Conclusie
eerste middelbevat de klacht dat het hof de verzoeken tot het horen ter terechtzitting van aangever [betrokkene 1] ten onrechte heeft afgewezen, althans heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen.
[betrokkene 1]als getuige op de terechtzitting (van de inhoudelijke behandeling) wordt afgewezen. [betrokkene 1] is reeds drie maal bij de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging gehoord.
[betrokkene 1]wordt
afgewezen.Het hof toetst dit verzoek aan het noodzaakscriterium, nu [betrokkene 1] reeds eerder in aanwezigheid van de raadslieden is gehoord. Voor zover ter onderbouwing van het verzoek is aangevoerd dat het van belang is dat het hof zichzelf een indruk van (de persoon van) [betrokkene 1] vormt, verwijst het hof daarvoor naar hetgeen het hof dienaangaande op 23 mei 2014 reeds heeft overwogen. Met de raadslieden is het hof van oordeel dat de in het geding gebrachte verklaring van [betrokkene 2] als een novum kan gelden, waarbij deze verklaring volgens de verdediging - zo begrijpt het hof - met name van belang is met het oog op het beoordelen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] . Gelet op het voorgaande is het verzoek tot het horen van [betrokkene 2] als getuige door het hof toegewezen. Het hof is van oordeel dat de noodzaak tot het daarnaast nogmaals horen van [betrokkene 1] ontbreekt, nu de waarnemingen van [betrokkene 2] die mogelijk een bijdrage kunnen leveren aan de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] , genoegzaam in het verhoor van [betrokkene 2] aan de orde kunnen worden gesteld. Nu het hof tot het oordeel komt dat geen noodzaak bestaat tot het opnieuw horen van de getuige [betrokkene 1] , behoeven het eventuele gevaar van een verhoor voor de gezondheid van deze getuige en de in dat verband door de raadslieden gedane verzoeken, geen bespreking.”
Eenzelfde verzoek is reeds op 21 september 2015 door het hof afgewezen op de gronden zoals vermeld in het proces-verbaal van die terechtzitting (pagina 10, vierde gedachtestreepje).
Dat nadien nog drie getuigen door de raadsheer-commissaris zijn géhoord in verband met de op 22 mei 2008 uitgevoerde controle door de arbeidsinspectie in restaurant [A] , waar [betrokkene 1] op dat moment werkzaam was, noopt op zichzelf beschouwd er niet zonder meer toe aangever [betrokkene 1] nogmaals te horen. Nu uit die verhoren ook geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen ontbreekt ook overigens de noodzaak voor toewijzing van het verzoek.”
tweede middelklaagt dat het hof heeft verzuimd om de schriftelijke pleitnotities van mr. Van den Munckhof met de motivering van diens verzoek om aangever [betrokkene 1] ter zitting op te roepen en te ondervragen, aan het proces-verbaal van de zitting van 11 juni 2016 te (doen) hechten. Nu de raadsman van verdachte zich met de kennelijke toestemming van de voorzitter van het hof bij dit verzoek had aangesloten, kan in cassatie niet meer worden nagegaan wat ten grondslag lag aan dit mede namens verdachte gedane verzoek om aangever [betrokkene 1] ter terechtzitting te horen.
derde middelklaagt over de onder 2 bewezenverklaarde diefstal. Uit de bewijsmiddelen kan niet blijken a) dat het steeds verdachte was die de bedragen tot een totaal van bijna 14.800 euro heeft weggenomen door middel van de bankpas van [betrokkene 1] en b) dat verdachte zich de betreffende bedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend, dit mede in het licht van de verklaring en het verweer van verdachte dat de betalingen van de bankrekening van [betrokkene 1] strekten tot afbetaling van de schuld die hij aan verdachte had in verband met het spelen van Mahjong.
vierde middelklaagt over het oordeel van het hof dat de redelijke termijn niet overschreden is.