Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof aan de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term “tezamen en in vereniging” een onjuiste betekenis heeft toegekend, althans dat het medeplegen en het daarin besloten opzet en causale verband niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, dan wel dat de overwegingen van het hof niet zonder meer begrijpelijk zijn. Blijkens de toelichting keert het middel zich specifiek tegen de bewezenverklaring van het voor medeplegen vereiste opzet van de verdachte.
4. Medeplegen van dood door schuld in het verkeer
bewustesamenwerking is in geval van culpoos medeplegen uiteraard geen sprake. Wordt een bestanddeel van de delictsomschrijving door
culpabeheerst, in het onderhavige geval het plaatsvinden van een verkeersongeval waardoor een ander wordt gedood, dan is dat bewijsrechtelijk niet alleen van betekenis ten aanzien van de pleger, maar evenzeer ten aanzien van de medepleger. De medepleger volgt anders gezegd in dat opzicht de pleger, en wel in die zin dat het ingetreden gevolg ook aan de schuld van de medepleger te wijten dient te zijn, [9] hoewel het door het culpoze delict verlangde gevolg strikt genomen ook slechts door één van hen direct kan zijn veroorzaakt. [10]
overtredingeen vereiste is wel enig debat plaatsgevonden. Voor overtredingen geldt, anders dan bij misdrijven, de leer van het materiële feit, hetgeen in de woorden van de toenmalige minister Modderman meebrengt dat bij overtredingen de rechter naar het bestaan van opzet of zelfs van schuld geen onderzoek behoeft in te stellen, noch daarover iets uitdrukkelijk behoeft te beslissen. [13] Zou in geval van medeplegen van een overtreding opeens wel opzet op de delictsgedraging worden verlangd, dan zou zulks haaks komen te staan op de (nog altijd heersende) leer van het materiële feit. In zijn arrest van 20 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZK0235 heeft de Hoge Raad deze inconsequentie onder ogen gezien en het volgende overwogen:
de factovaak toch ten minste opzet op de delictsgedraging aanwezig zal zijn. [19] Hoewel de uitkomst veelal dezelfde zal zijn, neemt dit echter niet weg dat, hoe dan ook, voor een bewezenverklaring van het medeplegen van een overtreding “slechts” behoeft te worden nagegaan of kan worden bewezen dat bewust is samengewerkt [20] in de fase die (direct) aan “het begaan van de overtreding” voorafgaat. [21] Derhalve hoeft de rechter in het kader van de overtredingen niet daarnaast nog afzonderlijk aandacht te besteden aan de vraag of (ook) opzet op de delictsgedraging heeft bestaan.
plegenvan een culpoos delict
evenminis vereist dat de pleger opzet op de meest nabij gelegen, het delict veroorzakende gedraging heeft, meen ik dat, naar analogie van de overtredingen, logischerwijs het opzet van de
medeplegerdaarop ook niet behoeft te zijn gericht. Wel zal, als gezegd, het door culpa beheerste bestanddeel ook aan de schuld van de medepleger te wijten moeten zijn, hetgeen een wezenlijke en naar mijn inzicht belangrijke begrenzing van de strafrechtelijke aansprakelijkheid behelst. Daarnaast zullen de betrokkenen nauw én bewust moeten hebben samengewerkt. Dit vereiste van bewuste samenwerking zal er doorgaans op neerkomen dat bij de medeplegers opzet op de delictsgedraging aanwezig is, maar (als gezegd) een zelfstandige voorwaarde voor strafrechtelijke aansprakelijkheid wegens het medeplegen van een culpoos delict is het opzet op de delictsgedraging mijns inziens niet. Het belang van deze nuance laat zich illustreren aan de hand van een kleine bewerking van de hiervoor aangehaalde voorbeelden van Modderman (uit het raam werpen van een zwaar voorwerp dat op het hoofd van een voorbijganger valt) en Postma (burengerucht door laten vallen krat bier). In het door Modderman gegeven voorbeeld hebben de beide betrokkenen zonder meer opzet op de delictsgedraging. Zij gooien immers opzettelijk een zwaar voorwerp uit het raam. Maar stel nu dat zij in het kader van een gezamenlijk ondernomen verbouwing van de door hen gedeelde woning samen een zwaar object trachten te verplaatsen langs een balustrade, maar daarbij aanmerkelijk onvoorzichtig te werk gaan en het object uit hun handen laten glippen waardoor het vele verdiepingen naar beneden op het hoofd van een ander terecht komt. Dan lijkt mij van opzet op de delictsgedraging geen sprake meer. Wel komt het mij voor dat bewust is samengewerkt voordat het delict zich manifesteert en is het gevolg vanwege de aanmerkelijke onvoorzichtigheid aan de schuld van
beidemededaders te wijten. Iets soortgelijks doet zich voor wanneer in het voorbeeld van Postma het laten vallen van de krat bier geen burengerucht maar zwaar hoofdletsel bij een op de grond liggende, al door de drank benevelde student veroorzaakt (zwaar lichamelijk letsel door schuld in de zin van art. 308 Sr Pro). Ook dan is er geen opzet op de delictsgedraging, maar kan wél van bewuste samenwerking worden gesproken.
tweede middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken van het geding te laat door het hof zijn ingezonden.