Conclusie
vierweken vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging een verzoek bij de rechtbank heeft ingediend tot het verlenen van een ‘nieuwe’ zorgmachtiging. Indien de officier van justitie niet tijdig – d.w.z. uiterlijk
vierweken vóór het verstrijken van de geldigheidsduur – een verzoek om een nieuwe zorgmachtiging bij de rechtbank heeft ingediend, vervalt de eerder verleende zorgmachtiging van rechtswege op de laatste dag van de periode waarvoor zij was verleend. (…)
vierweken vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging, gecombineerd met een beslistermijn van drie weken die art. 6:2
lid 1de rechter toestaat
en met een opschorting met (overeenkomstige) toepassing van art. 6:2 lid Pro 3, brengt naar mijn mening mee dat na de inwerkingtreding van de Wet verplichte ggz de ‘nawerking’ van de eerder verleende zorgmachtiging ten hoogste voortduurt tot één week na de dag waarop de looptijd van die eerdere zorgmachtiging is verstreken.
1.Feiten en procesverloop
second opinionte rechtvaardigen. De rechtbank nam in aanmerking dat al geruime tijd sprake is van een behandeling gericht op beschermd wonen, maar dat de voortgang daarvan moeizaam is. Betrokkene is recent geplaatst in een afdeling waar hij kan oefenen met vaardigheden voor begeleid wonen, maar perspectief op verblijf buiten de instelling ontbreekt vooralsnog. De rechtbank heeft een onderzoek door een deskundige gelast naar de vraag of sprake is van een geestesstoornis en daaruit voortvloeiend gevaar en, zo ja, of dit gevaar door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis kan worden afgewend. Als deskundige heeft de rechtbank een psychiater van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) benoemd. De rechtbank heeft bepaald dat het deskundigenrapport uiterlijk 13 oktober 2017 ter griffie moet worden ingeleverd en de verdere behandeling van het verzoek aangehouden tot een nader te bepalen zittingsdatum.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
speedily’) te beslissen op het verzoek van de officier van justitie. Blijkens de toelichting gaat het met name om de beslissing de behandeling van de zaak aan te houden tot 13 oktober 2017 voor een deskundigenrapport. Volgens de klacht is deze termijn langer dan de in HR 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2016) [2] voor een dergelijke aanhouding toegestane termijn van twee maanden en is sprake van schending van de verplichting van de rechter ingevolge art. 5 lid 4 EVRM Pro om zo spoedig mogelijk (‘
speedily’)te beslissen over de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming. Volgens de toelichting doet hieraan niet af dat de rechtbank in haar eindbeschikking de geldigheidsduur van de verleende machtiging heeft bekort [3] : het gaat om rechtsbescherming ‘aan de voorkant’ door naleving van de geldende procedurevoorschriften; de tegemoetkoming achteraf heft niet de onzekerheid op die betrokkene als gevolg van de termijnoverschrijding heeft ervaren.
rechtmatigin een psychiatrisch ziekenhuis verblijft. Van een rechtmatig verblijf is volgens het middelonderdeel niet langer sprake nadat de in onderdeel I bedoelde termijn is overschreden. In dit geval kan ook niet worden vastgesteld dat betrokkene vrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis verbleef. Subsidiair verbindt het middelonderdeel hieraan een motiveringsklacht.
continued confinement’) moet periodiek worden onderzocht of (nog steeds) wordt voldaan aan alle vereisten voor voortzetting van de vrijheidsbeneming [4] . Met het oog daarop is in de Wet Bopz iedere rechterlijke machtiging aan een maximale geldigheidsduur gebonden. Bovendien kan een onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen patiënt (tussentijds) ontslag verzoeken; zie art. 49 Wet Pro Bopz. Art. 5 lid 4 EVRM Pro geeft hem aan wie de vrijheid is ontnomen het recht om voorziening te vragen bij het gerecht, ‘opdat dit spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt indien de detentie onrechtmatig is’. In Nederland is gekozen voor een rechterlijke toetsing van de vrijheidsbeneming vooraf: de rechterlijke machtiging. Mede om te kunnen voldoen aan deze verdragsrechtelijke vereisten is in de Wet Bopz de rechter gebonden aan een beslistermijn bij de behandeling en beoordeling van een verzoek tot het verlenen van een aansluitende rechterlijke machtiging [5] .
magbrengen op de (in de wet bepaalde maximale) geldigheidsduur, maar daartoe niet gehouden is. Het is de taak van de geneesheer-directeur om toepassing te geven aan art. 48, lid 1 onder b, Wet Bopz. Uit de beschikking van 2 september 2016 valt op te maken dat de Hoge Raad op dit punt tot een strikter oordeel is gekomen dan voorheen. Uit rov. 3.2.6, aangehaald hiervoor, volgt dat na het verstrijken van de beslistermijn (in dat geval, na het gelasten van een second opinion: twee maanden plus vier weken) de geneesheer-directeur ontslag uit het ziekenhuis
moetverlenen, tenzij voortzetting van het verblijf als vrijwillig patiënt gewenst is en betrokkene blijk geeft van de nodige bereidheid daartoe. Het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf is niet meer mogelijk nadat de geneesheer-directeur aan de patiënt ontslag uit het ziekenhuis heeft verleend [8] . Indien de patiënt in het ziekenhuis opgenomen is gebleven en de geneesheer-directeur (om welke reden dan ook) geen ontslag uit het ziekenhuis heeft verleend, is het mogelijk dat de rechtbank toch de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf verleent. Volgens de beschikking van 2 september 2016, rov. 3.3.2, is de rechtbank in die situatie niet alleen bevoegd, maar ook verplicht om het tijdvak van de termijnoverschrijding in mindering te brengen op de wettelijke maximumduur van de te verlenen machtiging. Zou het anders zijn geweest, dan zou een patiënt ervoor terugschrikken om gebruik te maken van zijn recht op het verzoeken van een nader deskundigenonderzoek.
uiterlijk twee weken vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtigingeen verzoek bij de rechtbank heeft ingediend tot het verlenen van een ‘nieuwe’ zorgmachtiging. Indien de officier van justitie niet tijdig – d.w.z. uiterlijk twee weken vóór het verstrijken van de geldigheidsduur – een verzoek om een nieuwe zorgmachtiging bij de rechtbank heeft ingediend, vervalt de eerder verleende zorgmachtiging van rechtswege op de laatste dag van de periode waarvoor zij was verleend. Met het van rechtswege vervallen van de zorgmachtiging eindigt de in art. 3:1 Wet Pro verplichte ggz genoemde grondslag voor het verlenen van verplichte zorg [15] . Dat het hierbij om een ‘fatale’ termijn gaat, is bevestigd door de regering in reactie op een advies van het Openbaar Ministerie [16] . De indieningstermijn van twee weken vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging, gecombineerd met een beslistermijn van drie weken die art. 6:2 de Pro rechter toestaat, brengt naar mijn mening mee dat na de inwerkingtreding van de Wet verplichte ggz de ‘nawerking’ van de eerder verleende zorgmachtiging ten hoogste voortduurt tot één week na de dag waarop de looptijd van die eerdere zorgmachtiging is verstreken. Indien de rechtbank – na de inwerkingtreding van de Wet verplichte ggz − vóór het einde van de wettelijke beslistermijn een beslissing neemt op het verzoek van de officier van justitie, eindigt de ‘nawerking’ van de eerdere zorgmachtiging reeds op de dag waarop de rechtbank uitspraak doet [17] . Voor de geneesheer-directeur en voor het Openbaar Ministerie betekent dit dat vanaf de inwerkingtreding van de Wet verplichte ggz − meer dan tot nu toe, onder de Wet Bopz − aandacht zal moeten worden besteed aan de termijnbewaking bij onvrijwillige opnemingen.