Op 30 januari 2015, omstreeks 04.30 uur, was ik belast met de incidentenafhandeling in de stad Utrecht met collega [verbalisant 2].
Ik hoorde dat onze meldkamer ons verzocht te gaan naar de [a-straat], waar mogelijk ingebroken zou worden.
Ik hoorde dat de eenheden 4401, 4303 en 4409 ook meereden naar deze melding.
Ik hoorde dat dit mogelijk gedaan zou worden door twee mannen met het volgende signalement: donkere jassen en capuchons.
Wij reden de [a-straat] op richting de Furkabaan.
Ik zag dat een voertuig ons tegemoet kwam, een Volkswagen, type Polo, kenteken [AA-00-BB]. Ik zag dat in dit voertuig een bestuurder en een bijrijder zaten en dat zij donkere jassen droegen.
Hierop keerden wij en reden wij achter dit voertuig aan.
Ik bevroeg via ons systeem het kenteken en zag dat de tenaamgestelde betrof: [betrokkene 3], geboortedatum: [geboortedatum] 1990.
Wij gaven de bestuurder van het voertuig een stopteken waaraan hij voldeed.
Ik zag dat er vier mannen in het voertuig zaten, dat zij licht getint waren en donkere jassen droegen.
Ik hoorde dat de eenheid 4401 portofonisch doorgaf dat zij op de [a-straat] te Utrecht bij de portiek van perceel 319 in gesprek waren met de melder.
Zij gaven door dat de getuige had gezien dat er twee mannen met een breekijzer bij perceel 323 bij de deur aan het wrikken waren.
De getuige had gezien dat deze twee mannen rond de twintig waren, beide donkere jassen met capuchons droegen, waarvan één met een lichtkleurige bontkraag.
Tevens gaven zij door dat zij braakschade hadden aangetroffen bij de voordeur van perceel 323.
Ik zag dat achter de bestuurder een man zat met het volgende signalement: begin twintig jaar oud, zwarte jas met capuchon. Ik zag dat achter hem, op de hoedenplank, een lichtkleurige bontkraag lag.
Ik gaf deze bevindingen portofonisch door aan eerdergenoemde eenheden.
Ik heb de overige inzittenden ook om een identiteitsbewijs gevraagd.
Ik zag dat de bijrijder op gaf te zijn: [verdachte], geboortedatum: [geboortedatum] 1993.
Ik zag dat de man achter de bijrijder op gaf te zijn: [betrokkene 4], geboortedatum: [geboortedatum] 1996.
Ik zag dat de man achter de bestuurder op gaf te zijn: [betrokkene 5], geboortedatum: [geboortedatum] 1993.
Ik hoorde dat de eenheid 4409, mijn collega [verbalisant 3], portofonisch doorgaf dat hij schoensporen in de sneeuw zag op de locatie van de poging van de inbraak.
Hij gaf door dat deze schoensporen vanaf het genoemde perceel richting de Jura liepen. Hij gaf door dat zij ophielden bij een leeg parkeervak. Kennelijk waren de verdachten van de poging inbraak vetrokken met een auto.
Ik hoorde dat hij doorgaf dat hij foto ’s ging maken van de schoensporen en deze via zijn mobiele telefoon ging verzenden naar collega [verbalisant 4].
Ik zag dat [verbalisant 4] de schoenzolen van de inzittenden vergeleek met de foto’s die hij had ontvangen op zijn mobiele telefoon. Ik hoorde dat hij foto ’s had ontvangen van drie verschillende schoenen. Hij zei dat hij had gezien dat de schoenen van de volgende drie mannen, in het vervolg te noemen verdachten, overeen kwamen:
[verdachte], [betrokkene 4] en [betrokkene 5].
Ik hoorde dat [verbalisant 3] doorgaf dat hij een foto had gemaakt van een bandenspoor in de sneeuw ter hoogte van het parkeervak waar de schoensporen waren opgehouden. Ik hoorde dat [verbalisant 4] zei dat dit bandenspoor overeen kwam.
Wij hebben de verdachten aangehouden.