De zaak betreft een uitleveringsprocedure waarbij de opgeëiste persoon, met de Nederlandse en Pakistaanse nationaliteit, wordt verdacht van terrorisme en uitlevering aan de Verenigde Staten wordt gevraagd. De opgeëiste persoon is in Pakistan gefolterd door de Pakistaanse geheime dienst ISI. De rechtbank Rotterdam verklaarde de uitlevering toelaatbaar, omdat geen directe betrokkenheid van Amerikaanse functionarissen bij de foltering was vastgesteld.
Het hof oordeelde echter dat de Staat onvoldoende onderzoek had verricht naar de vraag of de VS de Pakistaanse autoriteiten hadden verzocht de opgeëiste persoon aan te houden, wat zou betekenen dat de VS de foltering hadden bewerkstelligd. Het hof verbood de uitlevering vanwege het absolute verbod op foltering en de onderzoeksplicht van de Staat.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verduidelijkte de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister. De Hoge Raad stelde dat indien blijkt dat functionarissen van de verzoekende staat foltering hebben uitgelokt of bewerkstelligd, de uitlevering ontoelaatbaar is. De Staat had een nader onderzoek moeten instellen, wat niet is gebeurd, waardoor uitlevering onrechtmatig is. Het cassatieberoep van de Staat werd verworpen.