ECLI:NL:PHR:2018:1496

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2018
Publicatiedatum
12 februari 2019
Zaaknummer
18/01271
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid betrokkene in cassatieberoep inzake profijtontneming

Het gerechtshof Amsterdam heeft betrokkene verplicht tot betaling van €195.000 aan de Staat als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Tegen dit arrest is beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging van het cassatieberoep werd op 9 juni 2018 persoonlijk aan betrokkene uitgereikt, waarna de advocaat van betrokkene tijdig op de hoogte werd gesteld.

De wettelijke termijn voor het indienen van schriftuur houdende middelen van cassatie liep af op 8 augustus 2018. Gedurende deze termijn zijn echter geen middelen van cassatie ingediend. Hierdoor kan betrokkene niet in cassatie worden ontvangen op grond van artikel 437, tweede lid, Sv.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat betrokkene niet-ontvankelijk verklaard moet worden in het cassatieberoep. Dit betekent dat de Hoge Raad het beroep niet inhoudelijk zal behandelen en het arrest van het gerechtshof in stand blijft.

Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.

Conclusie

Nr. 18/01271 P
Zitting: 18 december 2018
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[betrokkene]
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij uitspraak van 13 februari 2018 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 195.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Er bestaat samenhang met de zaken 18/00713 en 18/00845. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Tegen genoemd arrest is namens de betrokkene beroep in cassatie ingesteld.
De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv Pro is op 9 juni 2018 aan de betrokkene in persoon uitgereikt. Mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, heeft zich in cassatie als raadsman van de betrokkene gesteld en is tijdig, bij brief van 12 juni 2018, van de aanzegging aan zijn cliënt in kennis gesteld. De in het tweede lid van art. 437 Sv Pro gestelde termijn van twee maanden liep af op 8 augustus 2018. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad betrokkene niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG