Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- i) [eiser] was op 22 december 1998 in dienst bij [verweerster] in de functie van bedrijfsleider. [eiser] is die dag uitgegleden in de wasstraat van [verweerster].
- ii) [eiser] is arbeidsongeschikt geraakt en het dienstverband tussen partijen is beëindigd.
- iii) De AVB-verzekeraar van [verweerster], de N.V. Schadeverzekering-Maatschappij Bovemij (hierna: Bovemij), heeft (op 8 november 2001
- v) Een deel van de schade is afgewikkeld. Daarna is de schadeafwikkeling in een impasse geraakt.
- vi) Op 27 oktober 2010 heeft [eiser] een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv (deelgeschil) ingediend, welk verzoek bij beschikking van 12 januari 2011 is afgewezen.
grief Igericht is tegen het oordeel dat na de erkenning van aansprakelijkheid verder geen stuiting van de verjaring heeft plaatsgevonden.
(...) Waar u er de voorkeur aan geeft om nu over te gaan tot een afwikkeling van de toerekenbare schade, ben ik er voorstander van om in overleg met de medisch adviseur van mijn opdrachtgever na te gaan, welke mogelijkheden er nog zijn om de belastbaarheid van uw cliënt wèl te vergroten. (...).
(...) Onder verwijzing naar ons telefonisch onderhoud van 6 april 2004 treft u hierbij aan een kopie van het advies van de medisch adviseur van mijn opdrachtgever d.d. 24 oktober 2002. Voor zover ik dat kan nagaan hebt u dit advies niet eerder ontvangen.
Wij maken het overeengekomen bedrag van € 145.000,- heden naar [eiser] over. (…)”
Met betrekking tot het onderhavige schadegeval kunnen wij u berichten dat wij aansprakelijkheid aan de zijde van onze verzekerde kunnen erkennen. U gelieve ons met de vordering van uw cliënt bekend te maken. Medische informatie betreffende het letsel gelieve u te zenden t.a.v. onze medisch adviseur, (…).”
heeft onvoldoende onderbouwd dat hij Bovemij en/of Cunningham mocht beschouwen als vertegenwoordigers van [verweerster] in deze zin. Dat Bovemij op 8 november 2001 namens [verweerster] aansprakelijkheid heeft erkend, brengt dat op zichzelf niet mee. Uit de in rov. 6.11 genoemde producties blijkt dat Bovemij en Cunningham zich slechts bezig hebben gehouden met de schadeafwikkeling. [eiser] kon daaruit redelijkerwijs niet begrijpen dat Bovemij en Cunningham daarmee (tevens) steeds (opnieuw) aansprakelijkheid namens [verweerster] erkenden, en [verweerster] hoefde ook niet te verwachten dat [eiser] dit aldus zou begrijpen.
2.Inleidende beschouwingen
erkenning, en (ii) dat zo’n erkenning rechtens kan worden
toegerekendaan [verweerster]. Over deze twee vereisten kan het volgende worden vooropgesteld.
toedoen’ van de pseudo-principaal kan zijn gelegen in het laten voortbestaan van een bepaalde situatie [24] of een andersoortig niet-doen (nalaten). [25] De schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan berusten op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de totstandkoming van de betrokken rechtshandeling. [26]
risico’-beginsel een rol spelen. Recentelijk is dit als volgt verwoord en genuanceerd:
hetzijdat sprake is van (al dan niet stilzwijgend verleende) vertegenwoordigingsbevoegdheid van de verzekeraar,
hetzijdat de schuldeiser zijn gerechtvaardigd vertrouwen op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de verzekeraar kan baseren op feiten en omstandigheden die (i) de verzekerde betreffen en (ii) rechtvaardiging kunnen bieden voor toedeling van het risico van de onbevoegde vertegenwoordiging aan die verzekerde. De verzekerde moet dus bij die feiten en omstandigheden ‘betrokken’ zijn, en wel op zodanige wijze dat toerekening van de onbevoegd verrichte stuitingshandeling aan hem gerechtvaardigd is. Het kan niet zo zijn dat hij gebonden wordt aan een erkenning waaraan hij part noch deel heeft gehad.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
[eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij Bovemij en/of Cunninghambij het doen van hun in rov. 6.11 genoemde schriftelijke uitlatingen en bij het doen van voorschotbetalingen
mocht beschouwen als vertegenwoordigers van [verweerster] bij de beoordeling en beslissing van zijn aansprakelijkheid(rov. 6.12 en 6.14).
namens[verweerster] – dus als vertegenwoordiger – aansprakelijkheid heeft erkend en vervolgens daarop heeft
voortgebouwddoor – onafgebroken en zonder tegenspraak door [verweerster] – voorschotten uit te keren en schikkingsvoorstellen te doen. Althans is ’s hofs andersluidende oordeel onbegrijpelijk, aldus het onderdeel.
namens[verweerster] kunnen worden aangemerkt, waartoe andermaal wordt aangevoerd dat deze voortbouwen op de erkenning van aansprakelijkheid namens [verweerster].
subonderdeel I.3.1dat het hof art. 149 lid 2 Rv Pro heeft geschonden door niet vast te stellen dat Bovemij door haar betalingen en schikkingsvoorstellen op de erkenning namens [verweerster] heeft
voortgebouwd. Daartoe wordt aangevoerd het een feit van algemene bekendheid althans een algemene ervaringsregel is dat na erkenning van aansprakelijkheid door een verzekeraar, de daarop volgende betalingen en schikkingsvoorstellen op die erkenning voortbouwen. Daarop voortbouwend klaagt
subonderdeel I.3.2dat het hof een onbegrijpelijk (gemotiveerd) oordeel heeft gegeven nu uit (i) het vaststaande feit dat Bovemij op 8 november 2001
namens[verweerster] de aansprakelijkheid heeft erkend en (ii) het vaststaande feit dat Bovemij vervolgens op die erkenning heeft
voortgebouwd(zie subonderdeel I.3.1) de onvermijdelijke conclusie volgt dat voor de vraag of Bovemij na die erkenning nog altijd als de vertegenwoordiger van [verweerster] is opgetreden, die vaststaande feiten – anders dan het hof heeft gedaan –
in onderlinge samenhangmoeten worden beoordeeld.
Onderdeel I.4voegt daaraan toe dat, naar het hof heeft miskend, uit genoemde twee vaststaande feiten de onvermijdelijke conclusie volgt dat Bovemij [verweerster] ook na 8 november 2001 onafgebroken is
blijvenvertegenwoordigen.
combinatievan (i) de erkenning van aansprakelijkheid namens [verweerster] en (ii) de vervolghandelingen (betalingen en schikkingsvoorstellen) maakt dat Bovemij niet alleen op 8 november 2001 maar ook daarna steeds met het verrichten van die vervolghandelingen
namens[verweerster] aansprakelijkheid is blijven erkennen. Het passeren van die stelling zou blijken uit de afzonderlijke beoordeling van de erkenningsbrief, de voorstellen en de betalingen en de oordelen dat de erkenningsbrief, de voorstellen en betalingen, elk op zichzelf genomen, voor de vraag naar vertegenwoordiging niet relevant zijn.
toegerekend,maar van de stelling dat de uitingen van Bovemij en Cunningham (correspondentie en betalingen), mede in het licht van de eerdere erkenning van aansprakelijkheid, kwalificeren als daden van erkenning. Het thema toerekening kwam pas aan de orde in Mvg nr. 4.1.5.
toegerekend(die van Cunningham via toerekening aan Bovemij [33] ) heeft [eiser] aangevoerd dat:
de beoordeling en beslissing omtrent zijn aansprakelijkheid heeft overgelaten’ (rov. 6.12). Daarbij heeft het hof – eveneens in cassatie onbestreden – de daartoe aangevoerde stelling (c) dat [verweerster] aan [eiser] zou hebben meegedeeld de zaak geheel aan Bovemij te zullen overlaten, verworpen (rov. 6.13). De resterende aangevoerde omstandigheid (b) dat Bovemij eerder
namens[verweerster] aansprakelijkheid had erkend, heeft het hof noch op zichzelf beschouwd (rov. 6.12) noch in samenhang met de daarop voortbouwende uitingen van Cunningham en Bovemij bezien (rov. 6.14, slot) gekwalificeerd als een omstandigheid die toerekening aan [verweerster] rechtvaardigt. Hieruit volgt dat het hof alle (wel) aangevoerde stellingen van [eiser] op het punt van de gestelde toerekening heeft behandeld.
onderdeel I.5faalt.
[verweerster]betreffen en die rechtvaardigen dat [verweerster] in haar verhouding tot [eiser] het risico van de onbevoegde vertegenwoordiging draagt. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de door [eiser] aangevoerde omstandigheid dat Bovemij op 8 november 2001 namens [verweerster] aansprakelijkheid heeft erkend – zonder dat tevens vast is komen te staan dat [verweerster] daarbij op enigerlei wijze betrokken is geweest –, niet als een dergelijke [verweerster] betreffende omstandigheid kan worden aangemerkt. A fortiori is geen ruimte voor toerekening van op die erkenning van aansprakelijkheid voortbouwende handelingen van Bovemij en Cunningham in het kader van – zoals onbestreden is vastgesteld – de schadeafwikkeling.
onderdelen I.1 tot en met I.4af.