Conclusie
[eiseres]/BAST s.r.o.. [eiseres] (hierna: [eiseres]) was tussenpersoon in een contractuele relatie met VelopA B.V. (hierna: VelopA), haar opdrachtgever/afnemer, en anderzijds met de Tsjechische firma BAST s.r.o. (hierna: Bast), haar toeleverancier. Bast is in 2005 de producten (met name metalen fietsenrekken) die zij aan [eiseres] leverde, rechtstreeks aan VelopA gaan leveren. De beide zaken gaan over dit feitencomplex. Gelet op deze samenhang (de dossiers bevatten bovendien deels dezelfde stukken) is het wenselijk dat zij gelijk op lopen. Om die reden wordt vandaag in beide zaken geconcludeerd.
1.Feiten
Prijs per stuk:
De situatie lijkt te zijn dat onze jarenlange samenwerking na de aanstaande leveringen feitelijk beëindigd is.
Betreft: Afronding (…)
Betreft: uw fax d.d. 11 juli 2005 inzake afronding.
Betreft: Afronding (…)
2.Procesverloop
tussenvonnis van 13 december 2006[eiseres] opgedragen te bewijzen dat partijen zijn overeengekomen dat VelopA verplicht was de in het raamcontract genoemde aantallen van [eiseres] binnen een periode van uiterlijk zes jaar daadwerkelijk af te nemen. [14] Nadien hebben getuigenverhoren plaatsgevonden.
eindvonnis van 8 april 2009heeft de rechtbank voornoemde vordering afgewezen en de kosten gecompenseerd. Onder verwijzing naar het proces-verbaal van de getuigenverhoren overweegt de rechtbank dat de raamovereenkomst vooral een contract is waarin VelopA [eiseres] aanwijst als leverancier en niet een contract waarin ‘harde’ afspraken over af te nemen aantallen producten zijn gemaakt. De in het contract opgenomen aantallen zijn veeleer te beschouwen als een indicatie van het aantal in de aangegeven periode te verwachten bestellingen (rov. 2.12).
tussenarrest van 5 oktober 2010 [15] overweegt het hof Amsterdam dat het raamcontract een afnameplicht voor VelopA inhield en dat VelopA, door op enig moment in 2005 de afname te staken, toerekenbaar in haar verplichtingen jegens [eiseres] is tekortgeschoten. De in cassatie relevante overwegingen luiden als volgt:
4.10 In het raamcontract NS, zoals door de rechtbank geciteerd in r.o. 2.3 van het vonnis van 13 december 2006, worden aantallen producten genoemd en de prijs per stuk. Uit de tekst van dit raamcontract blijkt niet zonder meer of van een afnameverplichting door VelopA sprake is. Bij de uitleg van een contract als het onderhavige is echter niet alleen een zuiver taalkundige uitleg van de bewoordingen van het contract van belang. Het komt ook aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
4.15 Gelet op bovengenoemde omstandigheden moet het raamcontract NS in die zin worden uitgelegd dat VelopA in ieder geval was gehouden de producten die Armada/ProRail bij haar zou bestellen in het kader van het tussen Armada/ProRail en VelopA geldende contract af te nemen van [eiseres]. Nu VelopA op enig moment in 2005 de afname heeft gestaakt levert dat een toerekenbare tekortkoming van haar zijde op. Voor de berekening van de door deze tekortkoming veroorzaakte schade rijzen een aantal vragen (de producties 15A en 15B die door [eiseres] bij inleidende dagvaarding zijn overgelegd, zijn zonder nadere toelichting niet inzichtelijk):
tussenarrest van 19 maart 2013verwerpt het verwijzingshof Arnhem-Leeuwarden (hierna:
het hof) het verweer van VelopA dat zij met instemming van [eiseres] het raamcontract had beëindigd. Het hof houdt vast aan hetgeen in het tussenarrest van 5 oktober 2010 is overwogen en beslist. Het bepaalt verder dat het alsnog een inlichtingencomparatie zal gelasten over de omvang van de door [eiseres] geleden schade.
tussenarrest van 26 november 2013oordeelt het hof dat de eiswijziging van [eiseres] in het licht van de twee-conclusie-regel ontoelaatbaar is:
2.7 [eiseres] heeft tijdens de comparitie van partijen bij het hof aangekondigd haar eis te wijzigen, aldus dat zij thans tevens vordert de schade te begroten in de vorm van winstafdracht ex artikel 6:104 BW Pro. VelopA heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat [eiseres] voor het eerst tijdens de comparitie van partijen in hoger beroep na verwijzing deze vordering heeft ingediend en toegelicht. [eiseres] heeft aan haar oorspronkelijke vordering niet ten grondslag gelegd dat zij de misgelopen bruto marge minus de variabele kosten vordert. In artikel 6:104 BW Pro is vermeld dat de verzochte wijze van schadebegroting plaatsvindt op vordering van de benadeelde. Voor ambtshalve toepassing, zonder dat dit (tijdig) door de benadeelde is gevorderd en toegelicht, is dus geen plaats, zodat deze vordering nog slechts bij wege van eiswijziging zou kunnen worden afgedaan. De twee-conclusie-regel van art. 347 Rv Pro brengt echter mee dat een wijziging van de (grondslag van de) eis in dit stadium niet meer toelaatbaar is, tenzij zich een van de in de rechtspraak erkende uitzonderingen op die regel zou voordoen (vgl. HR 20 juni 2008, LJN BC4959, NJ 2009/21, en HR 19 juni 2009, LJN BI8771, NJ 2010/154). Een zodanige uitzondering doet zich hier niet voor. Dat [eiseres] eerst laat op de hoogte is geraakt van de hoogte van de door VelopA gerealiseerde winst, staat er niet aan in de weg dat zij reeds eerder winstafdracht had kunnen vorderen. De wijziging van eis wordt reeds hierom ontoelaatbaar geacht.”
2.4 Het hof is van oordeel dat bij de schadeberekening slechts die producten moeten worden betrokken die onder de looptijd van de derde tranche van het raamcontract NS daadwerkelijk zijn afgenomen door ProRail/NS. [eiseres] heeft in haar inleidende dagvaarding immers gesteld dat VelopA haar afnameverplichtingen niet meer nakomt, terwijl het gaat om een raamcontract dat een looptijd zou hebben tot 2008. Zij heeft in deze inleidende dagvaarding ook aangegeven dat uitgegaan moet worden van een looptijd van 5-6 jaar, gerekend vanaf 2002. Onder die omstandigheden is VelopA slechts schadeplichtig ten aanzien van de producten die Armada/ProRail (en naar tijdens de comparitie van partijen is gebleken ook [B]) in het kader van de derde tranche van het raamcontract NS tot 2008 bij [eiseres] zou bestellen en na de verbreking van de relatie rechtstreeks bij BAST heeft besteld. De door [eiseres] aangevoerde omstandigheid dat in het verleden in de praktijk producten ook nog na afloop van een (eerdere tranche van een) contract werden uitgeleverd, maakt dit niet anders omdat 2008 nu eenmaal de overeengekomen deadline was.
tussenarrest van 20 mei 2014legt het hof zeven onderzoeksvragen voor de deskundige vast en benoemt het de deskundige. Op 1 juni 2015 is het deskundigenbericht uitgebracht. Daarin wordt geconcludeerd dat [eiseres] door de wanprestatie van VelopA een netto-marge is misgelopen van € 187.475,-.
eind2008. [20]
eindarrest van 28 maart 2017overweegt het hof geen aanleiding te zien om terug te komen op zijn bindende eindbeslissing in het tussenarrest van 26 november 2013 en het daarop volgende tussenarrest van 20 mei 2014:
2.6 Het hof heeft in het tussenarrest van 26 november 2013 gemotiveerd uiteengezet dat VelopA slechts schadeplichtig is ten aanzien van de producten die Armada/ProRail (en [B]) in het kader van de derde tranche van het raamcontract NS tot 2008 bij [eiseres] zou bestellen en na de verbreking van de relatie rechtstreeks bij BAST heeft besteld. Daarbij is aangesloten bij de eigen stellingen die [eiseres] in haar inleidende dagvaarding heeft ingenomen, te weten “dat VelopA haar afnameverplichting niet meer nakomt, terwijl het gaat om een raamcontract dat een looptijd zou hebben tot 2008” en “dat uitgegaan moet worden van een looptijd van 5-6 jaar, gerekend vanaf 2002”. De omstandigheid dat [eiseres] daarnaast heeft verwezen naar de producties 15A en 15B die zij bij de inleidende dagvaarding had overgelegd, brengt hierin geen verandering. Deze producties vormen weliswaar een cijfermatige onderbouwing van de door [eiseres] gevorderde schade, maar laten de stellingen die [eiseres] aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd onverlet. In dat kader overweegt het hof nog dat [eiseres] in haar inleidende dagvaarding wel heeft verwezen naar haar producties 15A en 15B, maar dat zij daarbij geen nadere toelichting op deze producties heeft gegeven. Zij heeft slechts gesteld dat productie 15A een overzicht bevat van de verkoopcontracten naar aanleiding van “het betreffende Raamcontract NS”, waarop is aangegeven “wat tot voor kort gepresteerd is en wat niet.” Bij productie 15 is opgemerkt dat dit een berekening bevat van de daardoor geleden schade, te weten “de misgelopen brutomarge minus de variabele kosten.”
2.8 Ook voormelde beslissing berust niet op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. [eiseres] heeft immers, zowel destijds als thans, onvoldoende onderbouwd gesteld dat een uitzondering was gerechtvaardigd op de twee-conclusie-regel vanwege het feit dat de ‘grief’ redelijkerwijs niet eerder in het geding naar voren kon worden gebracht. Zoals het hof in 2.7 van het tussenarrest van 26 november 2013 reeds overwoog: “Dat [eiseres] eerst laat op de hoogte is geraakt van de hoogte van de door VelopA gerealiseerde winst, staat er niet aan in de weg dat zij reeds eerder winstafdracht had kunnen vorderen
.” Het had op de weg van [eiseres] gelegen om nader te onderbouwen dat het haar niet op een eerder moment redelijkerwijs bekend had kunnen zijn dat VelopA deze inkoopvoordelen genoot, nu zij immers wist dat VelopA bij BAST was gaan inkopen en zij zelf ook met BAST had gecontracteerd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Iklaagt over de in rov. 4.15 van het tussenarrest van 5 oktober 2010 (zie hiervoor 2.5) gegeven uitleg van het raamcontract.
Onderdeel IIklaagt over het in rov. 2.4 van het tussenarrest van 26 november 2013 gegeven oordeel (zie hiervoor 2.12) dat de schade enkel moet worden gerelateerd aan de derde tranche van het raamcontract.
Onderdeel IIIricht opnieuw een motiveringsklacht tegen rov. 4.15 van het tussenarrest van 5 oktober 2010: de daar gegeven uitleg van het raamcontract zou tegenstrijdig zijn met de overwegingen die daaraan voorafgaan.
Onderdeel IVis gekant tegen het oordeel in rov. 2.7 van het tussenarrest van 26 november 2013 (zie hiervoor 2.11) en rov. 2.8 van het eindarrest (zie hiervoor 2.17), dat de bij comparitie in appel voorgestelde eiswijziging te laat en daarom ontoelaatbaar is.
Onderdeel Vricht zich weer tegen rov. 4.15 van het tussenarrest van 5 oktober 2010 en klaagt dat het hof heeft miskend dat het raamcontract een akte oplevert waaraan dwingende bewijskracht toekomt wat betreft het aantal te leveren producten.
Haviltex-arrest. [25] Contractsuitleg is een deels feitelijke en deels juridische kwestie. Wat de voor de uitleg relevante omstandigheden zijn is een feitelijk oordeel. De normatieve waardering van die omstandigheden aan de hand van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid vergt een juridisch oordeel. In de meeste gevallen overheerst het feitelijk element, met als gevolg dat in cassatie tegen het oordeel van de appelrechter alleen met motiveringsklachten kan worden opgekomen. [26] De onderhavige zaak illustreert dit: de onderdelen I, III en V richten overwegend motiveringsklachten tegen sterk feitelijke oordelen. Ik zal toelichten waarom die klachten m.i. niet slagen.
“in ieder geval gehouden was de producten die Armada/ProRail bij haar zou bestellen in het kader van het tussen Armada/ProRail en VelopA geldende contract, af te nemen van [eiseres]”geen kenbare aandacht heeft besteed aan een aantal van haar stellingen en daarmee miskend heeft dat bij de uitleg van een schriftelijk contract steeds alle omstandigheden van het concrete geval beslissend zijn. Zo het hof dit niet heeft miskend, is het oordeel onbegrijpelijk nu niet alle door [eiseres] genoemde omstandigheden kenbaar zijn meegewogen, aldus de klacht.
Haviltex-maatstaf). Het hof heeft die maatstaf vervolgens ook toegepast. De klacht dat het hof heeft miskend dat de bij de uitleg in aanmerking te nemen omstandigheden moeten worden gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, wordt dan ook tevergeefs voorgesteld.
in ieder geval” was gehouden de producten die Armada/ProRail bestelden, af te nemen van [eiseres]. Deze overweging houdt niet in dat VelopA niet de in de raamovereenkomst genoemde aantallen hoefde af te nemen, ongeacht of NS dan wel Armada/ProRail die bij VelopA zouden bestellen en evenmin of zulks ook diende te gebeuren voor 1 januari 2008, zoals [eiseres] kennelijk meent. Waar haar klachten op deze onjuiste lezing van de betrokken overweging berusten, missen zij feitelijke grondslag.
in ieder gevalwas gehouden tot afname van de producten die Armada/ProRail bij haar zou bestellen, in stand blijft. De hiervoor opgesomde omstandigheden, die [eiseres] aandraagt ter onderbouwing van het standpunt dat VelopA tot afname van meer gehouden was, kunnen aan dat oordeel ook niet afdoen.
daadwerkelijk zijn afgenomen. Dat oordeel wordt op die plaats van een nadere - zij het summiere - motivering voorzien. Daaraan ziet [eiseres] hier voorbij.
onderdeel IIIstelt [eiseres] dat er sprake is van een innerlijke tegenstrijdigheid tussen rov. 4.15 van het tussenarrest van 5 oktober 2010 en de daaraan voorafgaande rov. 4.12 en 4.14. Uit beide laatstgenoemde overwegingen volgt dat er volgens het hof aanwijzingen zijn dat het de bedoeling van partijen was
“dat de in het raamcontract genoemde aantallen producten uiteindelijk zouden worden afgenomen door VelopA”. In rov. 4.15 overweegt het hof (zoals we hiervoor al zagen) “
dat VelopA in ieder geval was gehouden de producten die Armada/ProRail bij haar zou bestellen in het kader van het tussen Armada/ProRail en Velopa geldende contract af te nemen van [eiseres]”. Als gezegd lijkt die niet een voor [eiseres] ongunstige overweging. [eiseres] klaagt niettemin dat het hof aldus niet duidelijk maakt waarom het tot een uitleg van het raamcontract komt die afwijkt van de eerder geconstateerde (aanwijzingen voor de) bedoeling van partijen en niet blijkt wat daarbij de doorslag heeft gegeven.
in ieder gevalgehouden was de producten die Armada/Pro Rail bij haar zou bestellen van [eiseres] af te nemen, laat de mogelijkheid open dat VelopA tot een verdergaande afname gehouden is. Reeds daarom kan niet worden gezegd dat rov. 4.15 strijdt met de eerdere constatering dat het de bedoeling van partijen was dat de in het raamcontract genoemde aantallen producten uiteindelijk zouden worden afgenomen door VelopA.
“dat partijen er van uitgingen dat als Armada/ProRail producten in het kader van deze tranche(s) zou bestellen, deze producten ook van [eiseres] zouden worden afgenomen.”‘Als’ moet hier m.i. worden gelezen als ‘indien’.
bij de schadeberekening slechts die producten moeten worden betrokken die onder de looptijd van de derde tranche van het raamcontract NS daadwerkelijk zijn afgenomen door ProRail/NS” gelet op de omstandigheid dat:
begin 2008de overeengekomen deadline was. [eiseres] heeft dat nog eens bevestigd in haar antwoorden op de eerder door het hof in rov. 4.15 van het tussenarrest van 5 oktober 2010 geformuleerde vragen. [46] De bestreden beslissing van het hof is daarom zeker niet onbegrijpelijk.
onder IIbvoert [eiseres] motiveringsklachten aan. Niet voldoende begrijpelijk zou zijn gemotiveerd waarom de omstandigheid dat in het verleden en in de praktijk ook nog na afloop van een (eerdere tranche van een) contract werd uitgeleverd, niet aan het oordeel kan afdoen dat VelopA slechts schadeplichtig is ten aanzien van de producten die Armada/ProRail (en ook [B]) in het kader van de derde tranche van het raamcontract tot 2008 bij [eiseres] zou bestellen en na verbreking van de relatie rechtstreeks bij Bast heeft besteld, omdat 2008 de overeengekomen deadline was. [eiseres] wijst erop dat tussen partijen nu juist ter discussie stond of de (in het raamcontract vervatte) bestelplicht slechts tot 2008 liep.
ad (viii)is opgemerkt. [eiseres] heeft gesteld dat het gaat om een raamcontract dat een looptijd zou hebben tot 2008 en verder dat uitgegaan moet worden van een looptijd van 5-6 jaar, gerekend vanaf 2002. Tegen die achtergrond bezien is het oordeel “
dat 2008 nu eenmaal de overeengekomen deadline was”, [52] niet onbegrijpelijk. Geen van de genoemde omstandigheden dwingt tot een uitleg van het raamcontract waarbij niet de einddatum, maar de genoemde aantallen producten leidend zijn en tot het aannemen van een verplichting van VelopA om de genoemde aantallen producten zonder meer af te nemen ongeacht of NS of Armada/ProRail die op haar beurt bij Velopa zou bestellen en of zulks ook zou gebeuren voor 1 januari 2008.
hoogtevan de door VelopA gerealiseerde winst, staat er niet in de weg dat zij reeds eerder winstafdracht had kunnen vorderen. In dat geval had zij haar vordering mogelijk later naar aanleiding van de haar nadien bekend geworden feiten en omstandigheden nader kunnen concretiseren. [55]
extrainkoopvoordeel dat VelopA zou genieten. Bij die stand van zaken heeft het hof terecht geoordeeld dat de twee-conclusie-regel meebrengt dat een wijziging van (de grondslag van de) eis in dat stadium niet meer toelaatbaar is en dat geen van de in de rechtspraak erkende uitzonderingen op die regel zich hier voordoet.