Uitspraak
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 8 september 2015, nr. 13/00544, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 12/5482) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van antidumpingrechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
Uitgangspunten in cassatie
.het arrest Maxcom, punt 60). In voorkomend geval dient een producent-exporteur daarom ook te bewijzen dat aan zijn praktijken, processen of werkzaamheden in het derde land een ander redelijk motief ten grondslag ligt dan het ontlopen van het antidumpingrecht (vgl. het arrest Simon, Evers & Co, punt 56).
,wordt bevestigd in de hiervoor in 2.5.5 en 2.5.6 genoemde rechtspraak van het Hof van Justitie. Het Hof van Justitie heeft naar analogie van het arrest Brother geoordeeld dat wanneer aan de hand van de verandering van handelsstructuren is bewezen dat in het gehele derde land sprake is van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat, elke in dat derde land betrokken producent-exporteur individueel dient te bewijzen dat een ander redelijk motief dan het ontlopen van het antidumpingrecht aan die activiteiten in het derde land ten grondslag ligt (vgl. het arrest Simon, Evers & Co, punt 56).
.Het middel wijst erop dat belanghebbende voor het Hof heeft gesteld dat de bevindingen van de Commissie in tegenspraak zijn met informatie van Eurostat en dat de Commissie bij de vaststelling van de toegenomen volumes uit Maleisië geen rekening heeft gehouden met de Maleisische exporteurs die werden vrijgesteld.
kunnenworden uitgebreid…”, cursivering toegevoegd) lijkt bovendien voort te vloeien dat de Raad beschikt over beleidsvrijheid. Dit brengt mee dat de Raad belangen moet afwegen en dat de rechter niet zijn beoordeling in de plaats kan stellen van die van de Raad. Dit wijst erop dat de rechter slechts terughoudend kan toetsen. Artikel 13 van Pro de Basisverordening bevat eveneens niet de uitdrukkelijke eis dat wordt vastgesteld dat de uitbreiding van antidumpingrechten in het belang van de Unie is. Deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend zodra is vastgesteld dat aan de objectieve criteria die in deze bepaling zijn genoemd, is voldaan.
c. het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping en de schade;