ECLI:NL:PHR:2018:520

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 mei 2018
Publicatiedatum
31 mei 2018
Zaaknummer
17/05943
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 BWArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens ernstige ontwikkelingsbedreigingen

De moeder en haar stiefvader zijn gehuwd geweest en hebben vier kinderen samen; daarnaast heeft de moeder twee kinderen met een andere man, waaronder de twee minderjarige kinderen in deze zaak. Na beëindiging van de relatie met de biologische vader en latere hereniging met de stiefvader, ontstond een complexe juridische situatie over het gezag en de omgangsregeling van de kinderen.

De rechtbank stelde de twee minderjarige kinderen onder toezicht vanwege ernstige bedreigingen in hun ontwikkeling, veroorzaakt door de hevige strijd tussen de moeder, stiefvader en de biologische vader over de juridische status en omgang. De moeder ging in hoger beroep tegen deze ondertoezichtstelling, maar het hof bekrachtigde het besluit.

In cassatie richtte de moeder zich tegen het oordeel dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat zij de noodzakelijke zorg niet of onvoldoende accepteert. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de juiste maatstaf heeft toegepast, de motivering toereikend is en dat de klachten van de moeder feitelijk en juridisch niet slagen.

Het hof heeft onder meer overwogen dat de moeder onvoldoende inzicht toont in de gevolgen van de onrustige situatie voor de kinderen, dat de noodzakelijke begeleiding niet tot stand komt en dat het belang van statusvoorlichting en onbelaste omgang met de biologische vader voor de ontwikkeling van de kinderen voorop staat. De Hoge Raad bevestigt dat de ondertoezichtstelling terecht is en de moeder onvoldoende meewerkt aan het wegnemen van de bedreigingen.

De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het cassatieberoep moet worden verworpen en de ondertoezichtstelling gehandhaafd blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wordt bekrachtigd.

Conclusie

Zaaknr: 17/05943
mr. M.L.C.C. Lückers
Zitting: 18 mei 2018
Conclusie inzake:
[de moeder]
(hierna: de moeder)
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later
tegen
Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidwest Nederland, Locatie Middelburg
(hierna: de raad)
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
In deze zaak heeft het hof de door de rechtbank uitgesproken ondertoezichtstelling bekrachtigd van twee minderjarige kinderen vanwege ernstige ontwikkelingsbedreigingen (o.a. als gevolg van hevige strijd tussen moeder en stiefvader enerzijds en biologische vader anderzijds over juridische status en feitelijke rol van de biologische vader). In cassatie wordt opgekomen tegen het oordeel dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat de zorg die in verband met het wegnemen van de ontwikkelingsbedreigingen noodzakelijk is, door de moeder niet of onvoldoende wordt geaccepteerd.
1. Feiten [1] en procesverloop
1.1 De moeder en de stiefvader zijn gehuwd geweest van 8 juli 2004 tot en met 5 augustus 2013. Uit dit huwelijk zijn vier (thans nog minderjarige) kinderen geboren. De moeder heeft voorts nog twee kinderen van een andere man (niet zijnde de vader of de stiefvader).
1.2 Na genoemd huwelijk van de moeder en de stiefvader hebben de moeder en de vader (tot eind 2015, begin 2016) een affectieve relatie gehad. Uit deze inmiddels verbroken relatie zijn geboren:
[kind 1] (hierna: [kind 1]), op [geboortedatum] 2014, te [geboorteplaats];
[kind 2] (hierna: [kind 2]), op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats]. De vader heeft [kind 1] erkend.
1.3 Vervolgens hebben de moeder en de stiefvader zich herenigd.
De stiefvader heeft [kind 2] erkend. [2]
Nadien, op 19 juli 2016, zijn de moeder en de stiefvader wederom met elkaar gehuwd, waardoor zij van rechtswege met het gezamenlijk gezag over [kind 2] zijn belast. De moeder is van rechtswege met het eenhoofdig gezag over [kind 1] belast.
1.4 Bij beschikking van 11 april 2017 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, [kind 1] en [kind 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 11 april 2017 tot 11 april 2018. [3]
1.5 De moeder heeft hoger beroep ingesteld.
1.6 Bij beschikking van 14 september 2017 heeft het hof ’s-Hertogenbosch, voor zover in cassatie van belang, de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
1.7 De moeder heeft tijdig [4] beroep in cassatie ingesteld.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
De omstandigheid dat de geldigheidsduur van deze ondertoezichtstelling inmiddels is verstreken brengt niet mee dat de moeder geen procesbelang meer zou hebben bij haar cassatieberoep. [5]
2.2
Het cassatiemiddel komt op tegen het oordeel van het hof dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat de zorg die in verband met het wegnemen van de ontwikkelingsbedreigingen noodzakelijk is, door de moeder niet of onvoldoende wordt geaccepteerd (rov. 3.10.7).
Onderdeel Ikomt op tegen de motivering van dit oordeel in rov. 3.10.3-3.10.6 van de bestreden beschikking en bevat de algemene klacht dat het hof een zeer eenzijdige kijk op de gebeurtenissen rond de twee minderjarige kinderen heeft gegeven door de moeder overal de schuld van te geven zonder oog te hebben voor de problematiek aan de kant van de biologische vader, althans dat het hof zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd heeft. Deze algemene klacht is uitgewerkt in de subonderdelen I.1-I.6. [6] Onderdeel IIis gericht tegen de rov. 3.10.1 en 3.10.2 van de bestreden beschikking en klaagt dat in feite een omgangsondertoezichtstelling is uitgesproken waaraan hoge motiveringseisen worden gesteld en dat het gegeven dat het hier gaat om heel jonge en kwetsbare kinderen waarmee heel voorzichtig moet worden omgegaan, geen reden is om aan te nemen dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de minderjarigen. Voorts wordt geklaagd dat niet blijkt dat moeder de nodige zorg niet of onvoldoende accepteert. Ik bespreek eerst onderdeel II, waarna ik op de afzonderlijke subonderdelen van onderdeel I zal ingaan.
2.3
De klachten van onderdeel II missen allebei feitelijke grondslag in het oordeel van het hof. Er is geen sprake van een zogenaamde omgangsondertoezichtstelling zoals volgt uit de overwegingen van het hof onder 3.10.3 tot en met 3.10.6. Ook in het geval wel van een omgangsondertoezichtstelling sprake zou zijn, is het onderdeel tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft nadat het in rov. 3.5-3.9 achtereenvolgens de standpunten van de moeder, de raad, de vader, de gecertificeerde instelling en de stiefvader heeft weergegeven, in rov. 3.10.1 de juiste maatstaf van art. 1:255 lid 1 BW Pro geformuleerd. Het hof is blijkens rov. 3.10.2 evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, die het overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling en voegt daar nog een aantal overwegingen aan toe. Waarom sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarigen heeft het hof in rov. 3.10.3, 3.10.4 en 3.10.6 nader uitgewerkt. Dat de noodzakelijke zorg door de moeder niet of niet voldoende wordt geaccepteerd komt in rov. 3.10.5 aan bod. Het hof heeft met de bestreden beschikking m.i. ook voldaan aan de hoge motiveringseisen die in het geval van een omgangsondertoezichtstelling gelden. [7]
2.4
De eerste twee subonderdelen van onderdeel I komen op tegen het oordeel van het hof in rov. 3.10.4 van de bestreden beschikking.. Het hof heeft in die rechtsoverweging als volgt overwogen:
“Het hof stelt vast dat sprake is van een grote weerstand bij de moeder (en de stiefvader) jegens de vader. De moeder heeft de omgang tussen de vader en [kind 1] eenzijdig stopgezet in verband met bij [kind 1] geconstateerde problematiek. Het is echter (nog) niet komen vast te staan of deze problematiek veroorzaakt wordt door de omgang met de vader of dat er sprake is van kindeigenproblematiek bij [kind 1]. Van contra-indicaties aan de zijde van de vader is het hof niet gebleken.
De moeder heeft ter zitting aangevoerd dat zij geen meerwaarde ziet in het geven van een rol aan de vader in het leven van de kinderen, aangezien hij in het verleden te weinig betrokkenheid heeft getoond, in tegenstelling tot de stiefvader, die er altijd voor de kinderen is geweest. Met deze houding geeft de moeder er blijk van onvoldoende inzicht te hebben in de ernstige gevolgen voor de kinderen van het opgroeien in de huidige onrustige en (in juridische zin) chaotische situatie.
Bovendien leidt deze houding ertoe dat de noodzakelijke begeleiding bij het behalen van de hiervoor gestelde doelen, statusvoorlichting en (onbelaste) omgang met de vader, niet tot stand komt en het contact met de vader verder wordt uitgesteld.”
In
subonderdeel I.1lees ik de klacht dat het oordeel van het hof dat van contra-indicaties aan de kant van de vader niet is gebleken onbegrijpelijk is, omdat indien nog niet is vastgesteld of de problematiek veroorzaakt is door de omgang met de vader ook niet kan worden vastgesteld dat geen sprake is van contra-indicaties aan de zijde van de vader. De klacht mist feitelijke grondslag, nu het hof slechts heeft geoordeeld dat hem van contra-indicaties met betrekking tot de omgang aan de zijde van de vader niet is gebleken.
2.5
Subonderdeel I.2klaagt dat het oordeel van het hof dat de moeder ter zitting heeft aangevoerd dat zij geen meerwaarde ziet in het geven van een rol aan de vader in het leven van de kinderen en dat zij met deze houding blijk geeft van onvoldoende inzicht in de ernstige gevolgen voor de kinderen van het opgroeien in de huidige onrustige en (in juridische zin) chaotische situatie onbegrijpelijk is. Zo is voormelde opmerking over de meerwaarde in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling niet te vinden en is de houding van de moeder juist – met inachtneming van de belangen van de kinderen – de nodige voorzichtigheid te betrachten. Bovendien blijkt uit het rapport van de raad dat de moeder hulp heeft gevraagd, juist ook in verband met de omgangsregeling.
2.6
De klacht faalt. De rechter is bij de vaststelling in zijn beschikking van het verhandelde ter zitting niet gebonden aan de letterlijke inhoud van het proces-verbaal, zodat een eventuele discrepantie de beschikking niet zonder meer onbegrijpelijk maakt. Uit hetgeen is gerelateerd op p. 4 van het proces-verbaal kon het hof tot zijn oordeel komen dat moeder geen meerwaarde ziet in de rol van de vader. De omstandigheid dat de moeder in verband met de problematiek van [kind 1] hulp heeft ingeschakeld van Prokino Zorg maakt dit niet anders.
2.7
2.7
Subonderdeel I.4is gericht tegen rov. 3.10.3. Het hof heeft, kort samengevat, geoordeeld dat de onrust en spanningen die uit de hevige strijd tussen de ouders voortvloeien, onvermijdelijk een weerslag hebben op de kinderen, dat statusvoorlichting en onbelast contact met beide ouders onontbeerlijk zijn voor een gezond opvoedingsklimaat, dat het hof, anders dan de moeder, met de raad van oordeel is dat de kinderen niet te jong zijn voor statusvoorlichting en dat het resultaat van de tussen de ouders woedende (juridische) strijd is dat de kinderen verstoken blijven van (onbelaste) omgang met hun biologische vader.
2.8
Het subonderdeel klaagt, kort samengevat, onder verwijzing naar HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:452 dat het aan de ouder die het gezag uitoefent is om te bepalen wat het geschikte moment is om statusvoorlichting aan het kind te geven en dat het belang van het kind daarbij voorop staat. In dit geval bestaat in verband met het feit dat de moeder reeds drie kinderen heeft met de diagnose autisme en gelet op de problematiek van [kind 1] een redelijke kans dat in ieder geval zij ook autistisch is. Dit vergt dat in het belang van het kind alle voorzichtigheid wordt betracht en dat niet moet worden doorgedramd omdat de vader dat zo graag wil. Op p. 8 van het verzoekschrift bovenaan lees ik nog de klacht dat het gelet op de omstandigheid dat niet blijkt dat de raad onderzoek heeft gedaan naar de minderjarigen onbegrijpelijk is waarom geen acht wordt geslagen op het standpunt van de deskundige die verzoekster zelf heeft ingeschakeld vanwege de escalatie van de onbegeleide verzoeken.
2.9
Het subonderdeel is tevergeefs voorgesteld. In zijn beschikking van 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:452, waarin de omgang tussen een bekende spermadonor van een kind en dat kind centraal stond, heeft de Hoge Raad als volgt overwogen:
“5.1.2 Ingevolge art. 8 EVRM Pro en art. 1:377a lid 1 BW hebben het kind en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat recht op omgang met elkaar. Bij gebreke van zodanige betrekking vloeit hetzelfde voort uit het eveneens in art. 8 EVRM Pro gewaarborgde recht op private life (zie onder meer EHRM 21 december 2010, 20578/07, NJ 2011/508).
5.1.3
Uit het recht op private life, in het bijzonder het recht op persoonlijke identiteit, vloeit eveneens voort dat een kind het recht heeft te weten van wie het afstamt (EHRM 20 december 2007, 23890/02, EHRC 2008/34).
Dat recht is tevens gewaarborgd in de art. 7 en Pro 8 IVRK.
5.1.4
Art. 1:247 lid 1 BW Pro bepaalt dat het ouderlijk gezag de plicht en het recht van de ouder omvat zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het minderjarig kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid (lid 2).
Tot de zorg en verantwoordelijkheid voor het geestelijk welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van het kind behoort het geven van informatie over zijn afstamming (‘statusvoorlichting’). Het is daarom aan de ouder die het gezag uitoefent om het kind die informatie te geven. In beginsel is het aan deze ouder voorbehouden het daartoe geschikte moment te bepalen. Daarbij dient evenwel het belang van het kind voorop te staan. Ouderlijk gezag is immers weliswaar een aan de ouders toekomend ‘recht’, maar dit recht is gegeven in het belang van het kind en kan daarom niet los worden gezien van de verplichting dat belang te dienen (HR 25 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2714, NJ 1999/379).
5.1.5
In een geval als het onderhavige, waarin het kind is verwekt met zaad van een (aan de ouders bekende) donor die niet het gezag over hem uitoefent, kan het belang van het kind met het oog op effectuering van het recht op omgang met zijn biologische vader meebrengen dat het kind te horen krijgt dat degene met wie het omgang zal hebben zijn vader is. Indien de rechter van oordeel is dat een zodanig geval zich voordoet, kan hij bepalen dat het
kind voorafgaand aan een volgend moment van omgang statusvoorlichting zal krijgen. In zoverre prevaleert in dat geval het rechterlijk oordeel omtrent hetgeen het belang van het kind bij het kennen van zijn afstamming met het oog op de omgang meebrengt, boven het recht van de ouders te bepalen op welk moment het kind die informatie zal krijgen.”
2.1
Met zijn oordeel dat de kinderen niet te jong zijn voor statusvoorlichting heeft het hof het belang van de kinderen bij een evenwichtige ontwikkeling van hun eigen identiteit voorop gesteld. Het hof heeft blijkens rov. 3.10.5 acht geslagen op het standpunt van de begeleider vanuit Prokino Zorg, doch heeft evenals de raad, een daarvan afwijkende opvatting.
2.11
Subonderdeel I.5signaleert dat het hof in rov. 3.10.6 het gezinssysteem van de moeder
in ogenschouw neemt en klaagt dat het hof voorbij gaat aan de problemen van de vader, zoals vermeld in het rapport van de raad op p. 19. De klacht is tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft ter beantwoording van de vraag of de minderjarigen zodanig opgroeien, dat zij in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd de leefsituatie in het gezin waarin de kinderen opgroeien in ogenschouw genomen. In dat kader behoefde het hof niet op de situatie van de vader in te gaan.
2.12
In
subonderdeel I.6lees ik de klacht dat het oordeel van het hof dat de moeder de zorg die in verband met het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging noodzakelijk is niet of onvoldoende accepteert onbegrijpelijk is, nu de moeder vrijwillig heeft meegewerkt aan omgang van de vader met [kind 1] en zij zelf begeleiding heeft ingeschakeld van Prokino Zorg.
2.13
Met betrekking tot de begeleiding door Prokino Zorg heeft het hof in rov. 3.10.5 geoordeeld dat het deze ontoereikend acht om de ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen af te wenden, aangezien de begeleidster vanuit Prokino Zorg een van de visie van de raad en het hof afwijkende opvatting heeft over wat het belang van [kind 1] op dit moment vraagt. Voorts heeft het hof in rov. 3.10.5 overwogen dat een ouderschapsreorganisatietraject bij Juvent, dat noodzakelijk wordt geacht om aan een vergroting van het vertrouwen en een verbetering van de verstandhouding tussen de moeder en de vader te werken, als basis voor een onbelast contact tussen de vader en de kinderen, bovendien niet van de grond komt, ondanks de door de moeder herhaaldelijk uitgesproken bereidheid om aan dit traject mee te werken. Tevens staat de strijd die de moeder tegen de vader voert met betrekking tot het tot stand komen van een omgangsregeling haaks op haar verklaring dat zij openstaat voor een ouderschapsreorganisatietraject bij Juvent. Het oordeel van het hof in rov. 3.10.7 dat de zorg die in verband met het wegnemen van de ontwikkelingsbedreigingen noodzakelijk is, niet of onvoldoende door de moeder wordt geaccepteerd, is gelet op hetgeen het hof in rov. 3.10.5 heeft overwogen niet onbegrijpelijk.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 14 september 2017, rov. 3.1-3.3.
2.Deze erkenning is inmiddels vernietigd bij beschikking van 27 juni 2017 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Tegen deze beschikking zou beroep zijn ingesteld (zie rov. 3.6 van de bestreden beschikking).
3.Deze beschikking is overgelegd als productie 1 bij het beroepschrift.
4.Het cassatieverzoekschrift is ingekomen op 14 december 2017.
5.Vaste rechtspraak sinds HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2292, NJ 2011/390 m.nt. S.F.M. Wortmann.
6.In subonderdeel I.3 lees ik geen klacht.
7.Zie HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:766, NJ 2017/196.