Conclusie
1.Feiten en procesverloop
€ 26.446,--, € 53.232,-- en € 2.435,-- en is van mening dat partijen ieder voor de helft draagplichtig hiervoor zijn.
€ 14.000 gevraagd.
€ 135.000,--. Ook hiertoe heeft zij reeds bij indiening van haar verzoekschrift op 12 december 2014 een overzicht van haar accountant overgelegd betreffende ‘Waardering [A]’ d.d. 4 december 2014.
Peildatum, omvang en waardering van de huwelijksgemeenschap
2.Bespreking van het cassatiemiddel
aandelen in de vennootschappenbetreft. Het omvat drie subonderdelen (1.1 t/m 1.3).
onder verrekening van de helft van de waarde), het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in het door de man geëntameerde hoger beroep een voor hem ongunstiger beslissing te nemen dan de beslissing van de rechtbank in eerste aanleg (te weten: toedeling aan de vrouw
zonder verrekeningvan de waarde). Het hof heeft aldus het verbod van
reformatio in peiusgeschonden (1.1.1).
gelijk aandeelhebben in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald of in de uitzonderlijke omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man zich jegens de vrouw op de verdeling bij helfte beroept. Nu de vrouw geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die nopen tot het oordeel dat de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid verdeling bij helfte in de weg zou staan, kon het hof niet beslissen dat de door de man gehouden aandelen in de vennootschappen aan de vrouw dienen te worden overgedragen zonder verrekening van de waarde van die aandelen. Voor zover het hof met zijn motivering dat een dergelijke verdeling “het meest aangewezen” voorkomt heeft willen uitdrukken dat de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid een verdeling bij helfte belet, is die beslissing onbegrijpelijk.
subonderdeel 1.3is in ieder geval ’s hofs beslissing de aandelen in de vennootschappen met gesloten beurzen toe te delen aan de vrouw in strijd met de goede procesorde, omdat het hof met deze beslissing een
ontoelaatbare verrassingsbeslissingheeft gegeven. De man hoefde, gelet op de stellingen van de vrouw en het gevoerde processuele debat, niet beducht te zijn op een beslissing die zou afwijken van de in artikel 1:100 lid 1 BW Pro neergelegde hoofdregel, noch hoefde hij te voorzien dat de stellingen van de vrouw een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid zou omvatten.
eenmanszaak [A]betreft en klaagt dat het oordeel van het hof terzake eo ipso - om de in het vorige middelonderdeel genoemde redenen - rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Ook voor deze beslissing geldt immers dat de man in een slechtere positie is komen te verkeren dan hij na de beschikking van de rechtbank verkeerde, dat de beslissing in strijd is met de hoofdregel van artikel 1:100 lid 1 BW Pro, dan wel dat het hof niet, althans onvoldoende heeft gemotiveerd op grond waarvan een uitzondering op deze hoofdregel moest worden gemaakt en dat het hof met deze beslissing een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft genomen.
middelonderdeel 3is ’s hofs beslissing een van artikel 1:100 lid 1 BW Pro afwijkende verdeling te gelasten eens temeer onbegrijpelijk in het licht van de beslissing, in rov. 23 [7] van de beschikking a quo, dat de rekening- courantverhoudingen met de diverse aan de vrouw toe te delen vennootschappen wél tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren, omdat de man op deze wijze wél dient te delen in de tot de gemeenschap behorende schuld, maar hij niet deelt in de - eveneens tot de gemeenschap behorende - vordering, welke schuld en vordering immers tot dezelfde rechtsverhouding behoren. Ingeval zou moeten worden beslist dat de man niet de waarde van de aan de vrouw toe te delen vennootschappen zou kunnen verrekenen, is het niet redelijk te beslissen dat hij wél draagplichtig is voor de rekening-courantverhoudingen die tot de gemeenschap behoren. Het vorengaande geldt a fortiori voor de beslissing, in rov. 21, dat de man de schulden van de eenmanszaak als eigen schulden dient te voldoen onder vrijwaring van de vrouw.
geldleningenbij de vader van de man niet is komen vast te staan. Daartoe wordt aangevoerd dat de man het bestaan van de geldleningen met bewijsstukken heeft onderbouwd door de leningsovereenkomsten en een beëdigde vertaling daarvan in het Nederlands in het geding te brengen [11] , zodat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom de overgelegde onderhandse akten – waarvan de vrouw de echtheid niet heeft betwist – niet zouden nopen tot de beslissing dat het bewijs van het bestaan van de leningen voldoende is komen vast te staan.