Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
24 april 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep berecht door het Gerechtshof Den Haag, waarbij verstek werd verleend omdat hij niet aanwezig was. Kort voor de zitting was de verdachte door de politie aangehouden en ingesloten op het politiebureau, een detentie die voortduurde tijdens de behandeling van de zaak. Hierdoor kon de verdachte niet aanwezig zijn bij de zitting, zonder dat hij vrijwillig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onjuist had gehandeld door verstek te verlenen en het onderzoek voort te zetten zonder de verdachte, hetgeen in strijd was met artikel 6 EVRM Pro dat het recht op een eerlijk proces waarborgt, waaronder het recht op aanwezigheid bij de behandeling van de zaak.
Op basis van de conclusie van de plaatsvervangend Advocaat-Generaal werd het middel van cassatie gegrond verklaard. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag voor een hernieuwde berechting waarbij de verdachte in persoon aanwezig kan zijn.
Deze uitspraak benadrukt het belang van het aanwezigheidsrecht van de verdachte in hoger beroep en stelt dat detentie uit anderen hoofde geen reden mag zijn om verstek te verlenen zonder dat de verdachte afstand heeft gedaan van dat recht.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en wijst zaak terug wegens schending aanwezigheidsrecht verdachte in hoger beroep.