Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
nietwist. Tegen die beslissing richt het middel geen klacht. [3] Uitgangspunt in dit cassatieberoep is dus dat ABN AMRO er slechts in algemene zin mee bekend was dat [betrokkene 1] op een doorstart zinde, maar niet wist dat de verkoop aan Bruma daarmee in verband stond.
subonderdeel 1.1heeft het hof in rechtsoverweging 5.6 een onjuiste maatstaf aangelegd. Het hof zou zich ten onrechte hebben beperkt tot de maatstaf van de bijzondere zorgplicht van banken. Volgens de klacht had het hof voor de vraag waartoe ABN AMRO uit hoofde van de zorgvuldigheidsnorm gehouden was, er (ook) op moeten letten dat ABN AMRO en [eiseres] zich verhielden als twee medeschuldeisers van dezelfde debiteur, met de bijzonderheid dat ABN AMRO – in tegenstelling tot [eiseres] – niet voor een onvolledig verhaal van haar vordering behoefde te vrezen. Naar ik begrijp is dit volgens het middel van belang voor de vraag of ABN AMRO in de procedure tot verkrijging van toestemming voor de onderhandse verkoop van de aan haar verpande inventaris ex art. 3:251 lid 1 BW Pro had moeten meedelen dat [betrokkene 1] een doorstart beoogde.
Safe Haven, [4] hangt af van de omstandigheden van het geval. Niet valt in te zien waarom tot die omstandigheden niet mede zouden kunnen behoren de bijzonderheden als in het subonderdeel aangeduid. In buitencontractuele verhoudingen is de bijzondere zorgplicht van de bank eenvoudig te beschouwen als een toepassing van de zorgvuldigheidsnorm die rekening houdt met de maatschappelijke functie van de bank. Is getoetst aan de maatstaf van de bijzondere zorgplicht, dan is getoetst aan de zorgvuldigheidsnorm.
subonderdeel 1.2lees ik twee klachten, een rechtsklacht en een motiveringsklacht, als volgt: