Conclusie
1.Feiten en procesverloop
KOOPPRIJSArtikel 3
Intercompany Loan Receivable”) bedraagt zes miljoen achthonderdduizend euro (€ 6.800.000,00).
de Vordering”).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
A fortiorizijn bijzondere aanwijzingen nodig om bijvoorbeeld een bedoeling tot (gedeeltelijke) kwijtschelding of tot het aangaan van een vaststellingsovereenkomst te kunnen vaststellen.
geponeerd.De enige feitelijke onderbouwing (afgezien van het kwijtingsbeding en de daaraan door Bela gehechte betekenis) is mijns inziens de referte aan het beding waarbij partijen afstand hebben gedaan van de mogelijkheid om de koopovereenkomst te ontbinden, vernietigen of wijzigen. In het licht van hetgeen ik onder 2.10 heb gezegd, dunkt mij dat echter in ieder geval op zichzelf genomen volstrekt onvoldoende.
Ad (c): kwijting ziet niet op geleende som geld
Onder 1.1betoogt het onderdeel om te beginnen dat het oordeel van het hof dat Citadel met het kwijtingsbeding in de leveringsakte van 2 november 2010 afstand heeft gedaan van de vordering tot betaling van het ontbrekende restant van € 225.000,— onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Het hof heeft volgens het subonderdeel miskend dat het kwijtingsbeding ziet op de betaling van de in de akte vastgestelde bedragen ten aanzien van de lening en de koopprijs, en dat het dus geen afstand inhoudt van betaling van het ontbrekende restant. Het subonderdeel vervolgt dat het hof geen kenbare aandacht heeft besteed aan het betoog van Citadel dat de door haar verleende kwijting ziet op de betaling van de koopsom van € 6,8 miljoen en niet ziet op de vaststelling en terugbetaling van de door haarzelf geleende som geld. In de schriftelijke toelichting [25] wordt nader toegelicht dat artikel 3 zo Pro moet worden uitgelegd dat het uitsluitend bedoeld is bewijs van nakoming in de zin van art. 6:48 lid 1 BW Pro te verschaffen en dat dus geen sprake is van afstand van recht. Hooguit houdt het kwijtingsbeding in dat de in de akte vastgestelde bedragen zijn voldaan.
in algemene zinkwijtingsbedingen ertoe strekken de andere partij zekerheid te bieden dat de transactie naar behoren is afgewikkeld, of dat het
onderhavigekwijtingsbeding een zodanige strekking heeft. In het eerste geval betoogt het subonderdeel terecht dat een dergelijk oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. In het laatste geval betoogt het onderdeel terecht dat het oordeel van het hof onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Hiervoor kwam al aan de orde dat bij de uitleg van het
onderhavigekwijtingsbeding rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat bij de berekening van de hoogte van de schuld een vergissing is gemaakt, dat de wil van Citadel daarom klaarblijkelijk niet gericht was op het doen van afstand van haar recht betaling te vorderen van het bedrag van € 225.000,— en dat het hof geen kenbare overwegingen heeft gewijd aan de vraag of Bela er niettemin gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat Citadel afstand van haar vordering wilde doen.
Onder 2.1betoogt het onderdeel dat het oordeel van het hof dat de vordering van Citadel op grond van onverschuldigde betaling vastloopt op het gegeven dat Citadel niet onder de lening heeft betaald, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. De omstandigheid dat Citadel de leningsvordering heeft voldaan door verrekening, doet er niet aan af dat sprake is of kan zijn van betaling in de zin van art. 6:203 BW Pro, aldus het middel.
enigerlei prestatiezonder rechtsgrond:
een goedheeft gegeven, is gerechtigd dit van de ontvanger als onverschuldigd betaald terug te vorderen.
Betreft de onverschuldigde betaling een geldsom, dan strekt de vordering tot teruggave van een gelijk bedrag.
een prestatie van andere aardheeft verricht, heeft eveneens jegens de ontvanger recht op ongedaanmaking daarvan.’ (cursiveringen uiteraard van mij, A-G)
duidt er veeleer op dat het er om gaat of hetgeen in concreto is gebeurd, naar zijn objectieve strekking als een prestatie aangemerkt kan worden. Zoals in de eerste alinea van de toelichting bij artikel 6.4.2.1 wordt opgemerkt, dient het te gaan “om een door de een tot een bepaalde andere persoon gerichte handeling”;
dat dit ruim moet worden opgevatblijkt uit de toelichting op artikel 6.4.2.8, waar als voorbeelden onder meer worden vermeld het geval dat iemand “zonder rechtsgrond luchtvervoer heeft genoten en daardoor is verrijkt” en het geval dat “iemand door een vergissing van zijn kant onverschuldigd andermans huis schildert”.’ (cursiveringen van mij, A-G)
onder 2.2.
onder 3.1 en 3.2tot slot dat het hof art. 24 Rv Pro heeft geschonden door geen (kenbare) aandacht te besteden aan het beroep van Citadel op ongerechtvaardigde verrijking, althans dat indien het hof heeft gemeend dat Citadel geen beroep op ongerechtvaardigde verrijking heeft gedaan, dit oordeel getuigt van een onbegrijpelijke lezing van de stellingen van Citadel. [35]