Conclusie
g. de ontslagvergoeding van de man.
de beëindigingsvergoeding van de man
“Werkgever zal Werknemer in het kader van de beëindiging van het dienstverband per 1 juli 2015 een beëindigingsvergoeding betalen van € 169.694,84 bruto als tegemoetkoming voor de in de toekomst te derven inkomsten. Er bestaat geen aanspraak op enige andere compensatie.”De door de man gestelde voorwaarde dat het dienstverband bij T-Systems zou hebben voortgeduurd indien hij geen andere dienstbetrekking had gevonden en hij alsdan ook geen beëindigingsvergoeding had ontvangen, vindt geen steun in de stukken. Het hof zal aan die stelling dan ook voorbijgaan.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
nietricht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.15 dat de beëindigingsvergoeding van de man in de huwelijksgemeenschap van partijen is gevallen, nu de gemeenschap volgens de hoofdregel van art. 1:94 lid 1 BW Pro (oud) alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten omvat en er reeds op 31 maart 2015 sprake was van een (onvoorwaardelijke) aanspraak op de beëindigingsvergoeding, doch uitsluitend tegen het oordeel met betrekking tot de verknochtheid van deze vergoeding (rechtsoverwegingen 5.18 en 5.19, hiervoor weergegeven in 1.16), alsmede tegen het dictum.
punt 3.2dat het hof in de rechtsoverwegingen 5.18 en 5.19 heeft miskend dat een ontslagvergoeding die is ontvangen in de vorm van een aanspraak op een bedrag ineens, ook bijzonder verknocht kan zijn in de zin van art. 1:94 lid Pro 3 (oud) BW in geval deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van zijn dienstverband zou hebben genoten. Het onderdeel stelt onder verwijzing naar HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270, NJ 2018/259 m.nt. L.C.A. Verstappen dat ook in een zodanig geval bij beantwoording van de vraag of de aanspraak in de huwelijksgemeenschap valt, onderscheid moet worden gemaakt tussen de periode vóór en de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Voor zover de aanspraak ziet op laatstgenoemde periode valt deze volgens het onderdeel niet in de huwelijksgemeenschap, evenmin als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op loon voor nog te verrichten arbeid. Het onderdeel stelt in
punt 3.3dat de man in de feitelijke instanties heeft aangevoerd [4] dat de aanspraak die hij op grond van de vaststellingsovereenkomst op 31 maart 2015 jegens zijn werkgever heeft verkregen, strekte tot vervanging van inkomen uit arbeid dat hij bij voortzetting van zijn dienstverband na 1 juli 2015 zou hebben genoten, dat deze strekking ook voortvloeit uit art. 3 van Pro de vaststellingsovereenkomst, weergegeven in rov. 5.15, en dat de vrouw deze strekking niet dan wel onvoldoende heeft bestreden. Het onderdeel klaagt vervolgens in
punt 3.4dat, indien en voor zover het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat niet is komen vast te staan dat de aanspraak van de man jegens zijn werkgever de strekking had om inkomen uit arbeid te vervangen, dat hij bij voortzetting van zijn dienstverband zou hebben genoten, dat oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk is in het licht van het voorgaande. Het onderdeel stelt in dat verband dat vaststaat dat de aanspraak van de man jegens zijn werkgever betrekking had op de periode
na1 juli 2015, derhalve
naontbinding van de huwelijksgemeenschap op 25 juni 2015, dat op de laatstgenoemde datum tot het vermogen van de man derhalve de aanspraak jegens zijn werkgever tot uitbetaling van het overeengekomen bedrag per 1 juli 2015 behoorde, en dat vaststaat dat aan de man vóór 25 juni 2015 geen betalingen zijn verricht, ook niet bij wijze van voorschot [5] . Het onderdeel klaagt, concluderend, in
punt 3.5 dat het hof in het licht van het voorgaande van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door te oordelen dat de ontslagvergoeding tot een bedrag van € 77.882,73 netto in de huwelijksgemeenschap is gevallen, althans dat dit oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat de strekking van de aanspraak van de man jegens zijn werkgever uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst was de vervanging van inkomen uit arbeid dat hij bij voortzetting van zijn dienstverband zou hebben genoten. Omdat de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2015 is beëindigd en de huwelijksgemeenschap per 25 juni 2015 reeds was ontbonden, is volgens het onderdeel de
volledigeaanspraak buiten de huwelijksgemeenschap gevallen.
nietverknocht is. Met betrekking tot de van vennootschap 2 ontvangen ontslagvergoeding oordeelde het hof, onder verwijzing naar de inhoud van de beëindigingsovereenkomst en naar HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009/41 m.nt. L.C.A. Verstappen [9] , dat deze
welals verknocht moet worden beschouwd. In cassatie klaagde de vrouw over het oordeel van het hof dat de door de man van vennootschap 2 ontvangen ontslagvergoeding aan hem is verknocht. In het incidentele cassatieberoep kwam de man op tegen het oordeel dat de door hem van vennootschap 1 ontvangen ontslagvergoeding niet aan hem is verknocht. Uw Raad overwoog het volgende:
aanspraakgekregen op een in de toekomst uit te keren vergoeding in verband met zijn ontslag per 1 juli 2015;
geheelaan de man toekwam. Weliswaar viel de aanspraak op de toekomstige ontbindingsvergoeding in de huwelijksgemeenschap, echter het feit dat de vergoeding diende als tegemoetkoming voor de vanaf 1 juli 2015 te derven inkomsten en de huwelijksgemeenschap reeds vóór die tijd was ontbonden, brengt mee dat de nadien uitbetaalde gelden niet in de verdeling konden worden betrokken. De klachten van het onderdeel slagen derhalve grotendeels.
punt 3.6dat het hof bij de beoordeling van de mate van verknochtheid van de aanspraak van de man jegens zijn werkgever ten onrechte heeft meegewogen dat het dienstverband per 1 juli 2015 is geëindigd en dat de man op 30 juli 2015 in dienst is getreden bij een nieuwe werkgever. Geklaagd wordt dat het hof aldus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de strekking van een aanspraak op een ontslagvergoeding, voor de vaststelling van de mogelijke verknochtheid daarvan op grond van art. 1:94 lid Pro 3 (oud) BW, beoordeeld moet worden op het moment van verkrijging daarvan. Het onderdeel stelt dat de strekking van de aanspraak die de man op 31 maart 2015 jegens zijn toenmalige werkgever heeft verkregen, moet worden bepaald door hetgeen in de vaststellingsovereenkomst over de aard en het karakter van die aanspraak is vastgelegd, en dat latere feiten en omstandigheden, zoals het feit dat de man na ontbinding van de huwelijksgemeenschap op 30 juli 2015 een dienstbetrekking bij een nieuwe werkgever heeft aanvaard, die vastgestelde strekking niet kunnen veranderen. Het onderdeel wijst er daarbij op dat de man in de feitelijke instanties heeft gesteld dat hij nog geen nieuwe dienstbetrekking had op het moment van het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst. [10] Het onderdeel merkt in dit verband in
punt 3.7op dat op het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap de aanspraak van de man jegens zijn werkgever nog
niet(geheel of gedeeltelijk) was vervangen door een uitgekeerd geldbedrag, nu de man eerst na ontbinding van de huwelijksgemeenschap geldbedragen uitgekeerd heeft gekregen. [11] Indien en voor zover het bestreden oordeel zo moet worden begrepen dat bij de beoordeling van de verknochtheid van de ontslagvergoeding mede is gekeken naar de strekking van de uitgekeerde geldbedragen en de wijze van besteding daarvan, klaagt het onderdeel dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, omdat deze vervanging en besteding eerst
nade ontbinding van de huwelijksgemeenschap hebben plaatsgevonden en de verknochtheid van de uitgekeerde bedragen dus niet beoordeeld dient te worden. Het onderdeel klaagt in
punt 3.8dat, indien Uw Raad van oordeel mocht zijn dat de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan
nahet sluiten van de vaststellingsovereenkomst op 31 maart 2015 wel relevant zijn voor de vaststelling van de strekking van de aanspraak van de man jegens zijn werkgever, het hof ook in dat geval is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door feiten en omstandigheden mee te wegen die zich
nade ontbinding van de huwelijksgemeenschap hebben voorgedaan. Het onderdeel wijst er ter toelichting op dat ingevolge art. 1:99 BW Pro op het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap dwingendrechtelijk wordt vastgesteld wat de omvang van de huwelijksgemeenschap is. [12] Indien en voor zover feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na verkrijging van de aanspraak op de ontslagvergoeding (mede) bepalend (kunnen) zijn voor de strekking van deze aanspraak, hetgeen volgens het onderdeel derhalve niet het geval is, dient die strekking daarmee volgens het onderdeel uiterlijk bepaald te worden op het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Omstandigheden die zich daarna voordoen kunnen deze strekking, aldus nog steeds het onderdeel, niet veranderen. Het onderdeel wijst er in dit verband in
punt 3.9op dat niet alleen de uitbetaling van de aanspraak door de toenmalige werkgever van de man maar ook de indiensttreding bij de nieuwe werkgever hebben plaatsgevonden na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Deze feiten en omstandigheden kunnen volgens het onderdeel om die reden niet worden meegewogen bij de vaststelling van de strekking van de aanspraak van de man jegens zijn werkgever, alsmede de mate van verknochtheid daarvan. Het onderdeel klaagt dat het hof dat in de rechtsoverwegingen 5.18 en 5.19 ten onrechte wel heeft gedaan, in elk geval met betrekking tot het nieuwe dienstverband van de man.
tijdenshet huwelijk had plaatsvonden, (ii) de ontslagvergoeding
tijdenshet huwelijk was uitgekeerd en (iii) die uitkering
tijdenshet huwelijk (al dan niet) was aangewend voor de aankoop van een stamrechtverzekering of was ondergebracht in een stamrecht-B.V. Ook in de zaak die heeft geleid tot de beschikking van Uw Raad van 23 februari 2018 was dit het geval. In dergelijke gevallen moet volgens Uw Raad bij de beantwoording van de vraag of de aanspraak op de ontslagvergoeding in de huwelijksgemeenschap valt, onderscheid worden gemaakt tussen de periode
vooren de periode
naontbinding van de huwelijksgemeenschap. Voor zover de aanspraak ziet op laatstgenoemde periode valt deze
nietin de gemeenschap, evenmin als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op loon voor nog te verrichten arbeid. Dit uitgangspunt geldt blijkens de beschikking van 23 februari 2018 niet alleen in de gevallen waarin een ontslagvergoeding als koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij was gestort dan wel was aangewend voor de verwerving van een stamrecht jegens een door de werknemer zelf opgerichte en beheerste B.V., maar ook in het geval waarin dit niet was gebeurd. Er bestaat, zo overwoog Uw Raad, onvoldoende grond om te oordelen dat de vergoeding in het laatstgenoemde geval dan geheel in de gemeenschap valt, ook voor zover deze strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat
naontbinding van de huwelijksgemeenschap zou zijn genoten. Voor dat gedeelte valt de vergoeding, voor zover het daarmee gemoeide bedrag nog redelijkerwijs als zodanig in het vermogen van de echtgenoten is te identificeren, niet in de gemeenschap.
naontbinding van de huwelijksgemeenschap. De beëindigingsvergoeding diende blijkens de inhoud van de overeenkomst van 31 maart 2015 als tegemoetkoming voor de vanaf 1 juli 2015 te derven inkomsten. Voorts hebben de uitkeringen uit hoofde van de beëindigingsovereenkomst plaatsgevonden op een tijdstip
nade ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Zoals bij de bespreking van onderdeel 1 reeds bleek kan de conclusie in het licht van deze feiten geen andere zijn dat dat in deze zaak de gehele ontslagvergoeding niet in de gemeenschap valt. Die vergoeding komt uitsluitend de man toe. Gelet hierop behoeven de individuele klachten van het onderdeel niet alle afzonderlijk te worden besproken. Ik merk hier uitsluitend nog op dat het hof in het licht van het bovenstaande géén betekenis mocht toekennen aan het feit dat de man bijna een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst in dienst is getreden bij een nieuwe werkgever.
punt 3.10tot uitgangspunt dat de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na verkrijging door de man van de aanspraak op een ontslagvergoeding jegens zijn werkgever, althans na het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap van partijen (op 25 juni 2015),
weleen rol spelen bij de vaststelling van de strekking van een aanspraak op deze ontslagvergoeding alsmede de mate van verknochtheid daarvan. Het onderdeel klaagt vervolgens dat het bestreden oordeel ook in dat geval onjuist is, althans onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat het hof de volgende, ook in
punt 3.11genoemde, stellingen van de man onbehandeld heeft gelaten:
nahet moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap van partijen - de situatie dat een ontslagvergoeding die betrekking heeft op een ontslag (feitelijk eind van het dienstverband) tijdens het huwelijk wordt uitbetaald na het eind van de huwelijksgemeenschap even buiten beschouwing gelaten - een rol dienen te spelen bij de vaststelling van de strekking van een aanspraak op de ontslagvergoeding alsmede de mate van verknochtheid daarvan na het moment van ontbinding van de huwelijksgemeenschap. De situatie genoemd in rov. 4.1.5 van de beschikking van Uw Raad van 23 februari 2018 doet zich in de onderhavige zaak niet voor, nu de ontslagvergoeding is uitbetaald na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap en die vergoeding strekte tot vervanging van inkomsten die de man vanaf een moment na ontbinding van de huwelijksgemeenschap zou derven.
punten 3.13 t/m 3.16nader uit. In
punt 3.16wordt geklaagd dat het hof met zijn oordeel het grievenstelsel en de devolutieve werking van het appel heeft miskend.