Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
randnummer 13dat het in 2.10 weergegeven oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting aangaande de maatstaf voor afwijzing van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. Volgens het onderdeel miskent het hof dat “het enkele op voorhand niet uitgesloten achten dat het horen van de andere getuigen een doorkruising van een strafrechtelijke procedure zou betekenen”, geen grond kan vormen voor afwijzing van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor, ook niet als onderdeel van de afwijzingsgrond zwaarwichtig bezwaar. Als sprake is van het doen vaststellen van feiten en omstandigheden die eraan kunnen bijdragen dat een procedure voor de burgerlijke rechter tegen [verweerder 2] in het voordeel van Box Consultants c.s. kan worden beslist, dan rechtvaardigt dat volgens het onderdeel in beginsel de toewijzing van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. Het gevaar van doorkruising laat volgens het onderdeel onaangetast dat Box Consultants c.s. een rechtens te respecteren belang hebben bij toewijzing van hun verzoek. Tegen deze achtergrond kan ook geen sprake zijn van een zwaarwichtig belang dat zich tegen integrale toewijzing verzet, aldus nog steeds het onderdeel. Volgens het onderdeel zou dat mogelijk anders kunnen zijn indien vaststaat dát een voorlopig getuigenverhoor een parallelle strafrechtelijke procedure op ontoelaatbare wijze zal doorkruisen, doch die situatie doet zich in deze zaak niet voor. Het onderdeel klaagt dat het hof met zijn oordeel dat “het gevaar van doorkruising” bestaat, een onjuiste maatstaf heeft toegepast. Dit geldt volgens het onderdeel eens te meer nu de wet voldoende waarborgen bevat om in het kader van een voorlopig getuigenverhoor de belangen te beschermen die de Staat heeft in een strafrechtelijke procedure, waaronder de geheimhoudingsplicht van art. 165 Rv Pro en de bescherming die art. 193 Rv Pro aan getuigen biedt die vrezen zelf onderwerp van een procedure te worden. [14]
andere belangen dan die van de verweerderdoorslaggevend te laten zijn. Ofwel, niet alleen de zwaarwichtige belangen van de verweerder, maar ook andersoortige belangen kunnen dusdanig zwaar wegen dat moet worden afgezien van het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Groot concludeert als volgt: [27]
in die schadeloosstellingsprocedureaan de orde kunnen worden gesteld. De Hoge Raad verwierp het door Stichting Beheer tegen dit oordeel gerichte klacht als volgt:
hoeftgeen sprake te zijn indien het gaat om materie die in de verschillende aanhangige procedures geheel anders van aard is. Het gevaar van (onaanvaardbare) doorkruising kan evenwel naar mijn mening aanwezig zijn indien er tussen twee (of meer) aanhangig zijnde procedures (op het eerste gezicht) zoveel raakvlakken zijn dat niet goed direct is vast te stellen of er al dan niet verwevenheid kan bestaan die er niet zou
mogenzijn. Het gevaar van ‘
fishing’kan dan aanwezig worden geoordeeld. In het kader van beantwoording van de vraag of in de onderhavige zaak sprake kan zijn van doorkruising van de tegen Box Consultants c.s. aanhangige strafprocedure is van belang om na te gaan (i) wat de reden is geweest van afwijzing van het verzoek om getuigen te horen in die procedure, en (ii) of de in de strafzaak gegeven beslissing onherroepelijk is. De beschikking van de rechter-commissaris van 3 oktober 2016, waarin op het tweede verzoek van Box Consultants c.s. op de voet van art. 182 Sv Pro afwijzend is beslist, heb ik in de stukken niet aangetroffen. Zoals hiervoor weergegeven heeft de Staat in zijn beroepschrift een citaat uit die beschikking weergegeven. Vermeld wordt: “Ik, rechter-commissaris, zie thans nog geen aanleiding tot het horen van de andere [34] verzochte getuigen en wijs het verzoek tot het horen van die getuigen derhalve af.” Uit de beslissing (“thans”) kan worden afgeleid dat het niet uitgesloten is dat de (overige) getuigen die Box Consultants c.s. wens(t)en te horen, in een later stadium van de strafrechtelijke procedure in eerste aanleg alsnog worden gehoord. Bovendien kan het getuigenverzoek ter zitting worden herhaald en eventueel toegewezen en kunnen die getuigen ook nog worden gehoord in een eventuele appelprocedure en/of in een eventuele procedure na cassatie en verwijzing. Het strafrechtelijk onderzoek is anders dan Box Consultants c.s. stellen nog niet afgerond. Dat is pas het geval indien in de strafzaak een onherroepelijke beslissing is gevallen. Het thans in een civiele procedure toestaan dat dezelfde getuigen over dezelfde dan wel daaraan grenzende materie worden gehoord, kan betekenen dat de strafrechtelijke procedure onaanvaardbaar wordt doorkruist. In dat verband is van belang op te merken dat maar liefst veertien van de zestien door Box Consultants c.s. voorgedragen getuigen allemaal als ambtenaar bij het fiscale en/of strafrechtelijke onderzoek tegen Box Consultants c.s. zijn betrokken.
gevaarvan doorkruising aanwezig is. Naar mijn mening volstond dit. De (veronderstelde) belangen van Box Consultants c.s. bij toewijzing van hun verzoek konden daarvoor mijns inziens wijken.
meeraspecten bevat dan het genoemde gevaar van doorkruising. Ik meen evenwel dat het door het hof aanwezig geoordeelde gevaar van doorkruising de afwijzing van het verzoek van Box Consultants c.s. reeds zelfstandig kan dragen. Zoals hierna zal blijken kan een aantal andere onderdelen (reeds) om die reden ook niet tot cassatie leiden.
alleen[verweerder 2] in een civiele procedure aansprakelijk willen stellen. Art. 193 Rv Pro biedt dan ook alleen waarborgen voor hem. Ten aanzien van [verweerder 2] heeft het hof het verzochte voorlopig getuigenverhoor toegewezen.
randnummer 14een motiveringsklacht. Het onderdeel klaagt dat het oordeel dat sprake is van gevaar van doorkruising niet naar behoren is gemotiveerd. Ter toelichting wijst het onderdeel erop dat Box Consultants c.s. hebben aangevoerd dat: (i) het door hen gedane verzoek geheel losstaat van het strafrechtelijk onderzoek; [37] (ii) het openbaar ministerie zelf heeft verklaard dat de ‘IRS’-brief van geen enkel belang is voor het strafrechtelijk onderzoek; [38] (iii) geen strafrechtelijk onderzoek zal worden gedaan naar de ‘IRS’-brief; [39] (iv) het openbaar ministerie heeft verklaard dat de onderzoekshandelingen in de strafrechtelijke procedure zijn afgerond; [40] en (v) dat zowel de strafrechtelijke procedure als de civiele procedure zijn gericht op waarheidsvinding, zodat de belangen van de Staat (bij de strafrechtelijke procedure) en Box Consultants c.s. (bij de civiele procedure) juist parallel lopen. [41] Volgens het onderdeel volgt hieruit dat van een gevaar van doorkruising geen sprake kan zijn, omdat de feiten en omstandigheden in verband met de ‘IRS’-brief in het strafrechtelijk onderzoek in het geheel niet zijn onderzocht.
nog niet afgerondestrafrechtelijke procedure en het gedane verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. Het in cassatie niet bestreden oordeel dat veertien van de zestien door Box Consultants c.s. voorgedragen getuigen allemaal als ambtenaar bij het fiscale en/of strafrechtelijke onderzoek tegen Box Consultants c.s. zijn betrokken, vormt hiervoor een aanwijzing. Het oordeel dat sprake is van
gevaarvan doorkruising is een oordeel dat verwezen is met de omstandigheden van het concrete geval. Het feit dat het hof niet expliciet is ingegaan op alle stellingen die het onderdeel noemt (voor zover die zijn aangevoerd in het kader van het verweer tegen de stelling van de Staat dat de strafprocedure onaanvaardbaar wordt doorkruist door het horen van de aangedragen getuigen) brengt niet mee dat de beslissing daarom onvoldoende is gemotiveerd. Specifiek met betrekking tot de door het onderdeel genoemde stelling onder (iv), inhoudende dat het openbaar ministerie heeft verklaard dat de onderzoekshandelingen in de strafrechtelijke procedure zijn afgerond, merk ik op dat uit de e-mail waarnaar het onderdeel in dat verband verwijst (prod. 64 bij het verweerschrift in hoger beroep) deze stelling niet als zodanig kan worden afgeleid. Uit de stelling van de zaaksofficier van justitie [betrokkene 7] in de e-mail van 21 juni 2017 “dat het proces-verbaal binnen afzienbare tijd afgerond zal kunnen worden” kan niet de conclusie worden getrokken dat het onderzoek op dat moment reeds daadwerkelijk was afgerond. Voor zover dit wel het geval was neemt dat niet weg dat het onderzoek in de toekomst kan worden heropend.
randnummer 22dat het hof met zijn oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen is getreden. Ter toelichting stelt het onderdeel dat de Staat niet heeft aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank moet worden vernietigd, omdat het verzoek van Box Consultants c.s. onvoldoende concreet en ter zake doend is, en dat, voor zover de Staat zich al heeft beroepen op een zwaarwichtig bezwaar, dit hooguit impliciet is gedaan, via een beroep op het gevaar van doorkruising, en niet door middel van de stelling dat het verzoek overigens niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet omdat het onvoldoende concreet en ter zake doend is.
anderendan verzoeker en verweerder leiden tot het oordeel dat het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor moet worden afgewezen op de grond dat sprake is van een ander zwaarwichtig bezwaar.
randnummer 23dat het bestreden oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de aan een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te stellen eisen, dan wel dat het oordeel onbegrijpelijk is. Ter toelichting stelt het onderdeel dat het voor toewijzing van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor niet nodig is om in het verzoekschrift nauwkeurig aan te geven welke feiten en stellingen de verzoeker aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en omtrent welke feiten hij getuigen wil doen horen, doch dat volstaat dat het voor de rechter voor wie het getuigenverhoor wordt gehouden en voor de wederpartij voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben. Het onderdeel stelt dat het verzoek betrekking dient te hebben op het bewijs van de kern van de feiten die de grondslag vormen voor de voorgenomen vordering(en) in de hoofdzaak, dat de vraag hoe concreet het feitelijk gebeuren moet worden omschreven, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en dat aan het vereiste van voldoende concrete en relevante feiten niet te hoge eisen mogen worden gesteld, omdat het voorlopig getuigenverhoor dient tot het ophelderen van feiten en/of het bepalen van de vordering in de hoofdzaak. Onder uitvoerige verwijzing naar vindplaatsen in de processtukken, zowel in het inleidend verzoek [43] als in het verweerschrift in hoger beroep [44] , stelt het onderdeel dat het verzoek van Box Consultants c.s. ruimschoots voldoet aan de hiervoor beschreven maatstaf, zodat het hof ofwel die maatstaf heeft miskend, ofwel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven.
randnummer 28dat het oordeel daarnaast innerlijk tegenstrijdig is. Ter toelichting wordt aangevoerd dat het hof ten aanzien van [verweerder 2] en deurwaarder [betrokkene 3]
welvan oordeel is dat het verzoek voldoende concreet en ter zake doend is (rov. 3.10.6), hoewel het gaat om één en hetzelfde verzoek ten aanzien van alle gewenste getuigen. Het onderdeel stelt dat in het verzoek van Box Consultants c.s. geen onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende getuigen.
randnummer 29klaagt het onderdeel dat onjuist is dat het hof in rov. 3.10.5 concludeert dat - mede gelet op de omstandigheden van het geval en met name het gevaar van doorkruising - het verzoek onvoldoende concreet en ter zake doend is voor zover het anderen dan [verweerder 2] en deurwaarder [betrokkene 3] betreft, en daarmee dient af te sluiten op een zwaarwegend bezwaar. Volgens het onderdeel is onjuist dat het hof aldus “onvoldoende concreet en ter zake doend” “op een hoop gooit” met “zwaarwichtig bezwaar”, zeker als dan ook nog wordt gerefereerd aan “de omstandigheden van het geval” en “het gevaar van doorkruising”.
daarnaast”) op voorhand niet uitgesloten acht dat het horen van de door Box Consultants c.s. voorgedragen ambtenaren van de Belastingdienst/FIOD en het openbaar ministerie een doorkruising van de strafrechtelijke procedure zou betekenen. Dit is een grond die de afwijzing van het verzoek van Box Consultants c.s. op de grond dat sprake is van een zwaarwichtig bezwaar, zelfstandig kan dragen. Dat het hof bij zijn oordeel dat gevaar voor doorkruising bestaat,
medebelang heeft gehecht aan het feit dat Box Consultants c.s. niet hebben aangegeven welke vragen ze aan welke ambtenaar willen stellen, is niet onbegrijpelijk. Het thans door de klachten bestreden oordeel met betrekking tot de stelplicht van Box Consultants c.s. ten aanzien van het “feitelijk gebeuren” moet naar mijn mening dan ook eerder in nauwe samenhang worden bezien met het oordeel met betrekking tot het gevaar voor doorkruising en niet met betrekking tot de vraag of het verzoek al dan niet aan de daaraan op grond van art. 187 Rv Pro te stellen eisen voldoet. De klachten, en met name de klacht in randnummer 2.30, kan worden toegegeven dat het oordeel van het hof in rov. 3.10.5 niet heel helder en eenduidig is geformuleerd. De kern van de beslissing is evenwel naar mijn mening duidelijk. Het bovenstaande geldt ook voor het oordeel (a contrario redenerend) dat het verzoek voor zover het [verweerder 2] en deurwaarder [betrokkene 3] betreft (wel) voldoende concreet en ter zake doend is. Dit oordeel moet kennelijk aldus worden gelezen dat gevaar voor doorkruising van de strafrechtelijke procedure niet aanwezig is voor zover het gaat om het horen van deze twee getuigen. Het oordeel is gezien de persoon van de getuigen niet onbegrijpelijk.
met nameis begrepen het gevaar van doorkruising van de strafrechtelijke procedure. Zoals gezegd kan dit oordeel de beslissing reeds dragen. Onder de andere omstandigheden van het geval is kennelijk ook begrepen het samenstel van andere gronden die het hof aan de afwijzing van het verzoek ten grondslag heeft gelegd. Ik wijs in dat verband op het volgende. Het hof heeft in rov. 3.10.4 overwogen dat [verweerder 2] (ook ter zitting bij het hof) heeft bekend de schrijver te zijn van de valse ‘IRS-brief’. Hieruit kan worden geconcludeerd dat Box Consultants c.s. in ieder geval duidelijkheid hebben gekregen over de vraag tegen wie zij een eventuele civiele procedure dienen op te starten. [45] Het hof heeft in rov. 3.10.4 verder overwogen dat [verweerder 2] ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij uitsluitend met de ambtenaren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft gesproken. Het verzoek in de strafrechtelijke procedure tot het horen van deze getuigen is door de rechter-commissaris toegewezen en zij zijn op 6 december 2016 gehoord. [46] Voorts heeft het hof in rov. 3.10.5 overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt waarom de opgegeven getuigen antwoord zouden kunnen geven op vragen als “hoe lang de misleiding door [verweerder 2] heeft geduurd” en “welke onwaarheden [verweerder 2] aan de ambtenaren vertelde” anders dan hetgeen reeds uit de processen-verbaal van verhoor van [verweerder 2] is gebleken en dat een rol speelt dat veertien van de zestien getuigen allemaal als ambtenaar bij het fiscale en/of strafrechtelijke onderzoek tegen Box Consultants zijn betrokken.
volgens het onderdeeldat met betrekking tot een aantal vragen die Box Consultants c.s. aan de door hen gewenste getuigen zouden willen voorleggen, geldt dat deze door [verweerder 2] al ter zitting zijn beantwoord. Het onderdeel klaagt in
randnummer 33dat dit oordeel onbegrijpelijk is. Ter toelichting wordt aangevoerd dat vast staat dat sprake is van ernstig onrechtmatig handelen van [verweerder 2] jegens Box Consultants c.s. “waarbij [verweerder 2] niet heeft geschroomd om de waarheid in veel opzichten ernstig geweld aan te doen”. Tegen deze achtergrond is volgens het onderdeel onbegrijpelijk dat het hof bepaalde vragen niet meer relevant acht, omdat [verweerder 2] ter zitting bepaalde antwoorden zou hebben gegeven. Het onderdeel stelt dat van een verhoor onder ede geen sprake is geweest en dat ook los daarvan er in het dossier geen enkele aanleiding is om van Box Consultants c.s. “te verlangen dat zij [verweerder 2] op zijn blauwe ogen zouden moeten geloven”.
randnummer 34wordt tot uitgangspunt genomen dat het hof het oordeel in rov. 3.10.4 ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel in rov. 3.10.5 dat het verzoek van Box Consultants c.s. onvoldoende concreet en ter zake doend is en daarmee dient af te stuiten op een zwaarwichtig bezwaar. Het onderdeel klaagt dat in dat geval ook dat oordeel onbegrijpelijk is, nu het oordeel in rov. 3.10.4 slechts een klein deel betreft van de vragen en het feitelijk gebeuren waarover Box Consultants c.s. getuigen willen horen, en het hof zijn oordeel in rov. 3.10.4 bovendien mede baseert op verklaringen van [verweerder 2], terwijl vaststaat dat hij niet altijd de (volledige) waarheid spreekt. Het onderdeel betoogt dat het ten aanzien van hetgeen [verweerder 2] heeft verklaard daarom bij uitstek relevant is om ook andere getuigen te horen teneinde te kunnen verifiëren of [verweerder 2] “dit keer wel (volledig) naar waarheid heeft verklaard”.