Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
3.Het geding in feitelijke instanties
4.Het geding in cassatie
www.wcoomd.org). Beide Case Studies zien, aldus de Staatssecretaris, op gevallen waar sprake was van een controle na invoer. Hieruit blijkt naar zijn mening dat artikel 181bis UCDW volgens de opstellers van de regeling kennelijk ook bij een onderzoek achteraf kan worden toegepast. Voorts wijst de Staatssecretaris op
HR BNB 2012/35 [6] . In die zaak is eveneens sprake van een controle achteraf. Het hof kwam in die zaak tot een ambtshalve toepassing van artikel 181bis UCDW. Het hof trad daarmee volgens de Hoge Raad buiten de rechtsstrijd. De Staatssecretaris leidt hieruit af dat artikel 181bis UCDW wel een rol kan spelen bij een controle achteraf als de belanghebbende een beroep op die bepaling had gedaan. De door het Hof uit het arrest
EURO 2004. Hungary [7] getrokken conclusies worden door de Staatssecretaris niet gedeeld. In het bewuste arrest wordt over de wijze van inhoudelijke toepassing van artikel 181bis UCDW geoordeeld in de context van het aldaar betreffende feitencomplex. Het betreft eveneens de toepassing van artikel 181bis UCDW in combinatie met een op grond van artikel 78 van Pro het CDW uitgevoerde controle. Daarmee komt volgens de Staatssecretaris reeds de grond onder het door het Hof gestelde in punt 4.4 te ontvallen.
EURO 2004. Hungary.
5.Kan artikel 181bis UCDW worden toegepast bij een controle achteraf?
Brusselse waardedefinitie’, want overeengekomen in het ‘Verdrag van Brussel nopens de waarde van goederen in douanezaken’ [9] , dat op 15 december 1950 te Brussel werd ondertekend. De douanewaarde is in dat verdrag gedefinieerd als “
the price that a good would fetch in an open market between a buyer and a seller independent of each other [10] ”. De Brusselse waardefinitie wordt ook wel het ‘theoretische waardebegrip’ genoemd. Punt en Van Vliet [11] schrijven over de achtergrond van deze maatstaf van heffing onder meer:
Brusselse waardedefinitie’ werd in de loop der tijd door meer landen als onrechtvaardig beschouwd. Punt en Van Vliet [12] schrijven hierover:
“the price actually paid or payable for the goods when sold for export to the country of importation”bleef behouden. [18] Bij de GATT 1994, die nog steeds van kracht is, zijn inmiddels 164 landen partij (128 in 1994). Dit maakt dat de ‘transactiewaarde’ als douanewaarde algemeen is aanvaard.
Intertanko e.a. [21] , punt 42. In het onderhavige geval is de Unie partij bij de WTO-douanewaardeovereenkomst, zodat deze overeenkomst en het daarop gebaseerde WTO-besluit daadwerkelijk verbindend zijn voor de instellingen van de Unie. [22]
Aangifte van de te verstrekken gegevens en overlegging van de desbetreffende stukken” van het UCDW. Daarentegen is art. 140 UVo Pro. DWU opgenomen onder het hoofdstuk “
Douanewaarde van goederen” en is de tekst ten opzichte van art. 181bis UCDW gewijzigd. In de tekst van art. 140 UVo Pro. DWU is niet langer opgenomen dat het slechts gedurende de aanvaarding van de aangifte toepassing vindt. Zodoende lijkt bij de invoering van het DWU de reikwijdte van de bepaling verruimd.”
Carboni e derivati [34] .
Hans Sommer GmbH & Co KG [36] :
DP Grup [37] . Het HvJ overweegt in punt 34: “De gegevens die nodig zijn voor de toepassing van de douaneregeling op de goederen worden dus niet op basis van de vaststellingen van de douaneautoriteiten, maar aan de hand van de door de aangever verstrekte inlichtingen bepaald.” Met betrekking tot schriftelijke douaneaangiften verleent artikel 68 CDW Pro de douaneautoriteiten de bevoegdheid de door de aangever verstrekte inlichtingen te verifiëren. Een stelselmatige verificatieverplichting hebben zij uitdrukkelijk niet. Het HvJ heeft ter zake in
DP gruponder meer het volgende overwogen:
Christodoulou e.a. [38] overweegt het HvJ onder meer dat de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs weliswaar in de regel de basis vormt voor de berekening van de douanewaarde, maar zo nodig moet worden aangepast om te voorkomen dat een arbitraire of fictieve douanewaarde wordt vastgesteld. De vraag die hier aan de orde is, is of daarbij het bepaalde in artikel 181bis UCDW toepassing vindt.
Carboni e derivationder meer:
EURO 2004. Hungaryoverwoog het HvJ:
Global Trans Lodzhistik OOD [39] volgt dat het besluit van de douaneautoriteiten af te wijken van de transactiewaarde een definitief besluit is en rechtsgevolgen heeft voor de desbetreffende belanghebbende, ook als de douaneautoriteiten de waarborgen van artikel 181bis UCDW niet in acht hebben genomen. Het HvJ overweegt:
Compaq [42] zou een aanwijzing kunnen worden gezien die het oordeel van het Hof dat artikel 181bis UCDW enkel kan worden toegepast in de verificatiefase ondersteunt. Het HvJ overweegt in punt 10:
enkelziet op ‘de verificatie van de juistheid van de door hen aanvaarde aangiften’ als bedoeld in artikel 68 CDW Pro, volgt uit deze overweging mijns inziens niet dat deze bepaling niet kan worden toegepast bij een controle achteraf.
EURO 2004. Hungary. De feiten in deze zaken zijn als volgt (cursivering CE):
Nadat de provinciale douane na een fysieke inspectie van een deel van de goederen toestemming had gegeven voor het in het vrije verkeer brengen daarvan, werd een controle van de ingediende aangifte uitgevoerd op grond van artikel 78 van Pro het douanewetboek.
De douane verzocht EURO 2004. Hungary om aan te tonen dat de douanewaarde van de betrokken goederen juist was, maar blijkens de aan het Hof overgelegde stukken leverde die onderneming geen nieuw bewijs en wees zij er slechts op dat zij aan haar Chinese zakenpartner de in de factuur genoemde prijs had betaald.
De provinciale douane twijfelde nog steeds aan de juistheid van de douanewaarde en ging aan de hand van statistische gegevens na tegen welke prijs per eenheid dergelijke goederen aan Hongaarse importeurs werden verkocht, waarna de douanewaarde overeenkomstig de in artikel 30, lid 2, onder b), van het douanewetboek genoemde „transactiewaarde van soortgelijke goederen” werd vastgesteld.
wordt vastgesteldwanneer de aangegeven transactiewaarde is aan te merken als abnormaal laag ten opzichte van de statistisch gemiddelde bij het importeren van soortgelijke goederen gehanteerde verkoopprijs, en daarmee als onjuist, hoewel de douaneautoriteiten de juistheid van de factuur en van het stortingsbewijs, welke stukken zijn overgelegd ten bewijze van de voor de ingevoerde goederen daadwerkelijk betaalde prijs, niet betwisten of anderszins ter discussie stellen, en wanneer de importeur geen nader bewijs ter bepaling van de transactiewaarde heeft geleverd?”
de handelwijze van de douane als in het hoofdgeding, waarbij de douanewaarde van ingevoerde goederen op basis van de methode van de transactiewaarde van soortgelijke goederen als bedoeld in artikel 30 van Pro het douanewetboek wordt vastgesteld wanneer de aangegeven transactiewaarde is aan te merken als abnormaal laag ten opzichte van de statistisch gemiddelde aankoopprijs die bij het importeren van soortgelijke goederen wordt gehanteerd, hoewel de douane de echtheid van de factuur en het stortingsbewijs die zijn overgelegd ten bewijze van de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde prijs, niet betwist of anderszins ter discussie stelt, en wanneer de importeur in reactie op het verzoek daartoe van de douane geen nader bewijs of nadere informatie ter bepaling van de juistheid van de aangegeven transactiewaarde van die goederen heeft geleverd.”
Intertanko e.a.). Het HvJ heeft echter ook herhaaldelijk beslist dat de WTO-overeenkomsten, gelet op de aard en opzet ervan, in beginsel niet behoren tot de normen waaraan de rechtmatigheid van de handelingen van de instellingen van de Unie kunnen worden getoetst. Het HvJ maakt twee uitzonderingen, namelijk voor (i) de situatie waarin de Unie uitvoering heeft willen geven aan een bijzondere in het kader van die overeenkomsten aangegane verplichting en (ii) voor de situatie waarin in de handeling van de Unie uitdrukkelijk wordt verwezen naar specifieke bepalingen van die overeenkomsten. In het arrest van het HvJ in de gevoegde zaken
C&J Clark International en Puma [45] overweegt het HvJ in dit verband:
Commissie/Rusal Armenal [46] , punt 52, en
C&J Clark International en Puma, punt 90).
HR BNB 2012/35 [47] . In die zaak was in cassatie in geschil of hof Amsterdam buiten de rechtsstrijd is getreden door artikel 181bis UCDW in zijn beschouwingen te betrekken. De Hoge Raad oordeelt dat uit de uitspraak van hof Amsterdam of de stukken van het geding niet blijkt dat belanghebbende heeft geklaagd over de schending van artikel 181bis UCDW. Door niettemin te oordelen dat de inspecteur deze regel niet heeft nageleefd, en dat dit de reden is de uitspraak op bezwaar te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar de inspecteur is het hof buiten de grenzen van het geschil getreden. In het arrest van de Hoge Raad zijn mijns inziens, anders dan de Staatssecretaris meent, geen aanwijzingen te vinden dat artikel 181bis UCDW kan worden toegepast bij een controle achteraf.
DP Grup,
Carboni e derivatien
Global Trans Lodzhistik OOD, met zich brengen dat de douaneautoriteiten ook bij een controle achteraf de transactiewaardemethode kunnen verwerpen en dat de meergenoemde procedureregels dan van toepassing zijn. Nu het HvJ, onder verwijzing naar artikel 29 CDW Pro, in
Carboni e derivatioverweegt dat deze procedurevoorschriften inherent zijn aan het beoordelingssysteem, meen ik dat aan de door het Hof bedoelde wetssysstematische aanwijzing niet teveel gewicht moet worden toegekend. Ook kan aan de tekstuele aanwijzing in het WTO-besluit (de eerste zinsnede van punt 1 van dat besluit: “Wanneer een aangifte wordt overgelegd en de douane redenen heeft om te twijfelen aan de juistheid of de nauwkeurigheid van de tot staving van deze aangifte verstrekte gegevens of documenten”) mijns inziens niet de conclusie worden verbonden dat de in artikel 181bis UCDW opgenomen bepaling enkel heeft te gelden in de verificatiefase.