Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdelen 1.1 t/m 1.3).
subonderdelen 1.3 t/m 1.7). In dit verband wijst subonderdeel 1.4 op stellingen van [eisers] in de inleidende dagvaarding [13] over de acclimatisatieperiode en de aankoopkeuring. Ik bespreek deze klacht hierna tezamen met de subonderdelen 2.1.2 en 2.2.1.
Subonderdeel 2.1.1beoogt dat het hof het moment van ontdekking onvoldoende specifiek heeft vastgesteld omdat onduidelijk is op welke exacte datum en op welk tijdstip de ontdekking plaats had.
subonderdelen 2.1.2 en 2.2.1, kort gezegd, dat het (kennelijke) oordeel dat [eisers] het gebrek in april 2013 hebben ontdekt onvoldoende is gemotiveerd in het licht van de stellingen van [eisers] Zoals gezegd, bespreek ik deze klachten tezamen met de
subonderdelen 1.3 t/m 1.7.
subonderdelen 1.3 t/m 1.6wijzen op gevallen waarin is geoordeeld, dat pas na een onderzoek door een dierenarts de koper er met een voldoende mate van waarschijnlijkheid van uit moest gaan dat de geleverde prestatie niet aan de overeenkomst beantwoordde. Het is naar mijn mening niet uitgesloten dat de koper al op een eerder moment voldoende aanwijzingen heeft dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. Het is aan het hof, als rechter die over de feiten oordeelt, om te bepalen op welk moment er in dit geval voldoende aanwijzingen waren. In cassatie kan slechts worden getoetst of het oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende is gemotiveerd.
subonderdeel 2.1.2 (slot)aanvoert, blijkt uit het arrest voldoende op welke feiten en omstandigheden het hof dit oordeel baseert. Het hof wijst er immers op dat zich in april de eerste klachten openbaarden, dat daarom een masseur/fysiotherapeut werd ingeschakeld en dat de klachten na de eerste behandelingen bleven aanhouden.
subonderdelen 2.1.2 en 2.2.1wordt gewezen op de volgende stellingen van [eisers] Zij hebben aangevoerd (i) dat paarden eerst dienen te acclimatiseren en dat daarom het feit dat het paard vanaf het begin niet goed functioneerde voor [eisers] geen aanwijzing was dat er iets ernstigs met het paard aan de hand zou zijn en (ii) dat er veterinair onderzoek nodig was om de gebreken vast te stellen en dat zij [verweerder] vier dagen na ontdekking daarvan op 28 augustus 2013 hebben ingelicht. [14]
subonderdelen 2.2.2 en 2.2.3, kort gezegd, dat het hof door uit te gaan van april 2013 als moment van ontdekking van het gebrek buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, omdat het moment van ontdekking door beide partijen kort voor de brief van 4 september van [eisers] aan [verweerder] wordt geplaatst. Daartoe wijst de klacht op de in verband met art. 7:18 lid 2 BW Pro aangevoerde stelling van [verweerder] dat de bewijslast bij eiser ligt nu het gebrek zich pas na zes maanden heeft geopenbaard
subonderdeel 3.1.1).
subonderdelen 3.1.2 t/m 3.1.4 en 3.3veronderstellen dat het hof de regel van het arrest ABN AMRO/Botersloot (hierboven bij 2.2.5 genoemd) toepast en klagen dat [verweerder] zich niet op die regel heeft beroepen.
subonderdelen 3.2.1 t/m 3.2.3veronderstellen dat [verweerder] zich ook overigens niet, althans niet tijdig in de procedure, heeft beroepen op de redelijkheid in verband met het gedrag van [eisers] na de openbaring van de eerste klachten.
4.1, 4.2, 4.3, 4,6 en 4.7betogen, samengevat, dat het oordeel in rov. 4.10 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende is gemotiveerd, voor zover het hof daarin oordeelt dat [verweerder] nadeel heeft ondervonden van het niet tijdig klagen door [eisers] Volgens de klachten heeft [verweerder] onvoldoende gesteld om tot dit oordeel te komen. [verweerder] zou slechts de algemene stelling hebben betrokken dat hij in zijn bewijspositie is geschaad, dan wel kortweg hebben gemeld dat hij niet zou hebben kunnen onderzoeken hoe [eisers] met het paard zijn omgegaan of dat er een andere oorzaak was van het gebrek. Dergelijke opmerkingen zijn niet aan te merken als een concreet nadeel, hetgeen volgens de klachten wel is vereist.
subonderdelen 4.4. en 4.5verbinden een motiveringsklacht aan de veronderstelling dat het moment van ontdekking van het gebrek 28 augustus 2013 is. Deze klacht kan niet slagen, omdat zij berust op een onjuiste veronderstelling. Het moment van ontdekking is immers door het hof gesitueerd in april 2013.
subonderdelen 5.1 t/m 5.5verbinden, evenals de subonderdelen 4.4. en 4.5, klachten aan de veronderstelling dat het moment van ontdekking van het gebrek 28 augustus 2013 is. Deze klacht kan niet slagen om de bij 2.10 genoemde reden.