Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Ten geleide
- de totstandkoming van Verordening nr. 91/2009 (hoofdstuk 2);
- de geldigheid van Verordening nr. 91/2009 in het licht van de WTO-antidumpingovereenkomst, zoals uitgelegd bij de aanbevelingen en uitspraken van het DSB (hoofdstuk 3);
- de bevoegdheid van de nationale rechter (hoofdstuk 4);
- de geldigheid van Verordening nr. 91/2009 in het licht van artikel 3, lid 2 en artikel 4, lid 1, van de Basisverordening (hoofdstuk 5);
- de geldigheid van Verordening nr. 91/2009 in het licht van artikel 2, leden 10 en 11, van de Basisverordening (hoofdstuk 6 en 7);
- de geldigheid van Verordening nr. 91/2009 in het licht van artikel 9, lid 4, van de Basisverordening (hoofdstuk 8);
- de terugwerkende kracht van Uitvoeringsverordening nr. 2016/278 (hoofdstuk 9); en
- de terugbetaling van antidumpingrechten (hoofdstuk 10).
2.De totstandkoming van Verordening nr. 91/2009
Geldigheid van Verordening nr. 91/2009 in het licht van de WTO-antidumpingovereenkomst, zoals uitgelegd bij de aanbevelingen en uitspraken van het DSB
C & J Clark International [29] heeft het HvJ onder meer overwogen dat uit artikel 216, lid 2, VWEU volgt dat de door de Unie gesloten internationale overeenkomsten verbindend zijn voor de instellingen van de Unie en dus van hogere rang zijn dan de handelingen van die instellingen (punt 82 van het arrest). De Unie is partij bij de WTO-antidumpingovereenkomst, zodat deze overeenkomst daadwerkelijk verbindend is voor de instellingen van de Unie (zie punt 83 van het arrest).
C & J Clark International).
C & J Clark Internationalaangehaalde bewoordingen uit de vijfde overweging van de Basisverordening (oud) zijn overgenomen in de derde overweging van de Basisverordening (nieuw) [31] , geldt hetgeen het HvJ in dat arrest ter zake van de Basisverordening (oud) heeft geoordeeld mutatis mutandis voor de Basisverordening (nieuw). De WTO-antidumpingovereenkomst kan derhalve niet worden ingeroepen om de rechtmatigheid van de Basisverordening te betwisten.
C & J Clark Internationaldat, gelet op aard en de opzet van het bij de WTO-overeenkomsten ingevoerde stelsel van geschillenbeslechting en op de belangrijke plaats die dit stelsel inruimt voor onderhandelingen tussen de overeenkomstsluitende partijen, de Unierechter in elk geval de rechtmatigheid of de geldigheid van Uniehandelingen niet aan de WTO-regels mag toetsen vóór het verstrijken van de redelijke termijn die aan de Unie is verleend om te voldoen aan de aanbevelingen of uitspraken van het DSB houdende vaststelling van de niet-inachtneming van die regels, omdat die termijn anders elk nuttig effect zou verliezen.
recommendsthat the DSB request the European Union to bring its measures, found in this Report and in the Panel report as modified by this Report, to be inconsistent with the
Anti-Dumping Agreementand the
WTO Agreement, into conformity with its obligations under those Agreements.”
recommendsthat the DSB request the European Union to bring its measures found in this Report, and in the Panel Report as modified by this Report, to be inconsistent with the Anti-Dumping Agreement into conformity with its obligations under that Agreement.”
C & J Clark International).
C & J Clark International). De wettigheid van Verordening nr. 91/2009 kan derhalve niet worden getoetst aan de DSB-rapporten. [34]
in overeenstemming metde WTO-antidumpingovereenkomst moet worden uitgelegd.
4.Bevoegdheid nationale rechter
Foto-Frost/Hauptzollamt Lübeck-Ost [35] geoordeeld dat de nationale rechterlijke instanties een onderzoek kunnen instellen naar de geldigheid van een gemeenschapshandeling en, indien zij menen dat de door een partij aangevoerde middelen van ongeldigheid ongegrond zijn, deze verwerpen door vast te stellen dat de handeling ten volle geldig is (punt 14).
C & J Clark Internationalgeoordeeld dat een natuurlijke persoon of rechtspersoon zich niet zonder meer voor de nationale rechterlijke instantie op de ongeldigheid van een bepaalde handeling van een instelling van de Unie aan het HvJ kan beroepen, indien komt vast te staan dat deze persoon heeft nagelaten om op grond van artikel 263 van Pro het VWEU de geldigheid van die handeling aan het HvJ voor te leggen. Een beroep op de ongeldigheid van een handeling van de instellingen van de Unie voor de nationale rechter is niet mogelijk indien komt vast te staan dat een beroep ex artikel 263 VWEU Pro zonder enige twijfel ontvankelijk zou zijn geweest (zie punten 56 en 57 van
C & J Clark International).
C & J Clark International):
Artikel 2
Geldigheid van Verordening nr. 91/2009 in het licht van artikel 3, lid 2, en artikel 4, lid 1, van de Basisverordening
de bedrijfstak van de Gemeenschap.”
een groot deel van de totale communautaire productie van deze producten als omschreven in artikel 5, lid 4, uitmaakt(…)”
De klacht wordt geacht„
door of namens de bedrijfstak van de Gemeenschap te zijn ingediend” indien zij wordt gesteund door de producenten in de Gemeenschap wier gezamenlijke productie meer dan 50% bedraagt van de totale productie van het soortgelijke product dat wordt vervaardigd door dat deel van de bedrijfstak van de Gemeenschap dat zich voor of tegen de klacht heeft uitgesproken. Er wordt evenwel geen onderzoek geopend wanneer de producenten in de Gemeenschap die die klacht uitdrukkelijk steunen, minder dan 25% van de totale productie van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Gemeenschap voor hun rekening nemen.”
Philips Lighting Poland en Phillips Lighting/Raad [39] geoordeeld dat de term ‘bedrijfstak van de Gemeenschap’ in overeenstemming met de WTO-antidumpingovereenkomst moet worden uitgelegd en dat de verwijzing naar artikel 5, lid 4 van de Basisverordening een ‘bijkomend element’ vormt (met mijn cursivering):
zo veel mogelijk worden uitgelegd tegen de achtergrond van het volkenrecht, met name wanneer dergelijke bepalingen juist strekken tot tenuitvoerlegging van een door de Unie gesloten internationale overeenkomst (zie arrest SCF, C‑135/10, EU:C:2012:140, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
dat het begrip „bedrijfstak van de Gemeenschap” in overeenstemming met de antidumpingovereenkomst van 1994 moet worden uitgelegd.
Philips Lighting Poland en Phillips Lighting/Raadvolgt dat artikel 4, lid 1, in samenhang met artikel 5, lid 4, van de Basisverordening enkel naar laatstgenoemde omschrijving verwijst:
Ikea Wholesale [40] volgt dat de instellingen van de Unie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, en met name ter zake van beschermende handelsmaatregelen, over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken, wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken. In dit verband is het van des te fundamenteler belang dat de door de rechtsorde van de Unie in administratieve procedures geboden waarborgen in acht worden genomen. Een van deze waarborgen is de verplichting voor de bevoegde instelling om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken. [41] De rechterlijke toetsing moet derhalve beperkt blijven tot de beoordeling of sprake is van een ‘kennelijke beoordelingsfout’: [42]
legitimatelyrepresent a major proportion of total production and … this was the case in the fasteners investigation.”
totalproduction will standardly serve as a substantial reflection of the total domestic production. Indeed, the lower the proportion, the more sensitive an investigating authority will have to be to ensure that the proportion used substantially reflects the total production of the producers as a whole.”
Anti-Dumping Agreement. ” In our view, the 25 per cent benchmark in Article 5.4 of the
Anti-Dumping Agreementconcerns the issue of standing and does not address the question of what constitutes “a major proportion” in Article 4.1. Thus, the Commission determined that a proportion as small as 27 per cent met the standard of “a major proportion” simply because it exceeded a benchmark that was irrelevant to the issue of the definition of the domestic industry. As a result of the application of a benchmark wholly unrelated to the proper interpretation of the term “a major proportion”, the domestic industry defined in the fasteners investigation covered a low proportion of domestic production, which significantly restricted the data coverage for conducting an accurate and undistorted injury determination.”
Philips Lighting Poland en Phillips Lighting/Raadoverwogen dat tevens moet zijn voldaan aan de voorwaarde dat sprake is van een ‘groot deel’ van de totale communautaire productie van soortgelijke producten. Voor zover de Uniewetgever bij de vaststelling van Verordening nr. 91/2009 ervan is uitgegaan dat indien de producenten in de Unie die de klacht steunen tezamen meer dan 25% van de productie van het soortgelijk product in de Unie zonder meer sprake is van een bedrijfstak van de Gemeenschap, en niet tevens hoeft te worden onderzocht of onder de gegeven omstandigheden ook sprake is van een groot deel van de totale communautaire productie van soortgelijke producten, berust dat uitgangspunt op een onjuiste rechtsopvatting.
Therefore, we consider that the Panel erred in finding that “the European Union did not act inconsistently with Article 4.1 of the [Anti-Dumping Agreement] in defining a domestic industry comprising producers accounting for 27 per cent of total estimated EU production of fasteners.””
upholdsthe Panel’s finding, in paragraphs 7.299 and 8.1.v of the Panel Report, that the European Union acted inconsistently with Article 4.1 because the Commission defined the domestic industry on the basis of domestic producers that came forward in response to the original Notice of Initiation, which stated that only those producers willing to be included in the injury sample would be considered as cooperating; and
upholdsthe Panel’s consequential findings, in paragraphs 7.2999 and 8.1.v. of the Panel Report, that the Commission’s injury determination, based on the data obtained from a wrongly defined domestic industry, was inconsistent with Article 3.1.
recommendsthat the DSB request the European Union to bring its measures found in this Report, and in het Panel Report as modified by this Report, to be inconsistent with the Anti-Dumping Agreement into conformity with its obligations under that Agreement.”
Philips Lighting Poland en Phillips Lighting/Raadis overwogen dat artikel 4, lid 1, van de Basisverordening zo veel mogelijk in overeenstemming met artikel 4.1 van de WTO-antidumpingovereenkomst moet worden uitgelegd, en de Beroepsinstantie die bepaling in haar oorspronkelijke rapport zo heeft geïnterpreteerd dat in het onderhavige geval een vertegenwoordiging van 27% van de totale productie geen ‘groot deel’ van de totale communautaire productie van soortgelijke producten vormt, meen ik dat artikel 4, lid 1, van de Basisverordening is geschonden. Aangezien in artikel 3, lid 2, van de Basisverordening, inzake de vaststelling van schade, aan de term ‘bedrijfstak van de Gemeenschap’ wordt gerefereerd, werkt een onjuiste definitie van die term in artikel 4, lid 1, door in artikel 3, lid 2 van de Basisverordening. Daarom is in mijn optiek ook laatstgenoemde bepaling geschonden.
Geldigheid van Verordening nr. 91/2009 in het licht van artikel 2, leden 10 en 11, van de Basisverordening (i)
alle vergelijkbare exporttransactiesnaar de Unie. Aangezien de Commissie heeft besloten om bepaalde Chinese exporttransacties buiten beschouwing te laten, namelijk de transacties met betrekking tot producttypes die niet tevens werden gemaakt door de producent in het referentieland India, heeft zij niet aan dit voorschrift voldaan, aldus belanghebbende.
Fysieke kenmerken
alle vergelijkbare exporttransacties naar de Gemeenschapof door vergelijking, per transactie, van de afzonderlijke normale waarden en de afzonderlijke prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap. Een op een gewogen gemiddelde gebaseerde normale waarde mag evenwel met de prijzen van alle afzonderlijke uitvoertransacties naar de Gemeenschap worden vergeleken indien de exportprijzen voor de verschillende afnemers, gebieden of tijdvakken sterk uiteenlopen en de in de voorgaande zin omschreven methoden ontoereikend zouden zijn om de dumping volledig tot uitdrukking te brengen. De bepalingen van dit lid vormen geen beletsel voor het gebruik van de steekproefmethode overeenkomstig artikel 17.”
alle vergelijkbare uitvoertransactiesof door vergelijking van de normale waarde en de exportprijs van afzonderlijke transacties. Een op een gewogen gemiddelde gebaseerde normale waarde mag met de prijzen van individuele exporttransacties vergeleken worden indien de autoriteiten constateren dat de exportprijzen voor de verschillende afnemers, regio’s en tijdvakken sterk uiteenlopen en op voorwaarde dat verklaard wordt waarom met dergelijke verschillen niet naar behoren rekening kan worden gehouden door het vergelijken van gewogen gemiddelden of van transacties.”
all export transactions, they could have said so. The European Union submits that the “Commission excluded some export transactions from its dumping calculation, because including them would have resulted in inaccurate findings based on non-comparable transactions” and that “[t]his situation cannot be compared with the zeroing situation that the Panel based its analysis on.”
Philips Lighting Poland en Phillips Lighting/Raad(zie onderdeel 5.9). Ook verwijs ik naar de punten 40 tot en met 45 van
Portmeirion Group [56] , waarin het HvJ onder meer overweegt dat het in de Basisverordening genoemde begrip ‘betrokken product’ in het licht van de WTO-antidumpingovereenkomst moet worden uitgelegd, aangezien uit overweging 3 van de Basisverordening blijkt dat die verordening beoogt zo veel mogelijk de bepalingen van de WTO-antidumpingovereenkomst om te zetten. Gelet hierop komt de vraag op in hoeverre de term ‘alle vergelijkbare transacties’ in overeenstemming met artikel 2.4.2 van de WTO-antidumpingovereenkomst moet worden uitgelegd. Het HvJ heeft onder meer in
C & J Clark Internationalgeoordeeld dat de vijfde overweging van de Basisverordening zo moet worden opgevat dat ook al heeft de Uniewetgever bij de vaststelling van de Basisverordening rekening willen houden met de regels van die overeenkomst, hij niet de wil heeft geuit om elk van die regels in die verordening om te zetten. [57] Advocaat-Generaal Kokott merkt in haar conclusie bij
Commissie/Rusal Armenal [58] , waarnaar in het bijbehorende arrest wordt verwezen, te dezen het volgende op: [59]
voor zover mogelijkin gemeenschapsrecht om te zetten.
EC – Bed Linen, the Appelate Body stated that article 2.4.2 explains “how domestic investigating authorities must proceed in establishing ‘the existence of margins of dumping’, that is, it explains how they must proceed in establishing that there
isdumping." Article 2.4.2explicitly requires that, where the WA-WA methodology is used, the existence of margins of dumping has to be established on the basis of a comparison of a weighted average normal value with a weighted average of prices of "
all comparable export transactions". With regard to the meaning of this phrase, the Appellate Body found that, once an investigating authority has defined the product at issue and the "like product" on the domestic market, it cannot "at a subsequent stage of the proceeding, take the position that some types or models of that product [have] physical characteristics that [are] so different from each other that these types or models [are] not 'comparable'." In that dispute, the Appellate Body considered that "[a]ll types or models falling within the scope of a 'like' product must necessarily be 'comparable', and export transactions involving those types or models must therefore be considered 'comparable export transactions' within the meaning of Article 2.4.2." The Anti-Dumping Agreement "concerns the dumping of a
product, and … therefore, the margins of dumping to which Article 2.4.2 refers are the margins of dumping for a
product."
Geldigheid van Verordening nr. 91/2009 in het licht van artikel 2, lid 10, van de Basisverordening (ii)
Commissie/Rusal Armenal:
Geldigheid van Verordening nr. 91/2009 in het licht van artikel 9, lid 4, van de Basisverordening
9.Terugwerkende kracht van Uitvoeringsverordening nr. 2016/278
C & J Clark International Ltd [69] volgt echter dat het de Unie juist vrijstaat aan aanbevelingen van het DSB uitvoering te geven op de wijze die zij het meest passend acht (zie hoofdstuk 3 van de gemeenschappelijke bijlage). Belanghebbendes standpunt vindt dan ook geen steun in het recht.