Conclusie
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod” en feit 4
“witwassen”, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar alsmede tot een taakstraf voor de duur van 230 uren, subsidiair 115 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
1.
tweede middelheeft betrekking op feit 1 en klaagt in de kern dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk, tot het oordeel is gekomen dat de verdachte de hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad.
1. Een proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina’s 50 t/m 54, voor zover inhoudende als eigen waarneming of bevinding van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , zakelijk weergegeven:
Verweer ten aanzien van feit 1:
wetenschaphad van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 10 is vooropgesteld, getuigt mijns inziens het oordeel van het hof dat de verdachte de hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad, dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel toereikend gemotiveerd
.
dat de hennep op plaatsen uit het zicht van de verdachte lag” zonder daarvoor een toereikende motivering te geven.
derde middelheeft betrekking op feit 4 en klaagt dat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Met name kan daaruit niet worden afgeleid dat de verdachte een bedrag van € 162.990,70 heeft omgezet. In de toelichting betogen de stellers van het middel dat de gebezigde bewijsmiddelen uitgaan van berekeningen en vaststellingen die zowel op de verdachte als zijn echtgenote [betrokkene 5] betrekking hebben. Het hof heeft ten onrechte uitgaven die zijn gedaan door de echtgenote van de verdachte toegeschreven aan de verdachte, aldus de stellers van het middel.
onder meergecorrigeerd voor een bedrag van 60.932,69 euro, dat niet is ‘witgewassen’ als bedoeld in art. 420bis Sr, doch gestort op een bankrekening (naar ik begrijp: zonder dat blijkt dat deze gedraging op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag was gericht). [7]
eerste middel, dat klaagt over een schending van de redelijke termijn in de fase van cassatie, behoeft daardoor geen bespreking.