ECLI:NL:PHR:2018:216

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 maart 2018
Publicatiedatum
19 maart 2018
Zaaknummer
17/01822
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 416, tweede lid, Sv
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schending aanwezigheidsrecht verdachte door onjuist verstekverlenen

De verdachte werd enkele uren voor de zitting in hoger beroep aangehouden en ingesloten op het politiebureau, waar hij tijdens de behandeling van de zaak door het hof verbleef. Het hof verleende verstek tegen de verdachte en verklaarde hem niet-ontvankelijk, zonder te onderzoeken of hij mogelijk gedetineerd was.

Hierdoor werd het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht geschonden, hetgeen in strijd is met art. 6 EVRM Pro. De verdachte had het recht om zijn zaak in hoger beroep alsnog in persoon te laten behandelen.

De conclusie van de plv. A-G leidt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe behandeling. Er zijn geen ambtshalve gronden gevonden voor vernietiging.

De zaak betreft een aanhouding op 10 april 2017 wegens verdenking van heling of diefstal van een fiets, waarbij de verdachte meerdere uren voor de zitting werd ingesloten en pas na de zitting werd gehoord met bijstand van zijn advocaat.

De Hoge Raad bevestigt hiermee het belang van het aanwezigheidsrecht en de noodzaak dat rechters onderzoeken of een verdachte mogelijk gedetineerd is voordat verstek wordt verleend.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens schending van het aanwezigheidsrecht en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling.

Conclusie

Nr. 17/01822
Zitting: 20 maart 2018
Mr. D.J.M.W Paridaens
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 10 april 2017 door het gerechtshof Den Haag onder toepassing van art. 416 , tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Het cassatieberoep is op 10 april 2017 namens de verdachte ingesteld en mr. M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelbeoogt te klagen dat het hof tegen de verdachte verstek heeft verleend en het onderzoek heeft voortgezet zonder deugdelijk onderzoek te hebben ingesteld of de verdachte mogelijk gedetineerd zat, waardoor het aanwezigheidsrecht van de verdachte is geschonden en in strijd is gehandeld met art. 6 EVRM Pro.
Uit de stukken van het geding blijkt dat aan de verdachte een dagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 10 april 2017 om 10:15 uur in persoon is uitgereikt. De verdachte is op deze terechtzitting niet verschenen. Wel is verschenen mr. Mantz, die heeft verklaard niet uitdrukkelijk door de verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. Het hof heeft verstek verleend, het onderzoek voortgezet en na de sluiting van het onderzoek op dezelfde zitting de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Uitgangspunt is dat indien de dagvaarding aan een verdachte in persoon is betekend en de verdachte noch zijn (gemachtigd) raadsman op de terechtzitting is verschenen, de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. [1] Nochtans bestaat de mogelijkheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen indien de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak rechtens van zijn vrijheid was beroofd zonder dat dit de rechter bekend was. [2]
6. Aan de cassatieschriftuur is een kopie gehecht van de eerste twee pagina’s van een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1500-2017098035-12, opgemaakt door [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Den Haag, waaruit – voor zover hier van belang – het volgende naar voren komt:
- de verdachte is op 10 april 2017 om 04:05 uur in Den Haag aangehouden wegens verdenking van heling dan wel diefstal van een fiets en is overgebracht naar het politiebureau Hoefkade te Den Haag;
- de verdachte is op 10 april 2017 om 05:36 uur geleid voor de hulpofficier van justitie;
- op 10 april 2017 om 05:39 uur is door de hulpofficier van justitie het bevel gegeven om de verdachte op te houden voor onderzoek;
- op 10 april 2017 om 05:44 uur is de piketcentrale voor de rechtsbijstand in kennis gesteld dat de verdachte heeft aangegeven dat voorafgaande aan zijn eerste verhoor overleg wil voeren met een raadsman/raadsvrouw;
- op 10 april 2017 om 10:26 uur heeft de verdachte een onderhoud gehad met de aan hem toegewezen advocaat Koerselman, kantoorhoudende te Zoetermeer, die aangaf dat zij niet de advocaat was die de verdachte wenste en dat zij contact op zou nemen met de voorkeursadvocaat van de verdachte, mr. Mantz. Tevens gaf zij, na het consult, namens de verdachte te kennen dat de verdachte die ochtend ter terechtzitting moest verschijnen bij de politierechter in Den Haag;
- op 10 april 2017 om 13:15 uur is in het politiebureau Hoefkade te Den Haag de verdachte gehoord. Hij werd daarbij bijgestaan door mr. Mantz. Tijdens dit verhoor werd aangegeven dat de verdachte deze ochtend bij het hof diende te verschijnen.
7. Uit het hiervoor onder 6. vermelde proces-verbaal – aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld – moet worden afgeleid dat de verdachte slechts enkele uren vóór de aanvang van de terechtzitting in hoger beroep door de politie is aangehouden en vervolgens is ingesloten op het politiebureau, welke insluiting voortduurde ten tijde van de behandeling van de zaak door het hof. Dit brengt met zich dat achteraf moet worden vastgesteld dat de beslissing van het hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek voort te zetten onjuist waren en dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan.
8. Gelet op het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, brengt het voorgaande mee dat de verdachte de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen.
9. Het middel slaagt.
10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163,
2.Vgl. HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3042; HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:98; HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:388; HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1128 en HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3224.