Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
schade, griffierecht of proceskosten”. Ook in deze appelprocedure heeft [eiser] op geen enkele wijze gemotiveerd of uitgelegd waarom het bedrag van € 113.685,08 naar zijn mening wel onder één van die categorieën van art. 8:76 AWB Pro zou vallen en dat hij ter zake dat bedrag in het bezit was van een executoriale titel. Het hof houdt het er dan ook voor dat [eiser] zonder enige steun van wet, jurisprudentie en/of literatuur zelf heeft bedacht dat [betrokkene 1] een vordering op de SVB had van € 113.685,08 waarvoor een executoriale titel bestond. Gelet op al het vorenstaande valt dat aan te merken als een grove fout van een advocaat. Dit betekent dat de kosten van het kort geding in elk geval als schade die voor vergoeding in aanmerking komt heeft te gelden.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
klacht 1is de door het hof in rov. 4.6.2 vooropgestelde maatstaf onjuist. In de toelichting op deze klacht wordt betoogd dat het hof deze maatstaf ontleent aan een zaak waarin een wederpartij van Rabobank vergoeding van zijn integrale juridische kosten vordert wegens een onrechtmatig gelegd beslag; [3] in die zaak was de Rabobank en niet de advocaat die het beslag had laten leggen de aangesproken partij en voorts betrof het een zaak waarvoor verplichte rechtsbijstand door een advocaat gold (nrs. 2 en 3 op p. 9 van de procesinleiding). Volgens
klacht 3(eerste gedeelte) had het hof als maatstaf moeten hanteren de norm van de zorgvuldigheid van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot; bij de invulling van die norm wordt een belangrijke plaats ingenomen door de ruime mogelijkheid te procederen waaraan het hof al aandacht gaf, aldus de toelichting op de klacht (nr. 7 op p. 11 van de procesinleiding).
De Alternatieve) een onderscheid worden gemaakt tussen de positie van een procespartij en die van een derde. [5] In de verhouding tussen procespartijen geldt, samengevat, het volgende.
Duka/Achmea) [8] is daarvan pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM Pro.
Duka/Achmea(zie bij 1.8).
De Alternatieve), is de advocaat aan te merken als een ‘derde’, zij het een met een bijzondere positie ten aanzien van een van de procespartijen. [10]
Duka/Achmea, maar betreft overigens geen toepassing van de in dat arrest neergelegde regel over de vergoeding van volledige proceskosten in de verhouding tussen procespartijen (zie bij 3.5). Dat het hof zich heeft laten inspireren door deze rechtspraak is naar mijn mening terecht gezien de positie van de advocaat als behartiger van het partijbelang van de cliënt en, in verband daarmee, de parallelle overwegingen dat het wenselijk is om terughoudend te zijn met een veroordeling van een procespartij in de volledige proceskosten respectievelijk met een veroordeling van diens advocaat tot vergoeding van de proceskosten.
klacht 1, zoals toegelicht in de nrs. 2 en 3 op pagina 9 van de procesinleiding, op zichzelf terecht aanvoert dat de feiten in de zaak waarnaar het hof verwijst niet overeenkomen met de onderhavige kwestie, [20] kan de klacht niet slagen. Met deze verwijzing heeft het hof, zoals reeds hiervoor is uiteengezet, de in het aangehaalde arrest gehanteerde norm niet van overeenkomstige toepassing op deze zaak willen verklaren. Het hof heeft deze verwijzing slechts ter vergelijking opgenomen en daarop voortgebouwd.
klacht 3had moeten hanteren, verwijst het middel naar uitspraken die betrekking hebben op de relatie tussen de advocaat en diens cliënt. Daar geldt de algemene maatstaf van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat. In het onderhavige geval gaat het om de relatie tussen de advocaat en de wederpartij van diens cliënt (zie ook s.t. SVB onder 31). De klacht veronderstelt dat de zorgplicht van [eiser], als bedoeld in de algemene maatstaf, zich uitstrekt tot de SVB, maar werkt dat niet uit. De enkele verwijzing naar de algemene maatstaf volstaat naar mijn mening niet (zie bij 3.6.4).
klachten 1 en 3, voor zover die betreft de maatstaf, te falen.
klacht 2aan dat het hof deze maatstaf onjuist en/of onbegrijpelijk en/of niet inzichtelijk heeft toegepast. Het hof heeft als rechtsnorm geformuleerd dat sprake moet zijn van onrechtmatig handelen, bijkomende omstandigheden en een grove fout, aldus de klacht. In de bestreden rechtsoverwegingen wordt volgens de klacht (zoals toegelicht in de nrs. 4 en 5 op p. 9 en 10 van de procesinleiding) echter alleen ingegaan op het criterium grove fout.
Klacht 2faalt.
Klacht 3faalt ook in zoverre.