Conclusie
eerste middelklaagt over het niet responderen door het hof op het verweer dat voor medeplegen het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Kort gezegd is daartoe aangevoerd dat er geen bewijs was voor een gezamenlijk plan, een bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering, noch dat de verdachte een scooter/bromfiets heeft verworven, voorhanden heeft gehad of overgedragen. Dit verweer kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht.
tweede middelklaagt over de verwerping van het verweer dat voor opzetheling het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Kort gezegd stelt het verweer dat de verdachte geen weet had van het feit dat het een gestolen scooter betrof. De delictsomschrijving van opzetheling vereist inderdaad opzet in de vorm van wetenschap, in die zin dat de verdachte ten tijde van het verwerven, voorhanden krijgen of het overdragen van het goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Voorwaardelijk opzet is daartoe toereikend. [6] De nadere bewijsoverweging van het hof besteedt weliswaar aandacht aan de waarneming van verdachte dat de kappen ter hoogte van het stuur van de scooter waren verwijderd en dat de bedrading los was. Dat lijkt mij echter niet toereikend om de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat het een gestolen scooter betrof op te baseren. De verdachte kan immers ook gedacht hebben dat de medeverdachte de scooter aan het repareren was o.i.d. Dat tendeert dan meer naar schuldheling, maar de voor opzetheling vereiste bewustheid volgt daaruit niet zonder meer.