Uitspraak
- de verdachte vrijgesproken van bedreiging van zijn levensgezel (feit 2 in zaak met parketnummer 05-501951-09);
- de verdachte ter zake van:
- medeplegen van voorbereiding van een gewapende overval op het [hotel] (feit 1 in de zaak met parketnummer 05-720063-10),
- doodslag op [slachtoffer] (feit 2 primair in de zaak met parketnummer 05‑720063‑10),
- opzetheling van de bij feit 2 in de zaak met parketnummer 05‑720063‑10 betrokken motorscooter (feit 3 in de zaak met parketnummer 05‑720063‑10),
- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (feit 4 in de zaak met parketnummer 05-720063-10),
- belediging van een ambtenaar in functie (feit 5 in de zaak met parketnummer 05‑720063‑10),
- mishandeling (feit 1 in de zaak met parketnummer 05-700617-10),
- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (feit 2 in de zaak met parketnummer 05-700617-10),
- opzetheling (zaak met parketnummer 05-501099-09),
- belediging (zaak met parketnummer 05-501951-09) en
- belediging van een ambtenaar in functie (zaak met parketnummer 05-512977-09)
- een beslissing genomen ten aanzien van het beslag;
- de vordering van de [benadeelde partij] (nabestaande van het [slachtoffer] ) gedeeltelijk toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
- de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 05-501951-09 onder 2 ten laste gelegde feit;
- de verdachte, anders dan de rechtbank, vrijgesproken van betrokkenheid bij de aanrijding waarbij [slachtoffer] om het leven is gekomen (feit 2 in de zaak met parketnummer 05‑720063‑10, primair ten laste gelegd als het plegen of medeplegen van doodslag, subsidiair als het plegen of medeplegen van dood door schuld in het verkeer (art. 6 WVW Pro 1994) en meer subsidiair als het plegen of medeplegen van het veroorzaken van gevaar op de weg (art. 5 WVW Pro 1994));
- de verdachte ter zake van:
- medeplegen van voorbereiding van een gewapende overval op het [hotel] (feit 1 in de zaak met parketnummer 05-720063-10),
- medeplegen van opzetheling van de bij feit 2 in de zaak met parketnummer 05‑720063‑10 betrokken motorscooter (feit 3 in de zaak met parketnummer 05‑720063-10),
- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (feit 4 in de zaak met parketnummer 05-720063-10),
- belediging van een ambtenaar in functie (feit 5 in de zaak met parketnummer 05‑720063‑10),
- mishandeling (feit 1 in de zaak met parketnummer 05-700617-10),
- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (feit 2 in de zaak met parketnummer 05-700617-10),
- opzetheling (zaak met parketnummer 05-501099-09),
- belediging (zaak met parketnummer 05-501951-09) en
- belediging van een ambtenaar in functie (zaak met parketnummer 05-512977-09)
- een beslissing genomen ten aanzien van het beslag;
- de [benadeelde partij] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.
1.Beschrijving van de gebeurtenissen op 15 januari 2010
2.Wie was de bestuurder van de motorscooter
3.Doodslag dan wel dood door schuld in het verkeer
4.Medeplegen van dood door schuld in het verkeer
5.Conclusie
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) jaren.
[benadeelde partij]ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 10.000,00 (tienduizend euro)ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
overige niet-ontvankelijken bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
nihil.
verplichtingop om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van
€ 10.000,00 (tienduizend euro)als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
85 (vijfentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.