Conclusie
1.Feiten en procesverloop
hacker(4) en universitair onderzoeker/docent (5). Eiseressen tot cassatie onder 6 tot en met 9 zijn belangenorganisaties die onderscheidenlijk het belang van een goede verdediging in strafzaken (6), de persvrijheid en het recht op informatie (7), een open, integer en veilig internet (8) en het behoud en de bevordering van het recht op privacy (9) behartigen.
National Security Agency(NSA), onder meer met behulp van het programma PRISM, op grote schaal telecommunicatiegegevens van burgers zou verzamelen en bewaren, door onder meer van Google en Facebook te verlangen dat zij deze gegevens aan de NSA afstaan. Het zou daarbij, onder meer, gaan om verkeersgegevens (‘
metadata’), dat wil zeggen details over (bijvoorbeeld) wie met wie langs elektronische weg heeft gecommuniceerd, op welk tijdstip en vanuit welke plaats. Eisers stellen dat de NSA langs deze weg ook
metadatavan Nederlandse burgers in handen krijgt, omdat ook Nederlandse burgers gebruik maken van diensten van Google en Facebook. Bovendien zouden de NSA en andere buitenlandse inlichtingendiensten, zoals de Britse
Government Communications Headquarters(GCHQ), rechtstreeks gesprekken afluisteren die tussen (onder meer) Nederlandse burgers plaatsvinden.
mogelijkheidbestaat dat de gegevens op ongeoorloofde wijze zijn verkregen (geval b).
mogelijkheiddat de NSA of de GCHQ
in een specifiek gevalgegevens verzamelt op een wijze die strijdig is met het IVBPR of het EVRM, heeft het hof – bij gebreke van concrete aanwijzingen dienaangaande – onvoldoende geoordeeld om af te wijken van het internationale vertrouwensbeginsel. Op grond van dat beginsel moet in rechte ervan worden uitgegaan dat de VS zich houden aan het IVBPR en dat het Verenigd Koninkrijk zich houdt aan het IVBPR en het EVRM (rov. 3.13 - 3.15). Van (dreigend) misbruik door de AIVD of door de MIVD van de ruimere bevoegdheden die deze buitenlandse diensten naar het recht van hun land hebben, is volgens het hof niet gebleken (rov. 3.16).
2.Inleidende beschouwingen
verwerking van gegevens [16] zijn geregeld in hoofdstuk 3 van de Wiv 2002 (art. 12 - 44). Voor deze zaak is van belang dat art. 12 Wiv Pro 2002 een aantal algemene waarborgen voor gegevensverwerking door deze diensten formuleert. Het gaat daarbij om de vereisten van doelbinding en noodzakelijkheid (lid 2), behoorlijkheid en zorgvuldigheid (lid 3) en betrouwbaarheid van de gegevens (lid 4). Voorts is van belang art. 13 Wiv Pro 2002, dat de verwerking van
persoonsgegevensdoor de diensten aan nadere beperkingen onderwerpt. Ik merk hierbij op dat de verwerking van persoonsgegevens door inlichtingen- en veiligheidsdiensten – als aangelegenheid van nationale veiligheid – is onttrokken aan de werkingssfeer van de Richtlijn bescherming persoonsgegevens [17] en de daarop gebaseerde Wet bescherming persoonsgegevens [18] . Om dezelfde reden is zij onttrokken aan de (op 25 mei 2018 in werking tredende) Algemene Verordening Gegevensbescherming [19] en de desbetreffende uitvoeringswet. [20] Op zulke gegevensverwerkingen is dus uitsluitend de Wiv 2002 – en sinds 1 mei 2018 de Wiv 2017 – van toepassing. [21]
verzamelen van gegevens– verzamelen is een vorm van verwerking van gegevens [22] – zijn neergelegd in paragraaf 3.2 van de Wiv 2002 (art. 17 - 34). Voor dit geschil is van belang dat de Nederlandse diensten bevoegd zijn tot
gerichtonderscheppen (interceptie) van telecommunicatie (zie art. 25 Wiv Pro 2002) en tot
ongerichtonderscheppen van niet-kabel-gebonden telecommunicatie (zie art. 26-27 Wiv 2002). Ongerichte interceptie van kabel-gebonden telecommunicatie – waaronder een belangrijk deel van het internetverkeer valt – is onder de Wiv 2002 niet toegestaan. [23] De Wiv 2017 brengt daarin verandering. [24]
kennisneming van door of ten behoeve van de inlichtingendiensten verwerkte persoonsgegevensis geregeld in hoofdstuk 4 van de Wiv 2002 (art. 45-56). Voor deze zaak is van belang dat een ieder de minister kan verzoeken om kennisneming van de hem of haar betreffende persoonsgegevens die door of ten behoeve van een Nederlandse dienst zijn verwerkt (art. 47 Wiv Pro 2002), en van andere dan persoonsgegevens (art. 51 Wiv Pro 2002). Na kennisneming kan zo nodig verbetering, aanvulling of verwijdering van persoonsgegevens worden verzocht (art. 49 lid 4 Wiv Pro 2002).
samenwerking tussen de inlichtingendiensten en met andere instantiesis geregeld in hoofdstuk 5 van de Wiv 2002 (art. 58-63). Voor de onderhavige zaak is van belang dat art. 59 lid 1 Wiv Pro 2002 aan de hoofden van de Nederlandse diensten opdraagt zorg te dragen voor “het onderhouden van verbindingen met daarvoor in aanmerking komende inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen” (lid 1). Hierop voortbouwend geeft het artikel regels voor de verstrekking van gegevens aan buitenlandse diensten (leden 2 en 3) [25] en voor het bieden van technische en andere vormen van ondersteuning aan buitenlandse diensten (leden 4, 5 en 6). Blijkens de wetsgeschiedenis ligt in art. 59 Wiv Pro 2002 de bevoegdheid besloten om gegevens van buitenlandse diensten te
ontvangen(zie ook alinea 2.15 e.v. hierna). In de Wiv 2017 is die bevoegdheid (slechts) in zoverre tot uitdrukking gebracht, dat een regeling is opgenomen voor verzoeken om technische en andere vormen van ondersteuning aan buitenlandse diensten (art. 90 Wiv Pro 2017). [26]
toezicht en de klachtbehandelingzijn geregeld in hoofdstuk 6 van de Wiv 2002 (art. 64 - 84). Toezichthouder is de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) (art. 64 lid 1 Wiv Pro 2002). De CTIVD ontvangt desgevraagd alle benodigde inlichtingen en medewerking van deze diensten, en heeft desgevraagd toegang tot de door deze diensten verwerkte gegevens (art. 73 lid 1 Wiv Pro 2002). De externe klachtbehandeling geschiedt door de Nationale ombudsman (art. 83 e.v. Wiv 2002).
ontvangen. Illustratief is de volgende passage:
verwerkingdoor de Nederlandse diensten van gegevens die zij van buitenlandse diensten hebben ontvangen zijn de waarborgen van de hoofdstukken 3 en 4 van de Wiv 2002 ter zake van gegevensverwerking in het algemeen (zie alinea 2.9e.v. hiervoor) onverkort van toepassing. Dat blijkt uit de wetsgeschiedenis [37] en wordt bevestigd door de CTIVD. [38]
ontvangstvan gegevens van buitenlandse diensten niet beschouwt als een handeling met betrekking tot gegevens (vgl. art. 1, aanhef en onder f, Wiv 2002) die als zodanig – dus los van de eventuele
verwerkingvan die gegevens – regulering behoeft. Dit wordt ook bevestigd door het ontbreken van een nadere regeling op dit punt in de Wiv 2017 (vgl. alinea 2.12 hiervoor).
selectievan “daarvoor in aanmerking komende” diensten in de zin van art. 59 lid 1 Wiv Pro 2002, en ook bij het bepalen van de
mate van samenwerkingmet deze diensten, rekening moet worden gehouden met rechtsstatelijke criteria, waaronder de democratische inbedding, taken, professionaliteit en betrouwbaarheid van de buitenlandse dienst in kwestie. Voor dit stelsel – een toetsing van de samenwerkingsrelatie op voorhand en
in abstracto, los van de concrete resultaten daarvan – is gekozen omdat in concrete gevallen veelal niet te achterhalen is op welke wijze de van een buitenlandse dienst ontvangen gegevens zijn verkregen. Inlichtingen- en veiligheidsdiensten plegen elkaar niet te informeren over de eigen bronnen en de
modus operandi. [39] In art. 88 Wiv Pro 2017 zijn de hier bedoelde samenwerkingscriteria alsnog gecodificeerd. [40]
ongeachtde wijze waarop die gegevens door de desbetreffende buitenlandse dienst(en) zijn verworven. De ratio hiervan is – afgezien van het feitelijke gegeven dat inlichtingendiensten elkaar niet plegen te informeren over hun bronnen en werkwijzen – dat de verantwoordelijkheid voor de rechtmatigheid van de gegevensverzameling volgens de wetgever ligt bij de buitenlandse dienst die de inlichtingen aan de Nederlandse dienst verstrekt. De wetsgeschiedenis vermeldt dienaangaande: [41]
Ten eersteis het de AIVD en de MIVD niet toegestaan om buitenlandse diensten te verzoeken gegevens te vergaren met gebruikmaking van bevoegdheden waarover de AIVD en de MIVD zelf niet beschikken. Dit wordt ook wel aangeduid als: de ‘U-bocht constructie’. [45] Ten tweedemogen de Nederlandse diensten geen gebruik maken van gegevens waarvan “bekend is of bekend verondersteld mag worden” dat zij zijn verzameld op een manier die een ongeoorloofde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of een ander grondrecht oplevert. Zonder “concrete aanwijzingen voor het tegendeel” mogen de Nederlandse diensten evenwel erop vertrouwen dat buitenlandse diensten (die aan de criteria voor samenwerking voldoen) de voor hen geldende regels naleven. [46] Zelfs bij gebreke van zulk vertrouwen kan in “zeer uitzonderlijke noodsituaties” samenwerking gerechtvaardigd en geboden zijn. [47]
vertrouwensbeginsel. Behoudens concrete aanwijzingen voor het tegendeel, mogen de Nederlandse diensten erop vertrouwen dat de van een buitenlandse dienst ontvangen gegevens rechtmatig zijn verkregen. [48] Het vertrouwensbeginsel wordt vaker ingeroepen in de context van internationale samenwerking. Zo geldt bijvoorbeeld in de verhouding tussen EU-lidstaten het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken, dat berust op het wederzijds vertrouwen dat de lidstaten (dienen te) hebben in elkaars rechtssystemen. [49] Ook de interstatelijke samenwerking in strafzaken – al dan niet in Europees verband – berust op het vertrouwensbeginsel. Zo geldt in uitleveringszaken dat de uitleveringsrechter dient uit te gaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat waarmee een uitleveringsverdrag is gesloten, de mensenrechten respecteert. [50] Ten aanzien van landen die geen partij zijn bij het EVRM vindt dit vertrouwensbeginsel zijn rechtvaardiging hierin dat Nederland, als door het EVRM gebonden staat, het resultaat van de onderhandelingen die hebben geleid tot het betreffende uitleveringsverdrag heeft kunnen afstemmen op de aard en mate van erkenning van fundamentele rechtsbeginselen in het andere land. [51] Kraniotis spreekt in dit verband van de “normatief-beperkende werking” van het vertrouwensbeginsel, welke meebrengt dat bij de toetsing van een concreet verzoek om rechtshulp terughoudendheid wordt betracht omdat “reeds in abstracto het vertrouwen is uitgesproken”. [52] Men kan hierin een parallel zien met de gedachte dat, als eenmaal is vastgesteld dat een buitenlandse inlichtingendienst in aanmerking komt voor samenwerking (in de zin van art. 59 lid 1 Wiv Pro 2002), omdat hij voldoet aan de daarvoor geldende criteria, de Nederlandse diensten in beginsel erop mogen vertrouwen dat die buitenlandse dienst bij de verwerving c.q. verwerking van gegevens rechtmatig handelt.
secret surveillance) verwijs ik naar de recente wetsgeschiedenis van de Wiv 2017, waarin die rechtspraak uitvoerig onder ogen is gezien. [53] Hierna volsta ik met enkele hoofdlijnen die voor de onderhavige zaak van belang zijn. In navolging van het hof (vgl. rov. 1.5, laatste volzin) concentreer ik mij daarbij op de eisen die art. 8 lid 2 EVRM Pro stelt aan de wetgeving op het gebied van geheime surveillance. [54]
the menace of surveillance) die van zulke wetgeving uitgaat, dat degenen op wie die wetgeving van toepassing is een beroep op art. 8 EVRM Pro kunnen doen, ongeacht of zij daadwerkelijk aan surveillance zijn onderworpen. [55] Deze benaderingswijze maakt een abstracte toetsing van surveillancewetgeving aan art. 8 EVRM Pro mogelijk, vanuit de gedachte dat het geheime karakter van surveillance de bescherming van dat artikel niet illusoir mag maken. [56] Voor deze zaak is van belang dat het Hof ook ‘metadata’ (
information relating to the date and length of telephone conversations and in particular the numbers dialled) onder het beschermingsbereik van art. 8 EVRM Pro begrijpt. [57]
in abstractotoetst, verschuift, binnen het kader van art. 8 lid 2 EVRM Pro, het zwaartepunt van het noodzakelijkheidsvereiste (
necessary in a democratic society) naar het legaliteitsvereiste (
in accordance with the law). [59] Het Hof eist in dit verband, om te beginnen, dat surveillancemaatregelen enige wettelijke basis hebben (
some basis in domestic law). Daarbij vat het Hof het begrip ‘wet’ in materiële zin op (
law in its substantive sense), zodat daaronder ook lagere wetgeving en ongeschreven recht (
enactments of lower rank than statutes and unwritten law) kunnen vallen. [60] Daarnaast stelt het Hof eisen aan de kwaliteit van de betrokken wetgeving, die zien op rechtsstatelijkheid, toegankelijkheid en voorzienbaarheid (
compatible with the rule of law, accessible and foreseeable). Dit voorzienbaarheidsvereiste heeft het hof voor geheime surveillance aldus uitgewerkt dat een individu weliswaar niet behoeft te kunnen voorzien wanneer de autoriteiten hem surveilleren, maar dat de wetgeving wel adequate bescherming dient te bieden tegen willekeur (
adequate protection against arbitrary interference). [61] Hierop voortbouwend, heeft het Hof in zijn arrest
Weber en Saravia/Duitslanduit 2006 minimumwaarborgen (
minimum safeguards) geformuleerd waaraan wetgeving ter zake van interceptie van telecommunicatie dient te voldoen. [62] Bij de totstandkoming van de Wiv 2017 heeft de wetgever deze minimumwaarborgen uitdrukkelijk onder ogen gezien. [63]
a certain margin of appreciation in choosing the means for achieving the legitimate aim of protecting national security). Bij abstracte toetsing van wetgeving komt het erop aan, of die wetgeving voldoende waarborgen biedt tegen misbruik (
adequate and effective guarantees against abuse). De beoordeling daarvan – die (dus) ten dele overlapt met de toetsing aan het legaliteitsvereiste [64] – is volgens het hof afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, zoals de aard, reikwijdte en duur van de mogelijke maatregelen (
the nature, scope and duration of the possible measures), de voorwaarden voor toepassing ervan (
the grounds required for ordering them), de bevoegde autoriteiten (
the authorities competent to authorise, carry out and supervise them) en de beschikbare remedies (
the kind of remedy provided by the national law). [65] Het gaat, met andere woorden, om het totaalbeeld van de betrokken wetgeving: het EHRM beschouwt de wettelijke waarborgen in hun onderlinge samenhang. [66]
inzetvan geheime surveillancemaatregelen en op de (daarop volgende)
verwerkingvan langs die weg verkregen persoonsgegevens. [68] Mogelijk kan inspiratie worden geput uit het arrest
Echeverri Rodriguez/Nederlanduit 2000, waarin het ging om het gebruik van uit de VS afkomstige onderzoeksgegevens als startpunt voor een in Nederland verricht strafrechtelijk onderzoek naar betrokkenheid bij internationale drugssmokkel. De verdachte had voor de Nederlandse rechter verzocht de Amerikaanse
Assistant Attorneyals getuige te horen, die betrokken was geweest bij het Amerikaanse opsporingsonderzoek; dit zou kunnen bijdragen aan de beoordeling van de rechtmatigheid van het gebruik in Nederland van de Amerikaanse onderzoeksresultaten. Het gerechtshof Den Haag passeerde dat verzoek, onder verwijzing naar het vertrouwensbeginsel dat de interstatelijke samenwerking in strafzaken beheerst (vgl. alinea 2.25 hiervoor). De Hoge Raad verwierp het daartegen gerichte cassatieberoep. Het EHRM verklaarde de klachten over deze gang van zaken (die in de sleutel van art. 6 EVRM Pro stonden) niet-ontvankelijk. Daartoe overwoog het EHRM, voor zover van belang voor dit geschil: [69]
in casude verdachte), de redenen voor afwijking van het vertrouwensbeginsel dient te substantiëren. [71] Wel teken ik hierbij aan dat voorzichtigheid is geboden bij het verbinden van ver strekkende conclusies aan een betrekkelijk summier gemotiveerde ontvankelijkheidsbeslissing van het EHRM als deze. Dat geldt temeer in de context van geheime surveillance, waarvoor het EHRM juist een specifiek en casuïstisch beoordelingskader heeft ontwikkeld.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
in het algemeenin strijd is met het EVRM of het IVPBR. Volgens de klacht heeft het hof een te beperkte uitleg aan de stellingen van eisers gegeven. Het middelonderdeel keert zich ook tegen rov. 3.5, waar het hof als het fundament onder de vorderingen van eisers beschouwt de stelling dat de werkwijze van de NSA in strijd is met grondrechten. Volgens eisers miskent het hof hiermee dat zij hun vorderingen (mede) hebben gebaseerd op de stelling dat art. 59 Wiv Pro 2002 onvoldoende wettelijke grondslag biedt voor het ontvangen en het gebruiken van gegevens die van buitenlandse diensten zijn ontvangen, omdat art. 59 Wiv Pro 2002 geen waarborgen bevat en ook niet voorziet in onafhankelijk toezicht, hetgeen volgens eisers in strijd is met art. 8 lid 2 en Pro 10 lid 2 EVRM.
in het geheelgeen aandacht aan de bedoelde stellingen heeft besteed, vindt zij geen grondslag in het bestreden arrest. Het hof heeft immers onder ogen gezien dat de vorderingen van eisers (mede) berusten op de beweerde strijdigheid met art. 8 lid 2 en Pro art. 10 lid 2 EVRM Pro. Dit blijkt om te beginnen uit rov. 1.4 (eerste volzin), waar het hof vooropstelt dat de door de NSA en andere buitenlandse diensten gehanteerde methoden volgens eisers in strijd zijn met (onder meer) het EVRM, in het bijzonder het recht op privacy en het recht op vrijheid van meningsuiting c.q. nieuwsgaring. Het blijkt ook uit rov. 1.5 (laatste volzin), waar het hof overweegt dat volgens eisers art. 59 Wiv Pro 2002 niet voldoet aan de eisen die op grond van art. 8 lid 2 EVRM Pro gelden voor een legitieme beperking van het in dat artikel verankerde recht op privacy en dat ook het toezicht dat de CTIVD op de inlichtingendiensten uitoefent, niet voldoet aan de eisen die het EHRM aan een dergelijk toezicht stelt. Hierop voortbouwend, spreekt het hof in rov. 2.1 en daarna consequent over ‘ongeoorloofde’ of ‘illegale’ methoden die de buitenlandse diensten volgens eisers toepassen. Blijkens rov. 3.1 begrijpt het hof daaronder mede de door eisers gestelde strijdigheid met het EVRM. In het vervolg van zijn arrest refereert het hof doorlopend aan de beweerdelijk ‘ongeoorloofde’ of ‘illegale’ methoden en aan de door eisers in dat kader ingeroepen grondrechten. Zo opgevat, loopt de weerlegging van de bedoelde stellingen als een rode draad door het arrest.
onvoldoendeaandacht aan deze stellingen heeft besteed omdat het hof niet afzonderlijk is ingegaan op de vraag of art. 59 Wiv Pro 2002 aan de eisen van art. 8 lid 2 en Pro art. 10 lid 2 EVRM Pro voldoet, faalt zij eveneens. Blijkens de laatste volzin van rov. 1.5 en de daarop voortbouwende overwegingen, heeft het hof de door eisers in hoger beroep opgeworpen vraag zo opgevat, dat de vraag (slechts) betrekking heeft op het wel of niet bestaan van een met voldoende waarborgen omklede wettelijke grondslag voor de ontvangst van gegevens die door buitenlandse inlichtingendiensten
op ongeoorloofde wijzezijn verkregen. Het hof overweegt in de laatste volzin van rov. 1.5 immers, dat eisers “in dat verband” aanvoeren dat art. 59 Wiv Pro 2002 niet voldoet aan art. 8 lid 2 EVRM Pro en aan de eisen die het EHRM aan het toezicht stelt. Het hof doelt daarmee op ongeoorloofde methoden die buitenlandse inlichtingendiensten volgens eisers gebruiken (rov. 1.5, eerste volzin, in samenhang met rov. 1.4, eerste volzin). In lijn daarmee, stelt het hof de vraag naar het bestaan van concrete aanwijzingen voor zulke ongeoorloofde methoden centraal. Kortom: het hof heeft de in het middelonderdeel bedoelde (essentiële) stellingen van eisers opgevat in die zin, dat art. 59 Wiv Pro 2002 vanuit EVRM-perspectief onvoldoende grondslag biedt voor de ontvangst van
onrechtmatig verworven gegevensdie afkomstig zijn van buitenlandse inlichtingendiensten.
onrechtmatig verworven gegevensvan buitenlandse inlichtingendiensten [74] . Ook de door eisers ingestelde vorderingen – die het hof in rov. 1.6 citeert – zijn toegespitst op het “scenario” dat het hof in rov. 1.6 omschrijft, namelijk het scenario van onrechtmatige verwerving van gegevens door een buitenlandse inlichtingendienst en de daarop volgende verkrijging van die gegevens door een Nederlandse inlichtingendienst.
mogelijkheiddat zo’n scenario zich zal voordoen niet voldoende om de Nederlandse inlichtingendiensten te dwingen hun werkprocessen aan te passen (rov. 3.17). [75] Bij die stand van zaken heeft het hof inderdaad in het midden kunnen laten of de ontvangst van gegevens van buitenlandse diensten door de AIVD en de MIVD
in het algemeenin strijd is met het EVRM. Daarbij komt dat de gevorderde verklaring voor recht (het
petitum)onder I uitdrukkelijk was beperkt tot de ontvangst of het gebruik van gegevens die “via ongeoorloofde middelen zijn vergaard”. De vorderingen onder II en III verwijzen naar de vordering onder I. De door eisers ingestelde vorderingen (zoals weergegeven in rov. 1.6) strekten niet ertoe, de ontvangst van gegevens van buitenlandse inlichtingendiensten als zodanig ter discussie te stellen, los van eventuele illegale of ongeoorloofde verwerving van die gegevens; aldus overweegt het hof in rov. 2.3. Weliswaar spreekt de vordering onder II aan het slot en onder III ook over “gegevens waarvan niet met zekerheid is vast te stellen dat dit niet het geval is”, maar al met al berust het hier bestreden oordeel op een aan het hof als feitenrechter voorbehouden uitleg van de gedingstukken, die voldoende gemotiveerd is. De slotsom is dat onderdeel 1 faalt.
systematischof
willens en wetensgegevens van buitenlandse diensten te ontvangen omtrent Nederlandse ingezetenen, welke de Nederlandse inlichtingendiensten op grond van hun eigen bevoegdheden niet hadden kunnen vergaren. Volgens het hof hebben eisers hebben het een, noch het ander voldoende met feiten of omstandigheden onderbouwd of specifiek te bewijzen aangeboden.
voorbeeldbetreft van een situatie waarin een Nederlandse inlichtingendienst misbruik zou maken van een discrepantie die kan bestaan tussen de eigen bevoegdheden en die van een of meer buitenlandse inlichtingendiensten. Het hof bedoelt klaarblijkelijk dat zulk misbruik denkbaar is; niet dat slechts “denkbaar” is dat het betreffende gedrag misbruik oplevert (vgl. rov. 3.17, derde volzin).
voorbeeldenvan misbruiksituaties noemt. Overigens is niet onbegrijpelijk dat en waarom het hof de hier bedoelde misbruiksituatie toespitst op het ‘systematisch’ of ‘willens en wetens’ ontvangen van gegevens die de Nederlandse diensten zelf niet kunnen verwerven. Dat is immers de passieve variant van de U-bochtconstructie, die in de wetsgeschiedenis – en door het hof zelf, in rov. 3.16 − is genoemd als een voorbeeld van misbruik. [77] De omstandigheid dat Nederlandse inlichtingendiensten incidenteel en onbedoeld (wel eens) gegevens van buitenlandse diensten ontvangen die zij zelf niet hadden kunnen vergaren, kan bezwaarlijk worden aangemerkt als een “(dreigend) misbruik” (in de zin van rov. 3.17, derde volzin) of als het “omzeilen” van de Wiv 2002. Zij leidt niet ertoe dat de beperkingen die de Wiv 2002 aan het vergaren van inlichtingen stelt tot een “dode letter” worden (in de zin van rov. 3.16, vijfde volzin). Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het gebruik van woorden als ‘systematisch’ en ‘opzettelijk’ in de context van privacyschending niet ongebruikelijk is. [78]
systematisch of doelbewustontvangen van gegevens die de Nederlandse diensten
zelf niet hadden kunnen verwerven. Het onderdeel vermeldt geen vindplaatsen van stellingen die daarop zijn toegespitst.
waarvan bekend is of vermoed wordt dat zij door de buitenlandse dienst zijn verworven met een methode die een ongeoorloofde inbreuk op een grondrecht vormtongeoorloofd is.
concrete aanwijzingbehelst die noodzaakt tot afwijking van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op de vindplaatsen die in het middelonderdeel worden genoemd hebben eisers het CTIVD-rapport ingeroepen als kenbron van
algemenekritiek op het stelsel van internationale gegevensuitwisseling; niet als vindplaats van enige
concreteaanwijzing voor afwijking van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op dit alles stuit onderdeel 3 af.
Schremsvan het Hof van Justitie van de Europese Unie. [85] Het gaat in deze overweging om de vraag of eisers erin zijn geslaagd, aan te tonen dat de werkwijze van de NSA en de GCHQ
in algemene zin [86] in strijd is met het IVBPR of het EVRM. Het hof komt tot de gevolgtrekking dat aan het arrest-Schrems niet de conclusie kan worden verbonden dat de door de NSA gehanteerde methoden ongeoorloofd (namelijk in strijd met het IVBPR) zijn. Het onderdeel herhaalt de desbetreffende stellingen en klaagt dat rov. 3.10 in het licht daarvan onjuist althans onbegrijpelijk is.
safe harbour-beschikking: een overeenkomstig art. 25 lid 6 van Pro de Richtlijn bescherming persoonsgegevens [87] door de Europese Commissie afgegeven beschikking. [88] In die beschikking was vastgelegd dat Amerikaanse bedrijven door middel van een systeem van zelfcertificering konden voldoen aan het voor de doorgifte van persoonsgegevens vereiste “passende beschermingsniveau” als bedoeld in art. 25 lid 6 van Pro de richtlijn, oftewel een ‘
safe harbour’voor persoonsgegevens konden bieden.
safe harbour-beschikking geen toereikende vaststellingen bevatte ten aanzien van “de maatregelen waarmee de Verenigde Staten van Amerika (…) waarborgen voor een passend beschermingsniveau bieden in de zin van artikel 25, lid 6, van deze richtlijn” (par. 83). Ook constateerde het HvJEU dat de beschikking “geen enkele vaststelling” bevatte ten aanzien van de vraag “of er in de Verenigde Staten overheidsregels bestaan ter beperking van dergelijke inmengingen in de grondrechten van de personen van wie de gegevens vanuit de Unie naar de Verenigde Staten worden doorgegeven” (par. 88) en dat de beschikking “niets vermeldt over de vraag of er effectieve rechtsbescherming tegen dat soort inmengingen bestaat” (par. 89). Op grond van (onder meer) deze overwegingen heeft het HvJEU de
safe harbour-beschikking vernietigd. Medio 2016 heeft de Commissie een nieuwe beschikking afgegeven, het zogenoemde
EU-VS-privacyschild. [89]
Schremsverworpen op grond van de volgende overwegingen:
Schremsniet bijdraagt aan het door eisers te leveren bewijs (dat de werkwijze van de NSA en de GCHQ
in algemene zinin strijd is met het IVBPR of het EVRM; vgl. rov. 3.12). Ten eerste constateert het hof dat het arrest van het HvJ EU niet ging over de praktijken en de bevoegdheden van de NSA, maar over het systeem van zelfcertificering waarmee Amerikaanse bedrijven de beschikking konden krijgen over Europese persoonsgegevens. Ten tweede constateert het hof dat het HvJ EU in dit arrest geen uitspraak heeft gedaan over het door de VS geboden beschermingsniveau; het is niet verder gekomen dan de constatering dat de Commissie dat beschermingsniveau niet had onderzocht.
Schremswel aanleiding kan geven tot kritische (her)overdenking van de internationale gegevensuitwisseling tussen inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Dat is ook hetgeen de CTIVD in haar zojuist geciteerde rapport signaleert. Het principiële belang van de vragen die eisers aan de orde hadden willen stellen [91] laat onverlet dat de toetsing door de burgerlijke rechter van de rechtmatigheid dan wel onrechtmatigheid van gedragingen van de gedagvaarde wederpartij niet
in abstractogeschiedt. Deze toetsing geschiedt op basis van de daartoe aangevoerde feiten, met alle processuele gevolgen en beperkingen van dien.