Conclusie
middel– ik zal het hier, in cassatie, letterlijk weergeven om alvast het beperkt inhoudelijke kader van de klacht zichtbaar te maken – klaagt slechts dat “het Hof bij zijn oordeel of sprake is van een causaal verband tussen de door het hof vastgestelde gedragingen (en tekortkomingen) en het als gevolg van inademen van koolmonoxide overlijden van twee slachtoffers ten onrechte heeft overwogen dat algemene ervaringsregels voor dit verband geen steun bieden, althans is zijn oordeel dienaangaande niet zonder meer begrijpelijk”. [1]
“Vrijspraak
Het hof verzoekt u tot uitgangspunt te nemen de beginsituatie zoals hiervoor omschreven (vijfde alinea van dit hoofdstuk), inclusief hetgeen door verdachte en zijn medeverdachte is erkend, zoals eveneens hiervoor aangegeven (zesde alinea van dit hoofdstuk);
Kunt u op basis van dat feitelijk uitgangspunt een waarschijnlijkheidsoordeel geven over de vraag of deze beginsituatie de oorzaak is geweest van de, eveneens hiervoor omschreven, eindsituatie, daaronder begrepen het aan één zijde losraken van de beugel.
“6.1 Conclusies onderzoek ter plaatse
“3. Oordeel
waaromen
hoedat losraken dan in zijn werk is gegaan, is de deskundige op dat aspect ter terechtzitting van het hof nader bevraagd. [6] De toelichting die de deskundige op ’s hofs terechtzitting van 5 augustus 2016 heeft gegeven, luiden samengevat als volgt. Gerapporteerd is op basis van de beginsituatie (zoals door het hof bedoeld). De kunststoffen afvoerpijp zet uiteen indien de ketel in bedrijf is en krimpt bij afkoeling. Deze beweging, die mogelijk is door de spanningsvrije ruimte binnen de ‘mof’, wordt normaal gesproken opgevangen door bevestigingsbeugels die het installatiebedrijf voorschrijft en de rookgasafvoerbuis in zijn geheel, dus rondom, afklemmen en die op deze manier geen ruimte voor beweging bieden. In de onderhavige zaak was het effect van de uitzetting extremer door de hogere rookgastemperaturen in de installatie ten gevolge van de niet juiste afstelling van de installatie. Het loslaten van de beugel aan één zijde is veroorzaakt door de afwijkingen met betrekking tot de beugeling van de rookgasafvoerpijp, in combinatie met het op spanning gemonteerd zijn daarvan en de hoge rookgastemperaturen. Daardoor kon mogelijk ook de beugel (waarmee de rookgasafvoerpijp aan het plafond was bevestigd) meebewegen en losraken. Bovendien is waarschijnlijk gebruikgemaakt van dezelfde schroeven en schroefgaten die eerder, bij de vorige leiding, zijn gebruikt, zodat, omdat deze dan wat minder goed ‘pakken’, er minimaal nog een andere beugel had moeten worden gebruikt. Vanaf het begin dat de installatie in werking was, werd teveel koolmonoxide geproduceerd. Het langste deel van de rookgasafvoerleiding heeft de meeste uitzetting en mogelijk is daardoor één van de bevestigingsschroeven losgeraakt. Op een vraag van de advocaat-generaal, verklaart de deskundige niet over deskundigheid te beschikken op het gebied van de berekening van krachten die door de genoemde krimp- en uitzetbewegingen worden veroorzaakt en de (in)werking daarvan op in hout vastgezette schroeven.
hoede door hem beschreven uitzet- en krimpbewegingen in combinatie met de verhoogde rookgastemperaturen tot het gevolg hebben kunnen leiden dat één van de schroeven van de aanwezige beugel is losgeraakt. Daarbij wijst het hof op: - de (forse) lengte en dikte van de aangetroffen schroef; - de constatering dat geen versplintering van het hout ter plaatse van het schroefgaatje te zien was, wat te verwachten zou zijn wanneer een schroef met geweld zou zijn losgetrokken; - de omstandigheid dat de deskundige heeft verklaard onvoldoende deskundigheid te bezitten op het gebied van de berekening van de genoemde krachten en de werking daarvan op het hout. Deze onduidelijkheden, kennelijk ook in onderling verband bezien, leiden er volgens het hof toe dat het niet verantwoord is de stellige conclusie van de deskundige over te nemen. Ook vindt het hof in de rapporten en de verklaringen van de deskundige geen betrouwbare en navolgbare onderbouwing voor de conclusie dat de omstandigheid dat de rookgasafvoer met één in plaats van twee beugels was gebeugeld en het gebruik van een niet door de fabriek voorgeschreven kunststofbeugel plus het op enige spanning monteren van de rookgasafvoerleiding het risico op het ontstaan van de eindsituatie in relevante mate hebben verhoogd, nu ook algemene ervaringsregels die onderbouwing volgens het hof niet bieden.
nieteen algemene ervaringsregel van toepassing heeft geacht. Weliswaar dient het oordeel of er wel of geen sprake is van een algemene ervaringsregel niet onbegrijpelijk te zijn, maar tegelijkertijd moet hier worden geconstateerd dat een dergelijk oordeel sterk verweven is met een beoordeling van feitelijke aard. In cassatie kan niet worden onderzocht of de feitenrechter die de verdachte op grond van zijn feitelijke waardering van het bewijsmateriaal heeft vrijgesproken, terecht tot dat oordeel is gekomen. Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt het tenlastegelegde bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake selectie en waardering, die – behoudens bijzondere gevallen – geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Welnu, hetzelfde heeft te gelden in het spiegelbeeldige geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. Aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061,
NJ2004/480, die daarop meteen laat volgen: “Een nadere motivering van een vrijspraak maakt de gegeven beslissing dus niet onbegrijpelijk doordat het beschikbare bewijsmateriaal – al dan niet op grond van een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard – een andere (bewijs)beslissing toelaat.”
hoeéén van de schroeven van de aanwezige beugel is losgekomen. Een overtuigend antwoord op die vraag acht het hof noodzakelijk om tot het oordeel te kunnen komen dát het losraken van de schroef successievelijk de beugeling daadwerkelijk werd veroorzaakt door de in de tenlastelegging omschreven gedragingen (en tekortkomingen) van de verdachte. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat de deskundige niet de benodigde deskundigheid bezat op het gebied van de berekening van de krachten en de werking van de meergenoemde krimp- en uitzetbewegingen op schroeven in hout. In dat oordeel ligt niet onbegrijpelijk besloten dat als zelfs een aan het KIWA N.V. verbonden deskundige bij gebrek aan deskundigheid ter zake zich niet kan uitlaten over een dergelijke berekening, en als duidelijkheid daarover kennelijk alleen kan worden verstrekt door iemand met een zeer specialistische kennis van dat technische onderwerp, er in dat verband (uiteraard) geen sprake is van een feit van algemene bekendheid. In dat opzicht wijkt de onderhavige zaak af van het arrest van HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:878, waarin, zo zou men kunnen zeggen, een enigszins specialistische of bedrijfsmatige wetenschap ter zake van gasvormige verschijnselen (toch) als een feit van algemene bekendheid werd beschouwd. De verdachte was in die zaak vervolgd voor het vervoer in een vrachtwagen van gevaarlijke stoffen in gasflessen (drukhouders) die niet voorzien waren van de vereiste etiketten. Ten aanzien van de klacht dat het hof de gasflessen ten onrechte niet als leeg had aangemerkt, overwoog de Hoge Raad dat het hof had vastgesteld dat de gasflessen gedeeltelijk gevuld waren met vloeistof en dat het hof kennelijk had geoordeeld dat het van algemene bekendheid is dat propaan en butaan bij normale temperatuur en normale druk gasvormig zijn en dat derhalve uit de omstandigheid dat zich in de drukhouders vloeistof bevond, moest worden afgeleid dat de inhoud van de drukhouders nog onder druk stond. Dat oordeel achtte de Hoge Raad niet onbegrijpelijk. Ook verschilt de onderhavige zaak van de casus die ten grondslag lag aan de door de steller van het middel aangehaalde uitspraak van Rb. Overijssel 26 januari 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:309, reeds omdat daar niet het specifieke probleem speelde waarvoor het hof zich in de onderhavige zaak met betrekking tot de causaliteitsvraag en de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte gesteld ziet.