het begrip feit van algemene bekendheid bestaat.
eerstegezichtspunt - de bekendheid van de internetbron - betreft zal een feit van algemene bekendheid eerder aan een website ontleend kunnen worden als deze door een van de partijen is ingebracht. [53] In de onderhavige zaak is de (externe) website weliswaar niet door een van de partijen ingebracht, maar wel een intranetwebsite van de Politie. Ik merk op dat de weergegeven passages op de (externe) website weliswaar niet volledig overeenstemmen met de informatie op de intranetwebsite die wel in het geding is gebracht. De weergegeven informatie is daarmee echter niet in tegenspraak en bouwt mijns inziens in sterke mate voort op de informatie van de intranetwebsite van de Politie. De ondernemingskamer heeft er voorts redelijkerwijs vanuit mogen gaan dat de website van de Politie een bekende website is die vrijwel elke Nederlander weleens raadpleegt. [54]
tweedegezichtspunt - de betrouwbaarheid van de bron - hangt nauw samen met het eerste. De website van de Politie geldt mijns inziens, als onderdeel van de overheid, als betrouwbaar. [55]
derdeen
vierdegezichtspunt - de eenduidigheid van de gevonden informatie en de vereiste deskundigheid voor het interpreteren van de informatie - liggen ook in elkaars verlangde. Ik merkte al op dat de informatie op de website weliswaar niet volledig overeenkomt met de wel in het geding gebrachte informatie van de intranetwebsite, maar daarmee ook niet in tegenspraak is. De door de ondernemingskamer overgenomen passages van de website van de Politie hebben betrekking op een beschrijving van de ZSM-aanpak. Nu het gaat om een feitelijke beschrijving van de ZSM-aanpak die is geplaatst op een voor een ieder toegankelijke en als betrouwbaar te kwalificeren website acht ik de juistheid van de informatie redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar. De juistheid van de informatie op de website van de Politie wordt als ik het goed zie ook niet betwist door de ondernemingsraad. Het onderdeel klaagt dat de ondernemingskamer gehouden was partijen in de gelegenheid te stellen zich over deze aan de website van de Politie ontleende feiten uit te laten, hetgeen de ondernemingskamer heeft miskend.
vijfdegezichtspunt - het aandeel van het feit van algemene bekendheid in de bewijsvoering - is in de strafrechtelijke context dat als een rechter een na de zitting gevonden gegeven wil gebruiken om aan de verdachte een zekere wetenschap toe te rekenen, hij eerder tegenspraak moet organiseren dan wanneer het gaat om het onderbouwen van onderdelen van de bewijsvoering die niet de kern van de ten laste gelegde norm raken. [59] In de civielrechtelijke context kan dit gezichtspunt mijns inziens in verbinding worden gebracht met het geval dat wordt beschreven in de conclusie van A-G Huydecoper. Naar mijn mening is het redelijkerwijs uitgesloten dat de uitkomst van het geschil met de ondernemingsraad is beïnvloed door de beschrijving van de landelijke ZSM-aanpak die de ondernemingskamer van de website van de ondernemingskamer heeft gehaald, zonder partijen in de gelegenheid te stellen daarop desgewenst te reageren. In het hypothetische geval dat de ondernemingskamer partijen wel in de gelegenheid had gesteld te reageren op de gegevens van de website had dat mijn inziens voor de beoordeling geen verschil gemaakt, nu het gaat om een feitelijke beschrijving van de landelijke ZSM-aanpak waarvan de juistheid redelijkerwijs voor betwisting niet vatbaar is. In het hypothetische geval dat de ondernemingskamer haar beschrijving van de landelijke ZSM-aanpak had gebaseerd op de (wel in geding gebrachte) passages van de intranetsite had dat mijns inziens evenmin tot een andere beoordeling geleid.
derdeonderdeel klaagt over rov 3.9. In rov. 3.9 heeft de ondernemingskamer beslist dat voor zover ervan mag worden uitgegaan dat PO-B in het kader van de adviesaanvraag over de verhuizing van de afdeling ZSM een bovenwettelijk adviesrecht aan de ondernemingsraad heeft toegekend, de ondernemingsraad geen beroep kan instellen tegen het door PO-B genomen besluit. De ondernemingskamer overweegt daartoe dat de regel van art. 32 lid 4 WOR Pro in zoverre uitzondering leidt omdat een beroepsrecht van de ondernemingsraad ten aanzien van een besluit dat onder de reikwijdte van het primaat van de politiek valt, onverenigbaar is met de bedoeling van de wetgever bij de uitsluiten van het medezeggenschapsrecht op grond van art. 46d aanhef en sub b WOR. Het stond PO-B naar het oordeel van de ondernemingskamer vrij een extra adviesbevoegdheid aan de ondernemingsraad toe te kennen, maar de ondernemingsraad kan tegen het besluit tot verhuizing geen beroep instellen bij de ondernemingskamer.
vierdeonderdeel richt een motiveringsklacht en rechtsklacht tegen rov. 3.10. Het onderdeel is uitgewerkt in randnr. 23-25 van het middel. In rov. 3.10 heeft de ondernemingsraad overwogen dat de zogenoemde uitzondering op de uitzondering van art. 46d aanhef en sub b WOR (“behoudens voor zover het gevolgen daarvan betreft voor de werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen”) toepassing mist. De ondernemingsraad heeft zich volgens de ondernemingskamer pas in zijn pleidooi beroepen op de uitzondering op de uitzondering. Nog daargelaten dat dit punt niet als beroepsgrond in het verzoekschrift is aangevoerd, zijn de gevolgen naar het oordeel van de ondernemingskamer niet in het bestreden besluit vervat. Het besluit bevat volgens de ondernemingskamer slechts de strategische keuze om te verhuizen naar een andere locatie. De gevolgen voor de werkzaamheden van de in de onderneming werkzame personen zijn daarin nog niet meegenomen.
vijfdeonderdeel (randnr. 26) klaagt dat het oordeel van de ondernemingskamer in rov. 3.11 dat de voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie dat de ondernemingsraad niet-ontvankelijk is in zijn verzoek rechtens onjuist is, omdat het verweer dat een besluit onder het primaat van de politiek valt een materieel verweer is en als dat verweer slaagt (zie rov. 3.8) het verzoek behoort te worden afgewezen.